Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
200.233.052_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3 aanhef en sub c onder een verlenging van de looptijd met een periode van 12 maanden.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 april 2018

Zaaknummer : 200.233.052/01

Zaaknummer eerste aanleg : 15.280 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. F.J.M. Raaijmakers te Alphen, gemeente Alphen-Chaam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 januari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 februari 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen, haar te ontheffen van de daarin uitgesproken beëindiging van de schuldsaneringsregeling en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling, uitgesproken bij vonnis van 15 juli 2015, onverminderd voortgezet zal worden.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Raaijmakers,

- de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 15 maart 2018;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 7 maart 2018 en 19 maart 2018;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 3 juli 2015 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 30 oktober 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt en door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellante] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aldus de rechtbank.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.4. De rechtbank stelt vast dat een groot aantal stukken ontbreekt. De salarisspecificaties over de maanden november 2016 en december 2016 en over de periode juni 2017 tot en met oktober 2017 zijn niet in het bezit van de bewindvoerder. Voorts, ontbreken betrouwbare salarisspecificaties vanaf 1 januari 2017 tot en met mei 2017, zijn er geen (geldige) arbeidscontracten overgelegd vanaf november 2016 tot en met september 2017 en ontbreken sollicitatiebewijzen over de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 16 november 2017. Schuldenares heeft niet weersproken dat de bewindvoerder niet over alle benodigde informatie beschikt, maar stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming haar niet is toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat die stelling niet op. Voor een correct verloop van de schuldsaneringsregeling is immers in ieder geval nodig dat de bewindvoerder tijdig alle benodigde informatie van schuldenaar verkrijgt. Vaststaat dat schuldenares al sedert juli 2016 niet naar behoren aan deze kernverplichting van de regeling voldoet. Zo al moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van schuldenares, had naar het oordeel van de rechtbank van haar verwacht mogen worden dat zij veel eerder een einde had gemaakt aan deze ondoorzichtige situatie. Daarentegen heeft zij - wetende dat zij te maken had met een onbetrouwbare werkgever - tot en met september 2017 genoegen genomen met deze situatie, in die zin dat zij zich er niet aan heeft onttrokken. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt de opstelling van schuldenares niet van een saneringsgezinde houding die verwacht mag worden van een schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is en heeft zij aldus de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmerd, dan wel gefrustreerd.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] is haar verplichtingen altijd nagekomen voorzover dat haar mogelijk was. Waar dit haar niet mogelijk was, werd dat veroorzaakt door haar werkgever die voortdurend wanpresteerde in de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten. [appellante] heeft gedaan wat zij kon om hierin verandering te brengen maar zonder succes. De werkgever weigert nu eenmaal aan zijn verplichtingen te voldoen, zelfs nadat hij daartoe in kort geding veroordeeld is. Dit kan [appellante] niet verweten worden. De arbeidsovereenkomsten zijn altijd wel op papier gezet. In het debat tussen partijen is nooit betwist dat de arbeidsovereenkomsten in geschrifte zijn aangegaan. [appellante] heeft slechts gesteld dat zij de door de werkgever getekende overeenkomst niet altijd tijdig heeft gekregen zodat zij die zelf dan ook niet tijdig aan de bewindvoerder ter beschikking kon stellen. [appellante] heeft haar arbeidsovereenkomsten steeds aan de bewindvoerder ter beschikking gesteld ‘du moment’ dat zij deze zelf in handen kreeg. De bewindvoerder heeft dit ook nooit ontkend. Hij heeft wel de geldigheid van een of meer van deze overeenkomsten ontkend. [appellante] heeft opeenvolgende en aansluitende arbeidsovereenkomsten gehad waarin haar werkgever voortdurend op allerlei manieren wanprestatie heeft geleverd. Dat doet evenwel aan de rechtsgeldigheid van deze overeenkomsten niets af. De arbeidsovereenkomst met [de vennootschap 1] liep volgens de akte af op 30 september 2016. Echter heeft [de vennootschap 1] op geen enkele wijze laten blijken dat zij de overeenkomst na 30 september niet zou voortzetten en heeft zij [appellante] haar werkzaamheden onverminderd laten voortzetten. In het kort gedingvonnis van 22 december 2017 is in rechte vastgesteld dat op [de vennootschap 1] uit dien hoofde een loonbetalingsverplichting rustte. Impliciet is daarmee vastgesteld dat over de maand oktober 2017 de arbeidsovereenkomst bestond waardoor in die maand geen sollicitatieverplichting bestond. [appellante] voorzag dat deze arbeidsovereenkomst spaak zou lopen. Zij heeft zich in de eerste helft van november 2017 daarom ingespannen een andere werkkring te krijgen. Dat is haar gelukt. Zij is per 15 november 2017 gaan werken voor [de vennootschap 2] . Nu [appellante] inspanningen in de maand november daadwerkelijk geleid hebben tot ander werk per 15 november 2017 is niet in te zien welke sollicitatiebewijzen zij daarnaast nog moest overleggen. [appellante] heeft al het mogelijke gedaan om haar werkgever zover te krijgen dat hij aan zijn werkgeversverplichtingen zou voldoen. In de laatste arbeidsovereenkomst heeft [appellante] ten langen leste een kort geding gevoerd. De werkgever is daarin onder andere veroordeeld tot het verrichten van al die administratieve handelingen die ook van belang zijn voor het uit kunnen voeren van de verplichtingen die de schuldsanering oplegt. De werkgever weigert tot op heden halsstarrig uitvoering te geven aan het vonnis. Het zelf beëindigen van de arbeidsrelatie zou [appellante] terugwerpen op een uitkering op grond van de Participatiewet. Dat is de meest minimale uitkering die in Nederland bestaat en daarop zou dan nog eens een strafkorting worden toegepast vanwege verwijtbare werkloosheid. Hiermee is het beëindigen van een bestaande arbeidsrelatie niet in overeenstemming te brengen. Dan immers zou de bewindvoerder haar dat weer verwijten en op die grond tussentijdse beëindiging van de schuldsanering vorderen. [appellante] heeft voorts bij brief van 7 november 2017 uitvoerig gereageerd op het verzoek van de bewindvoerder. Deze brief heeft precies dezelfde adressering als het verzoekschrift.

