Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1596

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.199.905_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verjaring consumentenkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/321
RCR 2018/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.905/01

arrest van 17 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.W.P.M. van Orsouw te Oss,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.J.L. Versantvoort te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 juli 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4786944 \ CV EXPL 16-1140)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlating tevens overlegging producties van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter [appellant] voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om aan haar te betalen aan hoofdsom

€ 2.418,- te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente daarover vanaf 9 december 2011, € 362,79 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, samengevat, dat [appellant] op een door haar op 4 en 5 november 2011 in [plaats 1] georganiseerde postzegelveiling postzegels heeft gekocht en dat zij die aan hem heeft geleverd. [appellant] heeft nagelaten de daarop betrekking hebbende factuur d.d. 9 november 2011 ad € 2.418,- in totaal te betalen. Zij vordert thans van [appellant] nakoming van de koopovereenkomst.

3.2.

[appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de gevorderde hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen nadat [appellant] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag der voldoening.

Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.4.

[appellant] was ten tijde van de inleidende dagvaarding woonachtig in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening.

Het hof stelt vast dat op de voet van art. 7 aanhef lid 1 sub b van deze Verordening de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, bevoegd was kennis te nemen van de onderhavige vordering van [geïntimeerde] . Aangezien de rechtbank Oost-Brabant is gelegen in het ressort van dit hof, is het hof in hoger beroep bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Het hof begrijpt dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlands recht hebben gekozen, hetgeen in dit geval is toegestaan. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de vordering Nederlands recht toepassen.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering. Het hof ziet aanleiding om eerst de derde grief van [appellant] te behandelen.

Daarbij zal het hof uitgaan van dezelfde feiten als in eerste aanleg, nu daartegen niet is gegriefd en evenmin anderszins bezwaar is gemaakt.

Beroep op verjaring

3.6.

De derde grief van [appellant] komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de rechtsvordering van [geïntimeerde] , indien daar al sprake van was, nog niet was verjaard.

3.6.1.

[appellant] stelt in de toelichting op deze grief dat de kantonrechter heeft overwogen dat sprake is van een consumentenkoop. In dat geval geldt een verjaringstermijn van twee jaren (art. 7:5 jo. art. 7:28 BW) en niet, zoals de kantonrechter in het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen, van vijf jaren (art. 3:307 BW). Uitgaande van de factuurdatum van

9 november 2011 en het feit dat [geïntimeerde] voor het eerst bij brief van 14 september 2015 aanspraak heeft gemaakt op de beweerdelijke vordering, was deze vordering toen al verjaard, aldus [appellant] .

3.6.2.

[geïntimeerde] betwist in de memorie van antwoord dat sprake is van een consumentenkoop. Volgens [geïntimeerde] is sprake van een zakelijke overeenkomst en geldt daarvoor een verjaringstermijn van vijf jaren, zodat haar vordering niet is verjaard.

3.7.

Hoewel [geïntimeerde] in de kop van de memorie van antwoord niet aangeeft dat zij bij die memorie tevens incidenteel appel instelt, is uit de tekst van de memorie van antwoord voldoende kenbaar dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat de koopovereenkomst niet moet worden gekwalificeerd als een consumentenkoop en dat zij dit als grief tegen het aldus bestreden vonnis aanvoert. Het hof beschouwt dit dan ook als een grief in een incidenteel appel. [appellant] heeft daarna een akte genomen en is derhalve in de gelegenheid geweest op deze stelling van [geïntimeerde] te reageren.

3.8.

Het hof stelt bij de beantwoording van de vraag of de vordering van [geïntimeerde] is verjaard het volgende voorop. Artikel 7:28 BW betreft de verjaring van de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs bij consumentenkoop. Bij consumentenkoop geldt een verjaringstermijn van twee jaren. Artikel 7:28 BW wijkt daarmee af van art. 3:307 BW, dat voor een vordering tot nakoming een algemene verjaringstermijn van vijf jaren kent.

3.8.1.

