Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1614

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.205.277_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8661
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onvoldoende gronden voor beëindiging samenwerkingsovereenkomst MSB en medisch specialist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0188
GJ 2018/113 met annotatie van Prof. mr. J.H. Hubben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.205.277/01

arrest van 17 april 2018

in de zaak van

1 Coöperatief MSB Atrium-Orbis U.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: “het MSB”

2. Stichting Zuyderland Medisch Centrum,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: “Zuyderland”

appellanten,

hierna samen aan te duiden als “MSB c.s.”,

advocaat: mr. K.D. Meersma te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: “ [geïntimeerde] ”

2. [beheer] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: “ [beheer] Beheer”

geïntimeerden,

hierna samen aan te duiden als “ [geintimeerden c.s.] ” ,

advocaat: mr. J.A. Houben-Timmermans te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/212474/HA ZA 15-607 gewezen vonnis van 28 september 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 december 2017, waarbij een datum voor pleidooi is bepaald;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 5 maart 2018 door MSB c.s. toegezonden producties, die bij pleidooi in het geding zijn gebracht (de daarbij overgelegde akte met inhoud is door het hof geweigerd).

Partijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft een datum voor arrest bepaald.

6 De beoordeling

6.1.

In overwegingen 2.1 tot en met 2.18 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt over de volledigheid van deze feitenvaststelling geklaagd. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. a) Zuyderland is het resultaat van een fusie per 1 januari 2015 van Atrium Medisch Centrum Parkstad te [vestigingsplaats] en Orbis Medisch Centrum te [vestigingsplaats] en exploiteert een ziekenhuis. Zij heeft met het MSB een samenwerkingsovereenkomst (verder: ‘de Samenwerkingsovereenkomst’) gesloten, ingaande 1 januari 2015, omtrent - kort gezegd - de medische specialistische zorg die binnen het ziekenhuis wordt verricht door medisch specialisten waarvan de praktijkvennootschappen lid zijn van het MSB. In het kader van de uitvoering van de Samenwerkingsovereenkomst heeft het MSB met de verschillende medische specialisten en hun praktijkvennootschappen - waaronder [geintimeerden c.s.] - een zogenoemde ledenovereenkomst (verder: ‘de Ledenovereenkomst’) gesloten, eveneens per 1 januari 2015.

b) [geïntimeerde] is radioloog en oefent zijn praktijk uit in de vakgroep radiologie [vestigingsnaam] in maatschapsverband met andere radiologen. [geïntimeerde] is via [beheer] Beheer lid van de maatschap.

c) [geïntimeerde] was tot oktober 2017 tevens statutair directeur van Mitralis B.V. (verder: Mitralis), een joint venture van het ziekenhuis en de maatschap radiologie, waarin eerstelijns zorg op het gebied van radiologie wordt verleend. In de joint venture werd tot oktober 2017 door (praktijkvennootschappen van) radiologen geparticipeerd via Diagnostisch Centrum Parkstad B.V. (verder: “DCP”). DCP hield 80% van de gewone aandelen en 5 prioriteitsaandelen in Mitralis. Het ziekenhuis participeerde in Mitralis via Mitralis Zuyderland Klinieken B.V. (verder: “MZK”), waarvan de aandelen gehouden worden door een bestuurlijk gelieerde Stichting ZBC Zuyderland Medisch Centrum. MZK hield 20% van de gewone aandelen en 5 prioriteitsaandelen in Mitralis. Sinds oktober 2017 worden alle aandelen Mitralis gehouden door MZK.

d) In de akte van oprichting van het MSB is in artikel 5, lid 3, bepaald dat de Ledenovereenkomst in aanvulling op de wet en de statuten de tussen de leden en de Coöperatie over en weer geldende rechten en verplichtingen beschrijft.

e) In artikel 7 van de akte van oprichting van het MSB wordt - voor zover hier van belang - als volgt bepaald:

“Leden; einde van het lidmaatschap en schorsing

Artikel 7

1. Het lidmaatschap eindigt:

a. door opzegging van het Lid;

b. door opzegging van de Coöperatie;

c. door ontzetting;

d. door overlijden.

2. Opzegging van het Lidmaatschap door een Vrijgevestigd Lid of door de Coöperatie aan een Vrijgevestigd Lid omvat mede de opzegging van het lidmaatschap van dat Lid, waarbij de opzegtermijn in de Ledenovereenkomst van overeenkomstige toepassing is op de opzegging van het lidmaatschap. (…).

3. (…).

4. (…).

5. In afwijking van het voorgaande, kan opzegging van het lidmaatschap van een Lid door de Coöperatie plaatsvinden met onmiddellijke ingang, indien de Ledenovereenkomst tussen het Lid en de Coöperatie is geëindigd. (…).”

f) In de Ledenovereenkomst is - voor zover thans van belang - als volgt bepaald:

“2 Algemene verplichtingen

2.1

Deze Ledenovereenkomst verplicht het Lid en de Medisch Specialist alle verplichtingen die voor ieder van hen voortvloeien uit de Samenwerkingsovereenkomst integraal en onverwijld na te komen.

