Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1559

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
200.203.351_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5131, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; art. 3:194 lid 2 BW; opzettelijk verborgen houden van geldbedrag met het oogmerk de rechten van de deelgenoot te verkorten (Hoge Raad 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/71
RFR 2018/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 april 2018

Zaaknummer: 200.203.351/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/298630 FA RK 15-2835/7201

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.J. Nijssen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Wouters.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 november 2016, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de man om de vrouw te verplichten aan hem de helft van € 36.200,-- te vergoeden en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair te bepalen dat het bedrag van € 36.200,-- alsnog in de verdeling dient te worden betrokken en de vrouw op grond van art. 3:194 lid 2 BW haar aandeel in het boedelbestanddeel van € 36.200,-- aan de man verbeurt en zij derhalve gehouden is het bedrag van € 36.200,-- aan de man te vergoeden;

  • -

    subsidiair vast te stellen dat de vrouw op grond van art. 1:164 lid 1 BW in de periode van zes maanden voorafgaande aan het verzoek tot echtscheiding een bedrag van € 27.500,-- als zijnde een goed der gemeenschap, heeft verspild en de vrouw derhalve gehouden is aan de man de helft van dit bedrag te vergoeden, te weten een bedrag van € 13.750,-- dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 december 2016, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de man af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Nijssen;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Wouters.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 25 juli 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 7 augustus 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 10 augustus 2017;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitaantekening.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 14 maart 1990 te [plaats 1] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2.1.

Op 1 mei 2015 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

3.2.2.

Bij de bestreden beschikking van 17 augustus 2016 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 oktober 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts en voor zover thans van belang:

  • -

    de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld zoals weergegeven in rov. 4.4.9 van die beschikking;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

De man kan zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De man heeft twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. In dit verband doet de man primair een beroep op art. 3:194 lid 2 BW (grief 1) en subsidiair op art. 1:164 lid 1 BW (grief 2). Het hof beschouwt dit als een vermeerdering van het verzoek. De vrouw is in haar verweerschrift inhoudelijk op deze vermeerdering van het verzoek ingegaan. Zij heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal dan ook tot een inhoudelijke beoordeling over gaan.

Art. 3:194 lid 2 BW (grief 1)

3.6.1.

Volgens de man is er aan de zijde van de vrouw sprake van het opzettelijk zoekmaken dan wel verborgen houden (in de zin van art. 3:194 lid 2 BW). Het gaat om een geldbedrag van € 36.200,--. De man voert ter toelichting op zijn grief het volgende aan.

Enige tijd voordat het verzoek tot echtscheiding is ingediend (tot een jaar voor de echtscheiding), heeft de vrouw grote geldbedragen van de gezamenlijke spaarrekening overgemaakt naar de en/of-rekening van partijen. De vrouw heeft daarover ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij in de periode voorafgaande aan de indiening van het echtscheidingsverzoek, meer geld dan normaal heeft opgenomen van die en/of-rekening en dat dit geld in die periode ook is uitgegeven. De vrouw heeft geen uitleg gegeven waarom zij meer geld heeft uitgegeven dan normaal. Ook heeft de vrouw niet aangegeven waaraan dit geld is uitgegeven, behalve dan aan busreizen en de schoonheidsspecialiste. In korte tijd heeft de vrouw dus in contanten een bedrag opgenomen van € 36.200,--. Dit bedrag kan de vrouw onmogelijk volledig hebben uitgegeven. Dat geld moet dus nog wel deel hebben uitgemaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de vrouw opzettelijk het geld heeft opgenomen, om zo te voorkomen dat dit bedrag verdeeld dient te worden. Een sterke aanwijzing hiervoor is dat de man recent ontdekt heeft dat de vrouw in de periode van de opnames van de contante bedragen bij de bank een kluisje is gaan huren. De conclusie is dat de vrouw haar aandeel in het boedelbestanddeel aan de man verbeurt en zij derhalve een bedrag van € 36.200,-- aan de man moet vergoeden.

3.6.2.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan.

Het door de man genoemde bedrag van € 36.200,-- was niet aanwezig op de peildatum. Het verdriet van een slecht huwelijk dat zijn einde naderde, werd gecompenseerd met leuke uitstapjes en genieten, hetgeen geld kost. Voor zover er opnames door de vrouw zijn geweest waren deze noodzakelijk om in haar levensonderhoud te voorzien. De opnames zijn dus geconsumeerd vóór de peildatum. Art. 3:194 lid 2 BW gaat ervan uit dat er een bepaald goed moet zijn op de peildatum. Feit is dat het bedrag van € 36.200,-- op de peildatum niet meer aanwezig was. Art. 3:194 lid 2 BW is dan ook niet aan de orde. Hoe kan iets op de peildatum worden verzwegen, als het er niet meer is? De man zal bewijs moeten leveren van zijn stelling, inhoudende dat het vermeend opgenomen bedrag van € 36.200,-- op de peildatum nog aanwezig was bij de vrouw, dan wel een gedeelte (en welk gedeelte) nog aanwezig was. Dergelijk bewijs is niet geleverd en kan ook niet worden geleverd, simpelweg omdat de stelling onjuist is.

3.6.3.

Het hof begrijpt de stelling van de man aldus dat het bedrag van € 36.200,-- er op de peildatum nog was, en voorts dat de vrouw dit verborgen houdt als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW. Krachtens het bepaalde in art. 150 Rv rust ter zake op de man de stelplicht (en zo nodig ook de bewijslast).