Het hof zal eerst de vraag behandelen of sprake is van een consumentenkoop. In art. 7:5 lid 1 BW wordt een consumentenkoop gedefinieerd als de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit. Dat de koop met betrekking tot roerende zaken (postzegels) is gesloten en dat [geïntimeerde] als een professionele verkoper kan worden aangemerkt is niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of [appellant] als natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs-of beroepsactiviteit (hierna ook aan te duiden als: consument) de (gestelde) koopovereenkomst heeft gesloten, zoals [appellant] stelt en [geïntimeerde] betwist.

3.8.2.

Het gaat hier om Nederlandse frankeergeldige postzegels, die naar hun aard zowel voor privé als zakelijk gebruik bestemd kunnen zijn. In dit specifieke geval acht het hof het volgende van belang. De gestelde koopovereenkomst is tot stand gekomen op de door [geïntimeerde] op 4 of 5 november 2011 georganiseerde veiling. De op deze koopovereenkomst betrekking hebbende factuur is gericht aan [appellant] in privé en gezonden naar zijn privéadres in België. De gekochte postzegels zijn volgens [geïntimeerde] op verzoek van [appellant] in november 2011 verzonden naar het adres [adres 1] te [plaats 2] . [appellant] heeft tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen onweersproken gesteld dat op dit adres zijn ouders wonen. Uit voormelde omstandigheden leidt het hof af dat [appellant] , zoals hij stelt, zich ten tijde van het sluiten van de gestelde koopovereenkomst naar buiten toe heeft gepresenteerd als een particuliere koper.

Het enkele feit dat [appellant] voor € 18.810,- aan postzegels koopt maakt nog niet dat hij niet als privéverzamelaar heeft geboden, terwijl gesteld noch gebleken is dat niet ook door privéverzamelaars voor grote(-re) bedragen op postzegels wordt geboden. Daar komt nog bij dat [appellant] zijn eenmanszaak niet kort na de gestelde koopovereenkomst heeft opgericht, maar eerst op 9 juli 2012, zodat daaruit, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden afgeleid dat [appellant] de postzegels heeft gekocht om ze voor zijn nog op te richten bedrijf te gebruiken. Dit geldt te meer nu de eenmanszaak zich volgens het uittreksel uit het handelsregister richt op Zwitserse postzegels en niet op Nederlandse postzegels.

Het hof is op grond van het voorgaande met [appellant] van oordeel dat de kantonrechter de gestelde koopovereenkomst terecht heeft gekwalificeerd als een consumentenkoop, zoals bedoeld in art. 7:5 BW. De daartegen gerichte grief in het incidenteel appel van [geïntimeerde] faalt dus.

6.9.

Vervolgens dient te worden bezien of de (gestelde) vordering van [geïntimeerde] op grond van art. 7:28 BW is verjaard, zoals [appellant] stelt en [geïntimeerde] betwist.

6.9.1.

Het aanvangstijdstip van de verjaring blijkt niet uit art. 7:28 BW zelf, maar is overgelaten aan het algemene art. 3:313 BW: de verjaringstermijn begint met de aanvang van de dag, volgend op die waarop de onmiddellijke betaling kan worden gevorderd. Bij de vordering tot betaling van de koopsom is dat de dag van aflevering van het gekochte (art. 7:26 lid 2 BW). Het staat partijen vrij een ander moment overeen te komen waarop de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar zal worden en ook uit de redelijkheid en billijkheid kan een ander moment van opeisbaarheid volgen.

Het hof begrijpt dat [appellant] stelt dat de verjaringstermijn aanvangt op 9 november 2011 (datum factuur koopsom). Aangezien [geïntimeerde] deze stellingname niet heeft bestreden, zal het hof dit als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat de verjaringstermijn (in beginsel) op

9 november 2013 eindigt.

6.9.2.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] voor het eerst bij brief van 14 september 2015 aanspraak heeft gemaakt op betaling van de koopprijs, zodat de gestelde vordering is verjaard.