2.2

Het Lid en de Medisch Specialist stemmen ermee in dat het Ziekenhuis jegens ieder van hen een rechtstreeks beroep kan doen op alle verplichtingen voortvloeiende uit de Samenwerkingsovereenkomst. Deze bepaling dient te worden gezien als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Het Ziekenhuis aanvaardt dit beding door ondertekening van de Samenwerkingsovereenkomst tussen het MSB en het Ziekenhuis.

(…)

5 Opzegging

5.1

Het MSB kan de Ledenovereenkomst door opzegging beëindigen:

a. indien het Lid en/of de Medisch Specialist ondanks waarschuwing ernstig in verzuim blijft in de nakoming van deze Ledenovereenkomst en/of de Samenwerkingsovereenkomst;

b. (…);

c. (…);

d. indien het Lid en/of de Medisch Specialist aanwijzingen ter zake van de Opdracht als bedoeld in artikel 7:402 BW vanuit het MSB en/of de Opdrachtgever niet in acht neemt;

e. indien door gebrek aan samenwerking van de Medisch Specialist binnen de onderneming van de Opdrachtgever, het MSB en/of de Vakgroep verdere uitvoering van de Opdracht door het Lid bij het MSB redelijkerwijs van het MSB niet kan worden gevergd;

f. (…);

g. (…);

h. (…);

i. (…);

j. Op grond van (overige) omstandigheden, welke van dien aard zijn dat redelijkerwijs van het MSB niet kan worden verlangd de Ledenovereenkomst met het Lid ongewijzigd in stand te houden. (…).

5.4.1.

De opzegging als bedoeld in dit artikel zal bij aangetekend schrijven moeten geschieden met vermelding van de gronden waarop zij berust. Bij deze opzegging zal een termijn van zes maanden in acht worden genomen, tenzij een dringende de andere partij onverwijld mede te delen reden de onmiddellijke beëindiging van de Ledenovereenkomst rechtvaardigt.
(…)

8 Aanwijzingen

8.1

op grond van artikel 7:402 BW kan het MSB-Bestuur het Lid aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van de Opdracht, als omschreven in het functioneringsreglement. (…).

g) De artikelen 1, 13 en 14 van de Samenwerkingsovereenkomst luiden - voor zover van belang - als volgt:

“Art. 1 – Doel overeenkomst: geïntegreerd aanbod medisch specialistische zorg;

(…)

11. De instelling kan een Lid de toegang tot de Instelling ontzeggen, zodra het Lid niet langer lid is van het MSB.

Het MSB en de Leden laten zich bij hun werkzaamheden leiden door de op de Instelling rustende wettelijke verplichtingen en de regels die de Instelling vaststelt of heeft vastgesteld omtrent de zorgverlening.

(…)

Art. 13 – Aanwijzingsbevoegdheid

1. De in deze Samenwerkingsovereenkomst geformuleerde dan wel uit de wet voortvloeiende gedragsnormen voor de Leden en de andere natuurlijke personen die door het MSB worden ingezet, vormen verplichtingen van het MSB en de Leden jegens de instelling. Ter zake van de (niet-)naleving van deze gedragsnormen kan de inrichting zich richten tot zowel het MSB als rechtstreeks tot de leden. Het MSB staat er jegens de instelling voor in dat de Leden de verplichtingen nakomen, welke in dit kader ten aanzien van hen (zowel direct als indirect) in deze Samenwerkingsovereenkomst zijn opgenomen.

2. De instelling kan het MSB en de Leden aanwijzingen geven, alsmede aanwijzingen als bedoeld in lid 8, 9 en 10, omtrent de kwaliteit, veiligheid, organisatie en administratie van de zorg door het MSB, haar Leden en haar personeel. De aanwijzingen hebben geen betrekking op de medisch inhoudelijke zorg aan individuele patiënten, en treden niet in de verantwoordelijkheid van de Individuele Leden die voortvloeit uit de voor hen geldende en breed gedragen Professionele standaard.

3. (…)

4. (…)

5. Het MSB en de Leden nemen bij de uitoefening van hun werkzaamheden, taken en bevoegdheden de aanwijzingen in acht.
(…)

Art. 14 - Toegangsontzegging

1. De instelling kan - behoudens in spoedeisende gevallen waarbij overleg niet mogelijk is - na overleg met het bestuur MSB een Lid, of een ander natuurlijke persoon die door het MSB wordt ingezet, de toegang tot de instelling ontzeggen op grond van omstandigheden van zo ernstige aard dat aanwezigheid en / of het verrichten van enige werkzaamheid door dat Lid of die andere natuurlijke persoon in de Instelling niet langer kan worden geaccepteerd. (…).”

