Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:163

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
200.219.741_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3569
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2688
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling.

Bepalen voorlopige zorgregeling in afwachting van rapport van de raad.

Ambtshalve schorsing van de uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking waarin een zorgregeling is bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 januari 2018

Zaaknummer: 200.219.741/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/225596/ FA RK 16-3264

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.C. Eliëns.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 april 2017, bekend onder voormeld zaaknummer. Bij voornoemde beschikking heeft de rechtbank de zorgregeling, zoals die tussen partijen ten behoeve van de twee uit hun inmiddels ontbonden huwelijk geboren minderjarigen is overeengekomen in een ouderschapsplan, dat is gehecht en onderdeel uitmaakt van de beschikking van dezelfde rechtbank van 7 december 2015, gewijzigd op de in de beschikking (d.d. 19 april 2017) aangegeven wijze, die beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de zorgregeling wordt stopgezet zolang de vader weigert met de moeder in overleg te gaan zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is aangegeven, dan wel anderszins door het hof te bepalen, dan wel een zorgregeling vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeend behoort vast te stellen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 november 2017, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de moeder af te wijzen.

Tevens heeft de vader incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de moeder te veroordelen aan de zorg- en contactregeling haar medewerking te verlenen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat de moeder na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking in gebreke zou zijn haar medewerking aan deze zorg- en contactregeling te verlenen, kosten rechtens.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 11 december 2017, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. J. Moonen (waarnemend voor mr. J.F.C. Eliëns);

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    een proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 april 2017;

  • -

    een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Uit het ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 december 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarigen behouden. De minderjarigen hebben het hoofdverblijf bij de moeder. De ouders zijn een zorgregeling overeengekomen, zoals is vastgelegd in het

ouderschapsplan dat is gehecht aan en onderdeel uitmaakt van voornoemde beschikking.

3.3.

De moeder voert, kort samengevat het volgende aan. De minderjarigen zitten sedert de feitelijke scheiding van partijen klem tussen hun ouders. De minderjarigen vertonen afwijkend gedrag en wel zodanig dat [minderjarige 1] reeds naar Met GGZ is verwezen. Voorts verblijven de minderjarigen, vanaf het moment waarop de echtscheidingsbeschikking werd afgegeven, in de omgangsweekenden en de vakanties bij de grootouders en niet of nauwelijks bij de vader. [minderjarige 1] heeft daar veel problemen mee en lijdt hieronder.

De vader heeft toegezegd er voor te zorgen dat de minderjarigen bij hem zouden verblijven, bij hem zouden slapen en slechts nog incidenteel naar de grootouders zouden gaan. De vader heeft echter direct na afloop van de procedure bij de rechtbank de ‘oude’ regeling hervat en de minderjarigen gedurende de omgangsweekenden bij de grootouders laten verblijven.

Tussen de ouders is geen enkele vorm van communicatie mogelijk. Vader wenst ook geen gesprekken te voeren met de moeder onder begeleiding van Centrum Jeugd en Gezin. De minderjarigen zijn getuige geweest van een fysieke aanval van de vader en zijn partner op de moeder. De minderjarigen zijn bang voor de vader en zijn partner, slapen slecht en hebben nachtmerries naar aanleiding van de fysieke aanval. Iedere vorm van veiligheid ontbreekt bij de minderjarigen. Zij willen geen contact met de vader. De moeder kan iedere beschikbare vorm van hulpverlening inzetten om voor de minderjarigen de schadelijke effecten van het gedrag van de vader weg te nemen, maar als de vader niet meewerkt zal die hulpverlening slechts een beperkt effect hebben. Hoewel de moeder aan de zorgregeling uitvoering geeft, is deze, gezien voornoemde omstandigheden, niet in het belang van de minderjarigen.

3.4.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. De vader woont thans tijdelijk bij zijn ouders in, de grootouders van de minderjarigen. De vader is op de momenten waarop de minderjarigen bij hem verblijven altijd bij de minderjarigen en laat de zorg voor de minderjarigen niet aan de grootouders over. De vader maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen. De vader bevestigt dat er geen communicatie tussen partijen mogelijk is. Vanaf het moment waarop de mediation in hoger beroep is beëindigd heeft de vader geen omgang meer met de minderjarigen gehad. De vader ziet het probleem van de moeder niet. De rechtbank heeft duidelijke voorwaarden aan de zorgregeling verbonden. De vader wil zich daaraan houden en de door de rechtbank bepaalde zorgregeling hervatten. Hij verzoekt de moeder te veroordelen haar medewerking aan de zorgregeling te verlenen, op straffe van een dwangsom.

