Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.228.214_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie;

afbouwregeling van partneralimentatie gelet op de omstandigheden; geen limitering of nihilstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.218.214/01

zaaknummer rechtbank : C/01/313952 / FA RK 16-5475

beschikking van de meervoudige kamer van 12 april 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.H. Oosterhuis-Broers te Eindhoven,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.H. Kroon te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 27 november 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 4 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 1 februari 2018;

- een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 14 februari 2018.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 20 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Het hof heeft de behandeling van de onderhavige zaak gevoegd met de behandeling van het verzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer 200.228.214/02).

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 20 december 2010 met elkaar gehuwd.

Uit hun huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3.3.

Het huwelijk van partijen is op 21 december 2017 ontbonden door echtscheiding.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

4.2.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, die bijdrage met ingang van 21 december 2017 bepaald op € 1.300,- per maand.

4.3.

De grieven van de man zien op de behoeftigheid van de vrouw, de limitering van de partneralimentatie en een nihilstelling van die alimentatie op termijn.

De man verzoekt in hoger beroep - met vernietiging in zoverre van de beschikking van de rechtbank:

- primair: de vrouw in haar verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek als ongegrond dan wel ongemotiveerd af te wijzen;

- subsidiair: voor het geval het hof een bedrag aan partneralimentatie vaststelt, de duur van de alimentatie te limiteren tot drie jaar, althans tot een periode die het hof redelijk acht;

- meer subsidiair: voor het geval het hof een bedrag aan partneralimentatie vaststelt, de alimentatie na drie jaar op nihil te stellen, althans na ommekomst van een periode die het hof redelijk acht;

- uiterst subsidiair: voor het geval het hof een bedrag aan partneralimentatie vaststelt, een gefaseerde afbouwregeling van de alimentatieverplichting vast te stellen van 20% per jaar, hetgeen betekent dat de man na vijf jaar niet langer verplicht is tot het betalen van partneralimentatie, althans een afbouwregeling te bepalen die het hof redelijk acht.

4.4.

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof het beroep van de man ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man voert - samengevat - het volgende aan.

Hij stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, waardoor de vrouw geen aanvullende behoefte meer heeft. De vrouw is gezond en 43 jaar oud. Zij kan als schoonmaakster meer werken dan de 20 uren per week die zij thans werkt. Ook in de periode voor het huwelijk werkte de vrouw als schoonmaakster meer uren per week dan zij momenteel doet, namelijk 40 uren per week. Dit urenaantal kan zij weer oppakken. De vrouw is door het huwelijk met de man daarom ook niet beperkt in haar verdiencapaciteit. Ten gevolge van het huwelijk is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw gestegen, doch enkel door het inkomen van de man. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen, noch is gebleken, dat zij bij haar huidige werkgever [werkgever] niet meer uren zou kunnen werken. De man betwist voorts dat de vrouw ten gevolge van de door de echtscheiding ervaren stress niet in staat is om meer te werken dan ze nu doet. De vrouw heeft geen stukken van een deskundige overgelegd waaruit blijkt dat haar arbeidsvermogen beperkt is.

De man meent dat de vrouw bij fulltime werk in ieder geval het dubbele kan verdienen van hetgeen zij thans verdient, waardoor haar aanvullende behoefte minder wordt.

De man is subsidiair van mening dat er in het onderhavige geval redenen aanwezig zijn om de alimentatieduur te beperken. Hij voert daartoe aan dat het huwelijk voor beide partijen het tweede huwelijk was, dat de huwelijkse samenleving van partijen feitelijk niet langer heeft geduurd dan vijf jaar, terwijl partijen voorafgaande aan het huwelijk ook slechts kort samen waren en dat er uit het huwelijk van partijen geen kinderen zijn geboren. Ook de dochter van de vrouw uit een eerder huwelijk is inmiddels 17 jaar oud. Daar komt bij dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk niet negatief is beïnvloed en dat de vrouw zich jegens de man grievend heeft gedragen. De lotsverbondenheid tussen partijen is afgenomen.