h) In 2014 is in opdracht van de Raad van Bestuur en het Bestuur Medische Staf van het Atrium met instemming van de maatschap radiologie een Commissie Radiologie samengesteld. De redenen hiervoor waren dat de maatschap radiologie binnen het ziekenhuis werd gemeden, slecht werd beoordeeld door collega’s, dat de stijl van de maatschap zich kenmerkte door gebrek aan respect en dat de maatschap zich niet hield aan de normen en waarden van de medische staf en het ziekenhuis. Er werd gesproken over liegen, bedriegen en bedreigen, benadeling van maten door niet uitbetalen van goodwill en het niet gelijk verdelen van de aandelen in Mitralis en er waren signalen van een vertrouwensbreuk binnen de groep radiologen. De commissie kreeg de opdracht de situatie in de maatschap te analyseren en voorstellen te formuleren tot het oplossen van de problemen.

i. i) Op 27 januari 2015 heeft de Commissie Radiologie een (concept)verslag uitgebracht. In dit verslag staat - voor zover in deze zaak van belang - het volgende:

“(…)
Dit verslag en de daarin opgenomen verbetervoorstellen worden op 30 januari met de voltallige maatschap radiologie besproken.

(…)

In de gevoerde gesprekken is naar voren gekomen dat er verstoorde relaties zijn. Het blijkt een al jaren bestaande situatie te zijn die in het najaar van 2014 is geëscaleerd.

(…) bovengenoemde aspecten hebben betrekking op het DCP. Daarnaast bestaan er binnen de maatschap beduidende communicatieproblemen. De wijze waarop maatschapvergaderingen voorbereid worden door maatschapleden laat zeer te wensen over. (…) er is weinig belangstelling voor beleidsmatige zaken die het belang van de hele maatschap en het ziekenhuis treffen. (…). Als een besluit niet bevalt wordt dit ook niet nageleefd door de individuele leden.

(…)

“Eén maatschap lid staat bekend om zijn kritische houding tegen een ieder maar ventileert dat via altijd anderen”. Veel maatschapleden ervaren dat er weinig respect voor elkaar is.

(…)

Conclusie Vraag 1 : Er is onderling wantrouwen en achterkamertjes politiek. De relaties zijn verstoord.

Conclusie Vraag 2 : de mate van verstoorde relaties: de mate van wantrouwen wordt door de maatschapleden verschillend aangegeven: Van enkelen die beweren dat het nog nooit zo ernstig geweest is waarbij vertrek uit de maatschap overwogen wordt, tot leden die uitsluitend op eigen kunnen vertrouwen en de door anderen genoemde problemen niet herkennen. De Commissie acht het vertrouwen tussen de radiologen onderling ernstig verstoord. (…).

Vraag 3 en 4: Bestaan er mogelijkheden tot herstel van relaties? (…).

Van belang is dat de onderlinge machtsverhouding hersteld wordt en alle radiologen weer gelijk zijn aan elkaar. Daarnaast moet het financiële vertrouwen herwonnen worden door transparantie te creëren over transacties met de aandelen van DCP, de management fee stromen en de maatschapcontractwijzingen.

(…).

Daarnaast moeten de leden van de maatschap elkaar correct en fatsoenlijk gaan aanspreken en niet zoals nu vaak verwoord is “op een achterbakse wijze”, “laag en onbeschoft” over iemand praten of over iemand praten met als doel de ander te beschadigen. Classificaties als “Autist, Klootzak, Dom, Sufferds, Lui, te oud, Incompetent” dragen niet bij (…). Bedreigingen c.q. intimidaties als: “Zie je in de rechtszaal…, als je niet …., dan maak ik je het leven zuur, etc” geuit over en soms tegen elkaar dienen tot het verleden te behoren. (…) Respect voor en acceptatie van de verschillende karakters en inzet is nu ver te zoeken. Het lijkt erop dat men elkaar weinig gunt.

(…)

Indien verdere escalatie niet voorkomen wordt dan voorziet de Commissie grote risico’s en problemen voor de maatschap radiologie met alle mogelijke consequenties van dien. De problemen zijn door het gedrag van de radiologen veroorzaakt zodat daar ook de oplossing gezocht moet worden.

(…)

aanbevelingen:

1. De communicatie binnen de maatschap behoeft op vele punten verbetering. Dit betreft zowel het gedrag tijdens de maatschapvergadering als het gedrag daarbuiten. Voor de vele communicatie problemen die eerder in het verslag genoemd zijn dient een oplossing gevonden te worden.