Het is in strijd met een behoorlijke procesorde, het beginsel van hoor en wederhoor én met het fair-trial-beginsel van art. 6 EVRM om wel acht te slaan op een verzoekschrift maar niet op het daartegen ingebrachte verweerschrift.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Pas na het kort gedingvonnis heeft de werkgever van [appellante] een drietal pro-forma loonstroken verstrekt waarop bovendien onjuiste betalingen staan vermeld.

Voorts benadrukt [appellante] dat er nimmer een arbeidsovereenkomst met [de vennootschap 4] is geweest en dat er niet veel correspondentie tussen haar en haar voormalige werkgever, [voormalige werkgever] , voorhanden is omdat de contacten veelal in persoon verliepen. Alle inkomensspecificaties die [appellante] in haar bezit heeft staan inmiddels in de portal van de bewindvoerder. Met betrekking tot de huurkwestie merkt [appellante] op dat er geen nadelige gevolgen of complicaties zijn voortgekomen uit het feit dat de huurovereenkomst mondeling is aangegaan. Uiterlijk 6 mei 2018 zal [appellante] de woning verlaten moeten hebben, zij neemt aan alsdan een andere woonruimte gevonden te zullen hebben. Zo niet, dan zal zij met haar kinderen bij haar moeder intrekken. Voorts stelt [appellante] nogmaals voldoende te hebben gesolliciteerd, hetgeen ook tot een nieuwe arbeidsbetrekking heeft geleid. Daarnaast is zij van mening dat de boedelstand, nu de bewindvoerder op basis van de van toepassing zijnde CAO kan nagaan welke inkomsten [appellante] had moeten ontvangen, wel berekend kan worden. Tot slot merkt [appellante] op dat zij van alle gebeurtenissen in combinatie met de medische problematiek van haar moeder depressief is geworden, maar dit wil volgens haar niet zeggen dat er daarom in het kader van haar schuldsaneringsregeling minder van haar verlangd zou kunnen worden.

3.6.