[geïntimeerde] betwist dat de vordering is verjaard en zij stelt zich op het standpunt dat de verjaring door middel van de door haar en haar incassogemachtigde verzonden herinneringen en/of aanmaningen steeds tijdig is gestuit, zodat zij gerechtigd is om op haar vordering aanspraak te maken.

[appellant] betwist dat zij voor 14 september 2015 herinneringen en/of aanmaningen van [geïntimeerde] heeft ontvangen.

6.9.3.

Het hof merkt het verweer van [geïntimeerde] dat de verjaring door haar tijdig is gestuit aan als een bevrijdend verweer, waarvoor de stelplicht en bewijslast op [geïntimeerde] rust.

6.9.4.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van dit verweer gesteld dat [appellant] bij e-mail van 14 november 2011 heeft erkend dat hij de factuur heeft ontvangen. Zij heeft vervolgens nog zeven herinneringen en aanmaningen naar hetzelfde adres gestuurd als waarop [appellant] de factuur heeft ontvangen ( [adres 2] te [plaats 3] in België). Zij verwijst daarbij naar de door haar overgelegde herinneringen en aanmaningen d.d. 22 mei 2012, 25 september 2012,

14 maart 2013, 21 mei 2013, 26 november 2013, 25 februari 2014 en 18 juli 2014 (prod. 4 mva en prod. 3 inl. dagv en prod. 8 akte houdende overlegging producties eerste aanleg). Bovendien is de brief van haar gemachtigde d.d. 14 september 2015, waarop [appellant] heeft gereageerd, eveneens naar dit adres gezonden. [geïntimeerde] is daarom van mening dat [appellant] wel degelijk de herinneringen en aanmaningen heeft ontvangen.

6.9.5.

Nadat [appellant] de ontvangst heeft betwist van de door [geïntimeerde] als productie overgelegde zeven herinneringen en aanmaningen, zoals hiervoor vermeld, heeft [geïntimeerde] erkend dat zij deze stukken niet aangetekend aan [appellant] heeft verzonden. De omstandigheid dat [appellant] de factuur en de brief van 14 september 201 wel heeft ontvangen, rechtvaardigt, anders dan [geïntimeerde] meent, niet de conclusie dat hij ook vermelde herinneringen en aanmaningen heeft ontvangen omdat deze naar hetzelfde adres zijn gestuurd.

Gelet op de betwisting van de ontvangst van voormelde herinneringen en aanmaningen, had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om specifiek te bewijzen aan te bieden dat [appellant] deze herinneringen en aanmaningen heeft ontvangen. Aangezien een daartoe strekkend specifiek bewijsaanbod van [geïntimeerde] ontbreekt, zal zij niet worden toegelaten tot bewijslevering.

Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [appellant] de hiervoor vermelde herinneringen en aanmaningen van [geïntimeerde] binnen de verjaringstermijn heeft ontvangen.

Het voorgaande, alsmede de omstandigheid dat de stuitingsbrief van 14 september 2015 pas na de verjaringstermijn is verstuurd en door [appellant] is ontvangen, leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] de verjaring van haar vordering tijdig heeft gestuit, zodat het verweer van [geïntimeerde] wordt gepasseerd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard. Het bevrijdend verweer van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde] treft doel. De derde grief in het principaal appel slaagt.

6.10.

Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen tot een ander oordeel leiden, zodat haar algemene bewijsaanbod als niet terzake dienend wordt gepasseerd.

6.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen.

6.12.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in het principaal appel. In het incidenteel appel geldt [geïntimeerde] eveneens als de in het ongelijk gestelde partij. Een kostenveroordeling zal echter achterwege blijven, nu [appellant] voor het incidenteel appel geen aparte kosten heeft gemaakt.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 350,- in eerste aanleg en op

€ 99,87 aan dagvaardingskosten, op € 314,- aan griffierecht en op € 948,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A.M. van Oorschot, T. Rothuizen-van Dijk en T.J. Dorhout-Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 april 2018.

griffier rolraadsheer