(…)
5. Binnen de maatschap lijkt niemand over de competenties te beschikken die nodig zijn om sturing te geven aan het proces om de huidige problemen op te lossen. Daarom dient iemand van buiten aangetrokken te worden die de positie van directeur van de maatschap gaat bekleden. Deze persoon dient ruime bevoegdheden en het mandaat van alle leden van de maatschap te krijgen om samen met de maatschap oplossingen te vinden voor de onder 1 t/m 4 genoemde punten. De bevoegdheden moeten nauwkeurig en in afstemming met het bestuur van het MSB worden geformuleerd en door alle maatschapleden te worden geaccordeerd

6. Alle maatschapleden moeten van het principe “afspraak is afspraak” uitgaan en daar ook naar gedragen.
(…)”

j) Naar aanleiding van de conclusies van de Commissie Radiologie, hebben de Raad van Bestuur van Zuyderland en het bestuur van het MSB gezamenlijk op 19 maar 2015 één aanwijzing gegeven aan zowel de maatschap als ook aan alle afzonderlijke leden van die maatschap. De aanwijzing hield in dat een aan de maatschap voorgehouden plan van aanpak (hierna; PvA), dat door elk van de maten voor akkoord was getekend, moest worden uitgevoerd.

k) Genoemd PvA (prod. 13 aan de zijde van [geïntimeerde] ) luidt onder meer:

“Raad van Bestuur en Bestuur MSB stellen op kosten van de maatschap een externe begeleider aan voor de maatschap radiologie [vestigingsnaam] . De besturen geven de externe begeleider een opdracht die minimaal omvat:

“a. leiding geven aan de maatschap;

b. voorzien plan van aanpak van tijdstermijnen en resultaten;

c. begeleiden totstandkoming verbeterpunten in dit plan van aanpak;

d. verbeteren groepsproces in de maatschap;

e. ontwikkelen van persoonlijke ontwikkelplannen voor alle individuele leden van de maatschap en het periodiek toetsen van de vorderingen;

f. voorzitten van de maatschapsvergadering en beheren van de agenda;

g. zijn van eerste aanspreekpunt voor alle maatschapsleden;

h. zijn van eerste aanspreekpunt voor alle externe partners;

i. voorbereiden besluitvorming, toezien op uitvoering en naleving van afspraken;

j. leiden van de fusiebesprekingen met de maatschappen nucleaire geneeskunde [vestigingsnaam] en radiologie & nucleaire geneeskunde [vestigingsnaam] ;

Rapportage over de voorgang door de externe begeleider geschiedt aan de Raad van Bestuur en bestuur MSB.

(…)

4. Er worden regels opgesteld met betrekking tot respectvolle omgangsvormen en communicatie binnen de maatschap.

(…)

9. De maatschap verbetert en onderhoudt interne en externe relaties met afdelings- en RVE management, medewerkers van de afdeling radiologie, collega-specialisten en huisartsen.

(…) ”

l) De aangestelde externe begeleider [externe begeleider] is met zijn werkzaamheden aangevangen op 1 mei 2015.

Bij e-mailbericht van 12 augustus 2015 heeft [externe begeleider] zijn overeenkomst van opdracht met het MSB en Zuyderland opgezegd. Voor zover hier van belang staat in deze mail als volgt vermeld:

“(…). Na ampele overwegingen ben ik de afgelopen weken tot de conclusie gekomen dat ik geen kansen zie om mijn opdracht tot een goed einde te brengen. Dit heeft met name te maken met de attitude van heer [geïntimeerde] , niet alleen ten opzichte van mij maar ook ten opzichte diverse collega-radiologen en medewerkers.

Reeds vanaf het begin van mijn opdracht ondervind ik geen constructieve medewerking van heer [geïntimeerde] , sterker nog, het is meer tegenwerking dan medewerking. De wijze waarop heer [geïntimeerde] ten opzichte van mij acteert ondermijnt mijn positie als interim-manager in ernstige mate. (…).

Ook het gedrag, de houding en de uitingen van heer [geïntimeerde] ten opzichte van diverse collega-radiologen en medewerkers hebben een negatieve invloed op het functioneren van de afdeling. Normale fatsoensnormen met betrekking tot omgang en communicatie worden door hem bij herhaling met voeten getreden. De wijze waarop heer [geïntimeerde] met mensen omgaat en communiceert leidt tot een cultuur op de afdeling, waarin mensen hun mond houden om “geen problemen te krijgen”.

Het plan van aanpak tot verbetering van de maatschap radiologie kan slechts slagen, indien sprake is van een open cultuur, waarbij mensen elkaar op een respectvolle manier kunnen aanspreken. Ik zie geen mogelijkheden om heer [geïntimeerde] hierin te corrigeren, mede gelet op de attitude die heer [geïntimeerde] jegens mij tentoonspreidt. (…).”

m) Op 18 augustus 2015 heeft de Raad van Bestuur van Zuyderland en het bestuur van het MSB een zienswijzegesprek gevoerd met [geïntimeerde] naar aanleiding van de beëindiging van de opdracht door [externe begeleider] . [geïntimeerde] heeft aangegeven zich niet te herkennen in de kritiek.