Meer subsidiair stelt de man dat de hiervoor genoemde omstandigheden gronden opleveren om de alimentatie op een termijn van drie jaar op nihil te stellen. Uit niets blijkt dat de vrouw zich tot het uiterste inspant om meer inkomen te genereren. Bij een alimentatietermijn van twaalf jaren heeft de vrouw geen enkele prikkel om meer te gaan werken.

Uiterst subsidiair verzoekt de man om een afbouwregeling van de alimentatie vast te stellen.

De man heeft nog niets aan partneralimentatie betaald.

5.2.

De vrouw brengt daar - samengevat - het volgende tegen in.

Zij betwist dat zij thans volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw acht zich op dit moment om medische redenen niet in staat om meer dan 20 uren per week te werken. Zij is depressief en kampt met suïcidegedachten. De vrouw heeft veel stress van de echtscheiding en van de problemen rondom haar dochter [dochter] , met wie het slecht gaat en die inmiddels uit huis is geplaatst. De vrouw krijgt hulp voor haar problemen bij het maatschappelijk werk en van de praktijkondersteuner van haar huisarts. Deze hulp is echter niet meer toereikend en de vrouw zal worden verwezen naar een psycholoog. Het is voor de vrouw bovendien niet mogelijk om bij haar huidige werkgever haar urenaantal uit te breiden en om praktische redenen kan zij ook elders niet meer uren gaan werken. Voor het huwelijk werkte de vrouw trouwens geen 40 uren per week, zoals de man stelt, maar slechts 25 uren. Zij is tijdens het huwelijk minder gaan werken, omdat de man dit wilde.

De man heeft voorts onvoldoende aangevoerd voor limitering van de alimentatieduur en voor een afbouw van de alimentatie. De vrouw betwist dat partijen al sinds eind 2015 feitelijk uit elkaar zijn. Het huwelijk van partijen heeft zeven jaar geduurd. Daarbij heeft ook [dochter] tot het gezin van partijen behoord en heeft ook de man voor [dochter] gezorgd. De vrouw betwist voorts dat haar gedrag jegens de man dermate grievend is geweest dat dit het verzoek van de man tot limitering ondersteunt.

Er is volgens de vrouw evenmin aanleiding om de alimentatie na drie jaar op nihil te stellen. De rechtbank overweegt op dit laatste punt terecht dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij binnen drie jaar volledig in haar levensonderhoud voorziet. De vrouw zal zich binnen haar mogelijkheden wel degelijk hiervoor inspannen. Zij heeft tot op heden niet gesolliciteerd, omdat zij in haar huidige toestand geen kans maakt op een andere baan.

De vrouw heeft in Polen een opleiding gedaan die vergelijkbaar is met het VWO. In Nederland heeft zij alleen laaggeschoolde arbeid verricht. Voor een vervolgopleiding ontbreekt het de vrouw aan tijd en geld.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

5.4.

Het hof zal met betrekking tot de ingangsdatum van een (eventuele) alimentatieverplichting, evenals de rechtbank, uitgaan van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, te weten 21 december 2017.

5.5.

De draagkracht van de man is tussen partijen niet in geschil.

Behoefte van de vrouw

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk en berekend op grond van 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen, € 2.230,- netto per maand bedraagt.

5.7.

Voor zover de man heeft bedoeld te betogen dat de behoefte van de vrouw verbleekt is tot een lager bedrag dan € 2.230,- netto per maand, volgt het hof de man niet in dit standpunt. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om het behoeftebedrag naar beneden bij te stellen. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende gesteld dat er in het onderhavige geval sprake is van een verbleekte behoefte. Het enkele feit dat door het huwelijk de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zou zijn gestegen, alleen maar door het inkomen van de man, is hiertoe onvoldoende. Daarbij komt dat de man niet heeft aangegeven tot welk bedrag de behoefte van de vrouw volgens hem verbleekt is. Het hof gaat dan ook uit van een behoefte van de vrouw van € 2.230,- netto per maand.