3.5.

De raad heeft ter zitting zijn advies uit eerste aanleg gehandhaafd. Voorts heeft de raad – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het is belangrijk dat de minderjarigen hun vader zien. Gelet op het gebrek aan communicatie tussen de ouders is ouderschapsreorganisatie nodig. Daaraan zouden ouders zonder eventuele partners moeten deelnemen. De zorgregeling zou voor de duur van drie maanden kunnen worden beperkt tot een dag in het weekend. In die periode dienen de ouders constructief met elkaar aan de slag te gaan.

3.6.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechter kan een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden.

De rechter kan dientengevolge een tijdelijk contactverbod opleggen indien:

a. contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact;

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen contact met zijn ouder heeft doen blijken;

d. contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Tussen partijen is in geschil of het belang van de minderjarigen vereist dat een tijdelijk verbod aan de vader wordt opgelegd om met hen contact te hebben, althans om te bepalen op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen dient te worden vastgesteld.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de relatie van partijen ernstig verstoord is geraakt. Rechtstreekse communicatie tussen partijen als ouders is niet mogelijk. De moeder beschikt niet over een telefoonnummer van de vader en vader heeft aangegeven dat de communicatie uitsluitend via zijn huidige partner dient te verlopen. Voorts heeft de vader aangegeven niet open te staan voor een gesprek met de moeder onder professionele begeleiding van het Centrum Jeugd en Gezin (hierna te noemen: het CJG), zonder dat daarbij zijn huidige partner aanwezig mag zijn. De man heeft, naar aanleiding van gesprekken in het verleden bij het CJG, geen vertrouwen meer in het CJG. De door de raad geadviseerde ouderschapsreorganisatie komt (hierdoor) niet van de grond. Voorts hebben partijen ter zitting uiteenlopend verklaard over het verloop van de zorgregeling sedert 19 april 2017 (datum bestreden beschikking). Beide partijen maken zich ernstige zorgen over de ontwikkelingen van de minderjarigen. [minderjarige 1] heeft speltherapie gevolgd en zal in januari 2018 onder behandeling van een kinderpsychiater komen te staan. Daarnaast zal [minderjarige 1] KIES gaan volgen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de situatie zorgelijk. Zolang de ouders op geen enkele wijze met elkaar communiceren vormt dat een belemmering voor effectieve samenwerking tussen de ouders op ouderniveau. Dit maakt dat er sprake is van een mogelijke ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. Het ligt op de weg van de ouders om – door middel van ouderschapsreorganisatie – verandering te brengen in deze situatie. Het hof is van oordeel dat partijen daaraan moeten gaan werken, zonder dat daarbij, in ieder geval vooralsnog, eventuele partners aanwezig zijn. Gelet op de verklaringen ter zitting bestaat een gerede vrees dat hulp in een vrijwillig kader niet zal worden aanvaard. Daarom acht het hof het aangewezen dat de raad partijen begeleidt bij het opstarten van het geadviseerde traject van ouderschapsreorganisatie, dit traject monitort en aan het hof over het verloop hiervan uiterlijk 13 april 2018 verslag uitbrengt. Voorts zal het hof de raad verzoeken aanvullend advies uit te brengen over de invulling van de zorgregeling tussen de minderjarigen en de vader. In afwachting van het rapport en advies van de raad zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot 13 april 2018 pro forma.

Het hof ziet in verband daarmee aanleiding om de zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen voorlopig te wijzigen naar één dag per veertien dagen zonder overnachting. Het hof acht het van belang dat de minderjarigen en de vader contact met elkaar houden. De moeder heeft ter zitting aangegeven met een dergelijke door de raad geadviseerde voorlopige zorgregeling te kunnen instemmen. Gelet op de voorlopig gewijzigde omgangsregeling ziet het hof aanleiding op grond van art. 360 Rv ambtshalve de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te bevelen.

4 De beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel appel:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.6 is overwogen en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

verzoekt de raad uiterlijk twee weken vóór 13 april 2018 rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

bepaalt dat partijen het hof een week vóór 13 april 2018 schriftelijk berichten over:

- de gewenste voortgang van de onderhavige procedure, waaronder de wenselijkheid van een zitting, onder opgave van verhinderdata, of de gewenste afdoeningswijze;

- het standpunt ten aanzien van de zorgregeling;

beveelt de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking;

bepaalt een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen waarbij de minderjarigen een weekenddag per veertien dagen zonder overnachting bij de vader verblijven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van de zaak aan tot 13 april 2018 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel,

J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 18 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.