n) Op 25 augustus 2015 hebben de Raad van Bestuur van Zuyderland en het bestuur van het MSB het voornemen tot de toegangsontzegging tot Zuyderland en de beëindiging van de Ledenovereenkomst schriftelijk en onderbouwd aan [geïntimeerde] bekend gemaakt en [geïntimeerde] uitgenodigd om te worden gehoord op dit voornemen.

o) Op 31 augustus 2015 zijn buiten aanwezigheid van [geïntimeerde] de leden van de maatschap gehoord op het voornemen.

p) Op 2 september 2015 zijn [geïntimeerde] en het MSB afzonderlijk van elkaar gehoord.

q) Op 7 september 2015 heeft het MSB definitief besloten om de Ledenovereenkomst met [geintimeerden c.s.] met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat schriftelijk aan [geïntimeerde] bericht. Het MSB beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub a, d, e en j van de Ledenovereenkomst.

r) Eveneens op 7 september 2015 heeft Zuyderland een definitief besluit genomen, inhoudende dat [geintimeerden c.s.] met ingang van 7 september 2015 de toegang tot alle locaties van het ziekenhuis zijn ontzegd en heeft Zuyderland dat aan [geïntimeerde] bericht. Zuyderland beroept zich daarbij op artikel 1 lid 11 en artikel 14 lid 1 van de Samenwerkingsovereenkomst.

s) [geintimeerden c.s.] hebben het MSB c.s. in onderhavige procedure betrokken.

u) Nadat het bestreden vonnis is gewezen, heeft [geintimeerden c.s.] eind 2016 zijn werkzaamheden in Zuyderland weer hervat.

v) Gedurende de tijd dat [geïntimeerde] de toegang tot Zuyderland was ontzegd heeft hij voor Mitralis gewerkt.

6.2.

In onderhavige procedure hebben [geintimeerden c.s.] (samengevat) gevorderd:

Primair
a. een verklaring voor recht dat de opzegging van 7 september 2015 van de Ledenovereenkomst door het MSB nietig is, althans deze te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat het besluit van 7 september 2015 strekkende tot beëindiging van de Ledenovereenkomst niet op goede gronden is genomen en daarom niet tot een beëindiging van die Ledenovereenkomst leidt;
b. een verklaring voor recht dat [geintimeerden c.s.] vanaf 7 september 2015 onverminderd lid is gebleven van het MSB en de Ledenovereenkomst en de Samenwerkingsovereenkomst onverminderd van kracht zijn;
c. een verklaring voor recht dat de toegangsontzegging door Zuyderland van 7 september 2015 nietig is, althans deze te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat dit besluit niet op goede gronden is genomen en daarom niet tot een toegangsontzegging heeft geleid;
d. een verklaring voor recht dat het MSB haar verplichtingen jegens [geintimeerden c.s.] op basis van de Ledenovereenkomst en de Statuten en de Samenwerkingsovereenkomst vanaf 7 september 2015 onverminderd dient na te komen, totdat er een rechtsgeldig einde is gekomen zowel aan de ledenovereenkomst tussen partijen als het lidmaatschap van [geintimeerden c.s.] van het MSB;
e. een verklaring voor recht dat Zuyderland gehouden is om [geïntimeerde] toegang tot het ziekenhuis / de ziekenhuislocaties van Zuyderland te verlenen en hem in staat te stellen om zijn werkzaamheden als radioloog en zijn praktijk van daaruit uit te oefenen, totdat er een rechtsgeldig einde is gekomen zowel aan de Ledenovereenkomst als het lidmaatschap van [geintimeerden c.s.] van het MSB,
f. veroordeling van het MSB c.s. hoofdelijk om – binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis – [geintimeerden c.s.] in staat te stellen het beroep van medisch specialist radioloog ongehinderd en in volle omvang bij MSB c.s. uit te oefenen, op straffe van een dwangsom van € 10.000, per dag voor elke dag dat MSB en/of Zuyderland hiermee in gebreke blijft;
g. veroordeling van MSB c.s. hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geintimeerden c.s.] te vergoeden de schade die zij hebben geleden, lijden en nog zullen lijden, op de gronden zoals omschreven in het lichaam der dagvaarding, welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Subsidiair

indien de rechtbank beslist dat dat de besluiten in stand dienen te blijven, MSB c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [geintimeerden c.s.] schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Meer subsidiair

een verklaring voor recht dat de Ledenovereenkomst eindigt met inachtneming van de opzegtermijn van zes maanden, onder toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan [geintimeerden c.s.] , welke vergoeding gelijk is aan de schade tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [geïntimeerde] , te becijferen door een door de rechtbank te benoemen deskundige, althans een door de rechtbank anderszins naar billijkheid vast te stellen bedrag,

Primair, subsidiair en meer subsidiair

Een en ander vermeerderd met rente en kosten.

6.3.