3.6.3.1. Het hof is van oordeel dat de vrouw de stelling van de man dat het geldbedrag van

€ 36.200,-- per peildatum tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoort onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De vrouw heeft geen afdoende verklaring kunnen geven voor het feit dat zij in het zicht van de echtscheiding en met name in de periode voorafgaand aan het moment waarop zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend, grote sommen geld in contanten heeft opgenomen van de en/of-rekening van partijen. De enkele verklaring dat het verdriet van een slecht huwelijk dat zijn einde nadert, werd gecompenseerd met leuke uitstapjes en genieten, is, zonder onderbouwing, die ontbreekt, daartoe onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen om inzichtelijk te maken waaraan zij de in contanten opgenomen bedragen heeft besteed (bijvoorbeeld aan de hand van kwitanties, kassabonnen, facturen, tickets, entreebewijzen etc.). Zo heeft de vrouw verklaard dat zij een vliegreis naar [plaats 2] heeft gemaakt terwijl zij van die reis geen vliegticket, bankafschrift of betaling kan tonen. Nu de vrouw op geen enkele wijze heeft onderbouwd waaraan het geld is uitgegeven, houdt het hof het ervoor dat het geldbedrag van € 36.200,-- op de peildatum nog aanwezig was en derhalve tot de huwelijksgemeenschap behoort.

3.6.3.2. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van het verborgen houden van de door de vrouw in contanten opgenomen bedragen van in totaal € 36.200,--. Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Art. 3:194 lid 2 BW bepaalt als volgt:

“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”

Deze bepaling is opgenomen in afdeling 3.7.2 BW en is (alleen) van toepassing op (de verdeling van) de bijzondere gemeenschappen genoemd in art. 3:189 BW, zoals een ontbonden huwelijksgemeenschap, een ontbonden maatschap of een nalatenschap. In deze zaak gaat het om een ontbonden huwelijksgemeenschap.

3.6.3.3. Art. 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot – in dit geval de vrouw – de tot de gemeenschap behorende goederen (het geldbedrag van € 36.200,--) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Het gaat hierbij om handelen of nalaten met het oogmerk de rechten der deelgenoten te verkorten (zie conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565, ECLI:NL:PHR:2016:1329). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat – vanwege de aan art. 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie – zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). De deelgenoot moet weten dat het goed deel uitmaakt van de gemeenschap. Uit de aard van deze (zware) sanctie, die een strafkarakter heeft, hetgeen in het systeem van het burgerlijk recht uitzonderlijk is, en uit de wetsgeschiedenis, waarin is vermeld dat (de sanctie van) de bepaling slechts geldt als de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630), volgt dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. (Zie: Hoge Raad 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565).

3.6.3.4. Aan laatstbedoelde voorwaarde voor toepasselijkheid van art. 3:194 lid 2 BW is in deze zaak voldaan, nu genoegzaam vaststaat dat de vrouw wist dat de door haar opgenomen bedragen deel uitmaakten van de (te verdelen) huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft de stelling van de man dat zij het bedrag van € 36.200,-- opzettelijk verborgen houdt, voorts ook onvoldoende gemotiveerd betwist. De vrouw heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat zij genoemd bedrag heeft uitgegeven aan levensonderhoud, leuke uitstapjes of aan wat dan ook. Ook het in contanten opnemen in circa één jaar tijd van bedragen tot een totaal van € 36.200,-- is opmerkelijk. De vrouw heeft ook voor het opnemen in contanten geen verklaring gegeven. Gelet hierop en nu niet is komen vast te staan dat het bedrag is uitgegeven, houdt het hof het ervoor dat de vrouw het door haar in contanten opgenomen bedrag heeft achtergehouden om het bedrag buiten de verdeling te houden, en in die zin dus ook het oogmerk had om de rechten van de man te verkorten. Met welk ander doel zij die bedragen anders heeft opgenomen, heeft de vrouw niet weten uit te leggen (zie rov 3.6.3.1 hiervóór). Tot en met de zitting in hoger beroep, heeft de vrouw volhard in haar standpunt dat het geld op was. Daar komt nog bij dat de vrouw ter zitting heeft erkend dat zij in de periode waarin zij voormeld bedrag van € 36.200,-- heeft opgenomen, een kluisje bij de bank is gaan huren, waarvan de man vermoedt dat zij daarin het geldbedrag achterhoudt. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting van het hof niet kunnen uitleggen met welk doel zij het kluisje heeft gehuurd. De verklaring van de vrouw dat zij het kluisje huurde om de trouwring van haar vader, alsook foto’s en autopapieren in te bewaren, acht het hof onvoldoende, temeer nu de vrouw evenmin de noodzaak om voor deze zaken (die zij al langer in bezit had) een kluisje te (gaan) huren aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op al deze omstandigheden komt het hof tot de slotsom dat de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW van toepassing is.

3.6.3.5. Nu het hof heeft geoordeeld dat de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW van toepassing is, brengt dat mee dat de vrouw haar aandeel in voormeld bedrag van € 36.200,-- verbeurt aan de man, zodat zij aan de man dient te voldoen een bedrag van € 36.200,--. In zoverre kan het verzoek van de man dan ook worden toegewezen. Mitsdien slaagt grief 1.

Art. 1:164 lid 1 BW (grief 2)

3.7.

Nu reeds het primaire verzoek (grief 1) zal worden toegewezen, behoeft zijn subsidiaire verzoek (grief 2) geen bespreking meer.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 augustus 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in aanvulling daarop:

bepaalt dat de vrouw haar aandeel in het bedrag van € 36.200,-- verbeurt aan de man;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 36.200,--;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, J.C.E. Ackermans-Wijn en

T.J. Mellema-Kranenburg, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 12 april 2018 uitgesproken in het openbaar.