De bewindvoerder heeft in zijn brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Vanaf juli 2016 t/m oktober 2017 heeft [appellante] geen betrouwbare informatie aangeleverd met betrekking tot de arbeid die zij in deze maanden heeft verricht. Over de maanden juli t/m oktober 2016 corresponderen de salarisspecificaties niet met de boekingen en of stortingen op de privé-bankrekening van [appellante] , over de maanden november en december 2016 ontbreken alle gegevens, arbeidscontract en salarisspecificaties, over de periode januari t/m juni 2017 heeft [appellante] een arbeidscontract opgestuurd met als werkgever Varkensbedrijf [varkensbedrijf] B.V. terwijl de salarisspecificaties staan op naam staan van [de vennootschap 3] en over de periode juli t/m september 2017 corresponderen de inkomensbedragen op de salarisspecificaties niet met de boekingen en of stortingen op de privé-bankrekening van [appellante] . Daarnaast ontbreken in het dossier nog de salarisspecificaties van november 2016 en december 2016, de salarisspecificaties vanaf augustus t/m november 2017, betrouwbare salarisspecificaties vanaf januari t/m juni 2017, het arbeidscontract van [de vennootschap 4] , alle correspondentie van de advocaat van [appellante] met de heer [voormalige werkgever] , twee sollicitatiebewijzen van december 2017 en de inkomensspecificaties van januari en februari 2018. Door het ontbreken van de salarisspecificaties en het verstrekken van onbetrouwbare salarisspecificaties vanaf juli 2016 t/m november 2017 is het voor de bewindvoerder onmogelijk te controleren of [appellante] gedurende die periode 36 uren per week werkzaam is geweest. Van 16 november t/m 31 december 2017 is [appellante] een nul uren contract overeengekomen met [de vennootschap 5] . In november 2017 heeft [appellante] 11 dagen gewerkt en in december 2017 14 dagen. Dit houdt in dat zij gedurende de periode 16 november t/m 31 december 2017 onvoldoende heeft gesolliciteerd, er vanuit gaande dat zij gedurende de eerste twee weken van november 2017 nog werkzaam was voor [de vennootschap 1] . [appellante] heeft vanaf juli 2016 de nodige problemen gehad met de heer [voormalige werkgever] . De heer [voormalige werkgever] heeft zich steeds gepresenteerd als een onbetrouwbare vertegenwoordiger van [de vennootschap 3] Watersport BV, Varkensbedrijf [varkensbedrijf] BV en [de vennootschap 1] . Het salaris werd niet elke maand geboekt en kwam ook niet overeen met het arbeidscontract en de inkomensspecificaties. Over de maanden november en december 2016 ontbreken alle gegevens, zelfs een arbeidscontract is niet aanwezig. Het met volle verstand tekenen van een arbeidscontract op naam van Varkensbedrijf [varkensbedrijf] BV met een directeur die al de nodige ellende heeft veroorzaakt getuigd niet van een saneringsgezinde houding. Sterker nog, in juli 2017 is er wederom een nieuw dienstverband aan gegaan met [de vennootschap 1] , eveneens met de heer [voormalige werkgever] als directeur. [appellante] had zich dus eind 2016 op voorhand kunnen en moeten realiseren dat het opnieuw aan gaan van een dienstverband met de heer [voormalige werkgever] in de nabije toekomst nog meer ellende zou gaan veroorzaken. De schuldsaneringsregeling vereist dat [appellante] vroegtijdig alle noodzakelijke stappen onderneemt en er alles aan doet om zo spoedig mogelijk uit deze situatie te geraken. Zij heeft op 20 maart 2017 schriftelijk bevestigd een afspraak te hebben met een advocaat om verdere actie te ondernemen, echter eerst op 1 november 2017 worden er gerechtelijke stappen ondernomen, enkel naar [de vennootschap 1] . [appellante] heeft tevens aangegeven dat het haar niet verweten kan worden dat de huurovereenkomst mondeling is aangegaan en er geen huur verschuldigd is. Wettelijk gezien mag de mogelijkheid dan wel bestaan tot het aangaan van een mondelinge huurovereenkomst, de mogelijke complicaties en nadelige gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor [appellante] en de schuldsaneringsregeling komen volledig voor haar rekening en risico. Volgens de beschikking van de voorzieningenrechter van 25 september 2017 moet [appellante] , tezamen met haar kinderen, haar huidige woning op 6 mei 2018 hebben verlaten. Tot op heden is het bij de bewindvoerder onbekend of zij inmiddels een vervangende woning heeft gevonden. Tot slot heeft de bewindvoerder op 16 maart 2018 van de advocaat van [appellante] een schrijven van de huisarts ontvangen waarin wordt bevestigd dat [appellante] vanaf 26 december 2017 depressieve klachten heeft gehad. Dit is tot op heden niet door [appellante] bij de bewindvoerder onder de aandacht gebracht en ook niet door [appellante] en/of haar advocaat naar voren gebracht tijdens de zitting van 15 januari 2018.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat de problemen die [appellante] met [voormalige werkgever] gehad heeft al heel lang speelden en dat [appellante] , ondanks herhaalde toezeggingen, pas in een zeer laat stadium daadwerkelijk juridische stappen jegens [voormalige werkgever] heeft ondernomen. Daarnaast heeft de bewindvoerder nog steeds te weinig inkomensinformatie met betrekking tot de periode dat [appellante] werkzaam was voor de diverse ondernemingen van [voormalige werkgever] om de exacte actuele boedelstand vast te kunnen stellen. Vanaf november 2017, het moment waarop [appellante] elders ging werken, verloopt de informatievoorziening met betrekking tot de inkomensgegevens wel naar behoren. Desgevraagd geeft de bewindvoerder te kennen in beginsel niet afwijzend tegenover een verlenging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] te staan mits het hier, gelet op de aard en de duur van de tekortkomingen, dan wel een substantiële verlenging van minstens één jaar betreft.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.8.2.