MSB c.s. hebben verweer gevoerd. Nadat een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis – kort gezegd - geoordeeld (en voor recht verklaard) dat de besluiten om de Ledenovereenkomst te beëindigen en om [geïntimeerde] de toegang tot Zuyderland te ontzeggen niet op goede gronden zijn genomen en dat [geintimeerden c.s.] weer toegelaten moeten worden tot het MSB en tot het ziekenhuis, totdat er rechtsgeldig een einde is gekomen aan de Ledenovereenkomst.

MSB c.s. zijn (voor zover dat in hun macht is) veroordeeld om [geintimeerden c.s.] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis weer in staat te stellen het beroep van radioloog ongehinderd en in volle omvang in Zuyderland uit te oefenen, op straffe van een dwangsom. MSB c.s. zijn verder veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geintimeerden c.s.] te vergoeden de schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat. MSB c.s. zijn veroordeeld in de proceskosten.

6.4.

MSB c.s. hebben in hoger beroep acht grieven aangevoerd, waarmee het geschil in volle omvang aan het hof wordt voorgelegd. MSB c.s. hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

6.5.

Met de grieven bestrijden MSB c.s. – kort gezegd - het oordeel van de rechtbank dat MSB c.s. het recht tot opzegging van de Ledenovereenkomst met [geintimeerden c.s.] en tot ontzegging van de toegang tot Zuyderland niet toekwam omdat MSB c.s. zich niet met recht konden beroepen op de door het MSB aan de opzegging van de Ledenovereenkomst ten grondslag gelegde opzeggingsgronden. Daarbij constateert het hof dat de ontzegging van de toegang door Zuyderland in feite is gegrond op dezelfde stellingen als door het MSB aan haar besluit ten grondslag zijn gelegd. Evenals de rechtbank zal het hof bij haar beoordeling het besluit van het MSB tot uitgangspunt nemen.

6.6.

MSB c.s. voeren aan dat het gedrag van [geïntimeerde] aan adequaat samenwerken in de weg staat en daarmee een risico vormt voor kwaliteit en veiligheid en goede zorg.

Zij stellen dat de passage in het verslag van de Commissie Radiologie: “Daarnaast moeten de leden van de maatschap elkaar correct en fatsoenlijk gaan aanspreken en niet zoals nu vaak verwoord is “op een achterbakse wijze”, “laag en onbeschoft” over iemand praten of over iemand praten met als doel de ander te beschadigen. Classificaties als “Autist, Klootzak, Dom, Sufferds, Lui, te oud, Incompetent” dragen niet bij (…).” in het bijzonder betrekking had op [geïntimeerde] , althans past bij de wijze waarop [geïntimeerde] gewend is zich uit te laten over anderen en dat [geïntimeerde] zich dit onderdeel van de aanwijzing in het bijzonder moest aantrekken.

MSB c.s. onderbouwen dit verwijt onder meer met een verwijzing naar (desgevraagd in 2016) afgelegde verklaringen door drie in 2014 en 2015 vroegtijdig gepensioneerde maatschapleden, waaruit blijkt dat het gedrag van [geïntimeerde] aanleiding is geweest voor hun vervroegde vertrek. MSB c.s. verwijzen verder onder meer naar verklaringen van de teamleider en het afdelingshoofd medische beeldvormende techniek, waaruit blijkt van angst en terughoudendheid bij personeel als gevolg van een ervaren intimiderende en denigrerende wijze van bejegening door [geïntimeerde] . Ook verwijzen MSB c.s. naar de gespreksverslagen van de gesprekken die door hen gevoerd zijn met zes individuele maatschapleden naar aanleiding van het (concept)rapport van de Commissie Radiologie. Daaruit blijkt dat [geïntimeerde] door in elk geval twee maten wordt gezien als een rotte appel in de maatschap, die weliswaar een goede en slimme radioloog is, maar een verdeel- en heerstactiek hanteert en zaken altijd naar zijn hand zet. Een ander merkt op dat [geïntimeerde] bewezen misbruik van zijn macht maakt. Op de vraag of het PvA haalbaar is, wordt onder meer geantwoord dat dit niet het geval is zolang [geïntimeerde] in de maatschap blijft; dat als [geïntimeerde] zou vertrekken veel problemen zouden zijn opgelost omdat [geïntimeerde] een bron van conflicten is; dat men sceptisch is over de mogelijkheid dat het gedrag van [geïntimeerde] zal veranderen (“ [geïntimeerde] is eerder aangesproken op zijn gedrag. Hij houdt zich dan een tijd stil en gaat daarna weer stieren”); dat het wenselijk zou zijn als een drietal maten, waaronder [geïntimeerde] , zou vertrekken.

6.7.

Het hof deelt het standpunt van MSB c.s. dat de wijze waarop [geïntimeerde] met collega’s in en buiten de maatschap communiceert en zich uitlaat over anderen - blijkend uit de vele door MSB c.s. in het geding gebrachte voorbeelden daarvan (overigens ook reeds daterend van vóór de aanwijzing) - in strijd is met algemene omgangsnormen, denigrerend en respectloos is en dat het [geïntimeerde] aan zelfreflectie lijkt te ontbreken. MSB c.s. hebben naar het oordeel van het hof ook voldoende aannemelijk gemaakt dat die wijze van communiceren een goede samenwerking met velen binnen de vakgroep en op de afdeling radiologie negatief beïnvloedt, en dat de wijze van communiceren van [geïntimeerde] [externe begeleider] ernstig heeft gefrustreerd in zijn werkzaamheden als interim-manager.

Terecht hebben MSB c.s. verder aangevoerd dat voor goede patiëntenzorg en bedrijfsvoering van het ziekenhuis een goed verlopende samenwerking tussen specialisten en ondersteunend personeel noodzakelijk is en dat specialisten - naast op de kwaliteit van de door hen verleende medisch specialistische zorg - ook daarop mogen worden aangesproken. Anders dan [geintimeerden c.s.] betogen kan de veiligheid van patiënten en de kwaliteit van zorg wel degelijk in het geding komen als in een ziekenhuisomgeving specialisten niet fatsoenlijk met elkaar, met de andere collega’s werkzaam in het ziekenhuis en met de patiënten communiceren.

6.8.

De vraag die in dit geschil voorligt, is echter of het in september 2015 aan [geïntimeerde] verweten gedrag de toen verrichte opzegging van de ledenovereenkomst en de ontzegging van de toegang tot Zuyderland met onmiddellijke ingang rechtvaardigde. MSB c.s. hebben zich bij die opzegging beroepen op het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub a, d, e en j van de Ledenovereenkomst als ook op het bepaalde in artikel 1 lid 11 en artikel 14 lid 1 van de Samenwerkingsovereenkomst.

MSB c.s. hebben ter gelegenheid van het pleidooi ook nog een aantal gebeurtenissen en ontwikkelingen van ná het bestreden vonnis en ná het hervatten van het werk door [geïntimeerde] in het ziekenhuis aangehaald. Die gebeurtenissen kunnen echter bij het antwoord op de thans in onderhavig hoger beroep aan de orde zijnde vraag geen rol spelen, nu die niet aan de gewraakte opzegging en ontzegging van de toegang ten grondslag hebben gelegen. Het hof zal die hierna dan ook buiten beschouwing laten.

Art. 5 lid 1 sub a

6.9.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, blijkt uit wat MSB c.s. hebben aangevoerd genoegzaam van een wijze van communiceren van [geïntimeerde] die niet respectvol is en de samenwerking binnen de vakgroep en op de afdeling negatief beïnvloedt.

Echter, dat [geïntimeerde] op enig moment door MSB c.s. is aangesproken op dat gedrag en is gewaarschuwd als bedoeld in art. 5.1 lid a van de samenwerkingsovereenkomst, blijkt daaruit niet.

De enkele stellingen dat er 10 jaar geleden al een keer een handtekeningenactie zou zijn geweest (waarmee door de Raad van Bestuur van Atrium medisch Centrum Parkstad toen niets zou zijn gedaan) en dat er geruchten gingen dat [geïntimeerde] in 2013 al een keer tijdelijk de toegang zou zijn ontzegd, zijn onvoldoende voor de conclusie dat er is gewaarschuwd. Dat de hiervoor geciteerde classificaties uit het rapport van de Commissie Radiologie in het bijzonder betrekking hadden op [geïntimeerde] , acht het hof weliswaar niet onaannemelijk, maar in het rapport staat dat niet, zodat daarin ook geen expliciete waarschuwing aan hem te lezen is. Het rapport spreekt (slechts) over “de leden van de maatschap”. Verder is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] er bij de bespreking van dat rapport op is gewezen dat hij zich deze vermeldingen in het bijzonder moest aantrekken en dat hij is gewaarschuwd. Dat ook de aanwijzing niet beschouwd kan worden als een dergelijke waarschuwing, staat enerzijds niet ter discussie en ligt anderzijds ook allerminst voor de hand omdat de aanwijzing niet alleen aan [geïntimeerde] was gericht, maar aan zowel de maatschap als aan alle daarvan deel uitmakende maten. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] is gewaarschuwd (het hierboven gememoreerde gedrag op het gebied van samenwerking en communicatie niet meer te vertonen omdat daar anders consequenties aan zouden worden verbonden).

Art. 5 lid 1 sub d

6.10.

Terecht voeren MSB c.s. onder verwijzing naar het bepaalde in art. 5.1 lid d van de samenwerkingsovereenkomst en het bepaalde in art. 7:402 BW aan dat een aanwijzing geen waarschuwing is, maar een instructie waaraan gevolg moet worden gegeven zonder dat (daarna) nog een waarschuwing nodig is.