Vast staat dat [appellante] gedurende de periode juli 2016 tot en met oktober 2017 de bewindvoerder met betrekking tot haar inkomensgegevens niet van voldoende, en bovendien ook veelal van onbetrouwbare, informatie heeft voorzien. Het hof acht het hierbij voldoende aannemelijk dat deze tekortschietende informatieverstrekking zijdens [appellante] een rechtstreeks gevolg was van het feit dat haar werkgever haar ook niet (tijdig) van volledige en correcte inkomensinformatie, meer concreet opeenvolgende en correcte salarisspecificaties, voorzag. Reeds vanaf het derde verslag, gedateerd 30 augustus 2016, is deze situatie door de bewindvoerder met klem onder de aandacht van [appellante] gebracht, maar laatstgenoemde heeft verzuimd om, ondanks herhaalde aankondigingen en toezeggingen, hierop direct aktie te ondernemen door haar werkgever in gebreke te stellen dan wel op zoek te gaan naar een andere arbeidsbetrekking. [appellante] opteert aanvankelijk zelfs voor het tegenovergestelde door met deze zelfde, structureel in zijn verplichtingen tekort schietende werkgever in juli 2017 weer een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, zij het onder een andere handelsnaam. Eerst op 1 november 2017 onderneemt [appellante] , middels een door haar advocaat opgestelde schriftelijke ingebrekestelling, aantoonbaar stappen jegens haar werkgever. Door het niet verstekken van de juiste en volledige inkomensgegevens aan haar bewindvoerder heeft [appellante] niet voldaan aan de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht. Hoewel [appellante] op zich niet kan worden verweten dat haar werkgever haar structureel niet voorzag van opeenvolgede en inhoudelijk juiste salarisspecificaties is het hof van oordeel dat [appellante] deze situatie, ondanks herhaalde waarschuwingen en aansporingen van haar bewindvoerder, verwijtbaar te lang heeft laten voortbestaan en door het aangaan van een nieuwe arbeidsrelatie met deze zelfde werkgever zelfs weloverwogen en toerekenbaar in stand heeft gehouden. Dat [appellante] niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting kan haar in die zin dan ook wel worden toegerekend. Bovendien is de bewindvoerder ook niet in staat geweest om bij gebreke van voornoemde informatiebescheiden de exacte boedelstand te bepalen. Nu de bewindvoerder daarnaast ook geen inzicht heeft gekregen in het aantal door [appellante] gewerkte uren viel voor hem bovendien ook niet vast te stellen of, op welke momenten en voor welk aantal uren er voor [appellante] eventueel een (aanvullende) sollicitatieplicht van toepassing is geweest. Daarmee is de bewindvoerder (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op hem rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw). [appellante] is naar het oordeel van het hof toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

3.8.3.

Daar staat evenwel tegenover dat [appellante] , zij het in een naar het oordeel van het hof veel te laat stadium, uiteindelijk wel stappen heeft ondernomen jegens haar structureel wanpresterende werkgever en daarnaast een nieuwe arbeidsbetrekking elders heeft weten te verwerven. Vanaf het moment dat zij elders werkzaam is wordt de informatieplicht, ook met betrekking tot de inkomensgegevens, ook naar behoren door [appellante] nagekomen, hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk door de bewindvoerder is bevestigd.

3.8.4.

Het hof acht in dit specifieke geval dan ook termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling te verlengen met een termijn van 12 maanden teneinde [appellante] daarmee een allerlaatste kans te geven gedurende deze verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder met name ook de (spontane) informatieverplichting, alsnog naar behoren na te komen. Het hof wijst [appellante] er hierbij nadrukkelijk op dat zij de bewindvoerder, zowel desgevraagd als spontaan, niet alleen tijdig en volledig ten aanzien van haar inkomen (uit arbeid) dient te informeren, maar ook ten aanzien van die zaken waarvan zij dient te onderkennen dat deze voor een succesvol verloop van haar schuldsaneringsregeling van belang zijn. Te denken valt hierbij onder andere doch niet uitsluitend aan relevante informatie met betrekking tot haar woonsituatie en haar psychosociale problematiek.

3.9.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] voortgezet dient te worden en dient te worden verlengd met een termijn van twaalf maanden. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het verzoek van de bewindvoerder tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zal alsnog worden afgewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van:

[appellante] , wonende te

[postcode] [woonplaats] , aan de

[adres] ;

verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling van [appellante] met 12 maanden, derhalve tot 3 juli 2019;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.