Ook deelt het hof het standpunt van MSB c.s. dat de uit de aanwijzing voortvloeiende verplichtingen op het gebied van communicatie en samenwerking niet zo beperkt moeten worden uitgelegd, dat de maatschap slechts gehouden was om regels voor die communicatie op te stellen. Alle maatschapleden, ook [geïntimeerde] , moeten daaruit hebben begrepen dat zij per direct met en (onder meer) onder leiding van [externe begeleider] moesten gaan werken aan verbetering van de communicatie in en buiten de maatschap. Het hof deelt het standpunt van MSB c.s. dat de wijze waarop [geïntimeerde] met [externe begeleider] per email heeft gecommuniceerd (wederom) getuigt van weinig respectvol gedrag. Echter, die constatering rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat [geïntimeerde] [externe begeleider] voortdurend heeft tegengewerkt en geschoffeerd en diens gezag heeft ondermijnd en dat [geïntimeerde] de aanwijzing niet in acht heeft genomen, zoals MSB c.s. ter onderbouwing van deze opzeggingsgrond hebben aangevoerd. Daarbij weegt het hof dat de wijze van communiceren van [geïntimeerde] bekend was en deel uitmaakte van de meer omvattende problemen in de maatschap die moesten worden opgelost. [externe begeleider] was aangesteld om sturing te geven aan een proces om die problemen op te lossen. Weliswaar meldt [externe begeleider] in de brief waarmee hij zijn opdracht teruggeeft: “Reeds vanaf het begin van mijn opdracht ondervind ik geen constructieve medewerking van heer [geïntimeerde] , sterker nog, het is meer tegenwerking dan medewerking. De wijze waarop heer [geïntimeerde] ten opzichte van mij acteert ondermijnt mijn positie als interim-manager in ernstige mate. (…).Ik zie geen mogelijkheden om heer [geïntimeerde] hierin te corrigeren, mede gelet op de attitude die heer [geïntimeerde] jegens mij tentoonspreidt.”, maar concrete feiten waaruit blijkt dat [geïntimeerde] [externe begeleider] bij de uitvoering van zijn opdracht heeft tegengewerkt vermeldt [externe begeleider] niet. Ook is gesteld noch gebleken dat [externe begeleider] enige poging heeft ondernomen om [geïntimeerde] in de hem verweten attitude jegens [externe begeleider] (en anderen) te corrigeren, iets wat in het kader van de aan [externe begeleider] verstrekte opdracht wel van hem mocht worden verwacht. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat hij [externe begeleider] in de drie maanden dat deze bij de maatschap aan het werk was, niet – anders dan in de maatschapvergadering – gesproken heeft.
Het hof is van oordeel dat er door MSB c.s. onvoldoende concreet onderbouwde feiten zijn aangevoerd, waaruit de conclusie volgt dat [geïntimeerde] de aanwijzing (die aan de hele maatschap en alle maten was gericht) niet in acht heeft genomen. De vraag (die [geïntimeerde] heeft opgeworpen) of er wel sprake was van een aanwijzing als omschreven in het functioneringsreglement waarnaar art. 8 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst verwijst, kan onbeantwoord blijven.

Art. 5 lid 1 sub e en j

6.11.

Met betrekking tot de opzeggingsgronden art. 5.1.e en j van de samenwerkingsovereenkomst deelt het hof het oordeel van de rechtbank. Zowel uit het visitatierapport van 4 februari 2014 als uit het rapport van de Commissie Radiologie blijkt dat er problemen waren in de samenwerking binnen de maatschap als ook met de bejegening van de laboranten. Aangenomen kan worden dat deze problemen in elk geval deels mede gerelateerd waren aan het optreden van [geïntimeerde] (zie ook onder 6.6. hiervoor), maar dat het gebrek aan samenwerking uitsluitend [geïntimeerde] te verwijten is, blijkt uit geen van genoemde rapporten. Anders dan MSB c.s. aanvoeren blijkt dat ook niet uit de verslagen van de met de andere maatschapleden in augustus 2015 gevoerde gesprekken. Daaruit blijkt weliswaar dat er maatschapleden zijn die [geïntimeerde] graag zouden zien vertrekken omdat dat zou helpen bij het oplossen van de samenwerkingsproblemen, maar ook dat het in dat verband gewenst zou zijn als er anderen (dan alleen [geïntimeerde] ) zouden vertrekken, als ook dat het vertrek van [geïntimeerde] een verlies zou zijn voor de patiëntenzorg. Andere omstandigheden die van dien aard zijn dat in september 2015 redelijkerwijs van MSB niet meer verlangd kon worden de ledenovereenkomst in stand te houden, zijn gesteld noch gebleken.

6.12.

Nu MSB c.s. voor het overige geen feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden, is voor bewijslevering als aangeboden geen aanleiding en wordt het bewijsaanbod gepasseerd.

6.13.

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. MSB c.s. zullen in proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Op verzoek van [geïntimeerde] zal dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt MSB c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 718,= aan griffierecht en op € (3 pnt x 894,=) 2.682,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 april 2018.

griffier rolraadsheer