Behoeftigheid

5.8.

De vrouw is 44 jaar oud. Zij heeft geen opleiding gevolgd, werkt thans als schoonmaakster en zij verdient met haar 20-urige werkweek een netto loon van € 958,- per maand. Het hof is van oordeel dat van de vrouw gezien haar arbeidsverleden (zij heeft in Nederland alleen laaggeschoolde arbeid verricht) niet te verwachten valt dat zij, ook in het geval van een werkweek van 40 uren, in staat zal zijn meer te verdienen dan een bedrag van € 1.916,- netto per maand (tweemaal € 958,-), waarmee nog altijd een aanvullende behoefte resteert van € 390,- netto per maand, gebruteerd € 635,- per maand. Het hof acht dan ook geen gronden aanwezig om het inleidend verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bedrag aan partneralimentatie alsnog af te wijzen dan wel om een door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage op termijn op nihil te stellen. De grieven die hierop zien falen en het hof zal het primaire en het meer subsidiaire verzoek van de man in hoger beroep afwijzen.

Limitering van de onderhoudsverplichting

5.9.

Op grond van artikel 1:157, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek is uitgangspunt dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van voornoemd artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde

- behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Daarom dient een verzoek tot limitering met terughoudendheid te worden beoordeeld. In het algemeen is vaststelling van partneralimentatie voor een kortere dan de wettelijke termijn van twaalf jaar redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de partneralimentatie bepaalde termijn op voor hem/haar passende wijze in zijn/haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.10.

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om - zoals door de man subsidiair is bepleit - de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren. Naar het oordeel van het hof heeft de man in het licht van het hiervoor geschetste kader onvoldoende gesteld waarom na drie jaren of na een langere termijn - in afwijking van de hoofdregel - een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Ook overigens ziet het hof in de feiten en omstandigheden van het geval en het door de man aangevoerde, wat daar ook van zij, geen grond voor limitering van de onderhoudsverplichting. De grief die hierop ziet heeft de man tevergeefs voorgedragen en het hof zal hetgeen de man in hoger beroep subsidiair heeft verzocht afwijzen.

Afbouw van de onderhoudsverplichting

5.11.

Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij momenteel op grond van psychische redenen niet in staat is om meer uren te werken dan de 20 uren die zij thans werkt. De vrouw heeft daarom op dit moment in ieder geval behoefte aan de door haar verzochte partnerbijdrage van € 1.300,- per maand.

Echter, gelet op de relatief korte duur van het huwelijk van partijen en het feit dat uit dat huwelijk geen kinderen zijn geboren, acht het hof een afbouw van de alimentatieverplichting van de man tot een bedrag van € 635,- per maand in een periode van twee jaren redelijk. De hierop betrekking hebbende grief slaagt in zoverre. Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat de vrouw binnenkort een hulpverleningstraject bij een psycholoog ingaat, pas met ingang van 12 april 2019, dat is een jaar na heden, de partneralimentatie afgebouwd dient te worden. Tot die datum dient de vrouw de gelegenheid te krijgen dit traject af te ronden. Daarna kan van de vrouw worden verwacht dat zij meer uren gaat werken en dat zij per 12 april 2021 met een werkweek van 40 uren een inkomen van € 1.916,- netto per maand gaat verdienen. Het hof is daarom van oordeel dat de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw naar redelijkheid als volgt dient te worden afgebouwd tot een bedrag van € 635,- per maand:

- met ingang van 12 april 2019: een bedrag van € 1.100,- per maand;

- met ingang van 12 april 2020: een bedrag van € 800,- per maand;

- met ingang van 12 april 2021: een bedrag van € 635,- per maand.

5.12.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 21 december 2017 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 1.300,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat deze bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw als volgt dient te worden afgebouwd:

- met ingang van 12 april 2019: een bedrag van € 1.100,- per maand;

- met ingang van 12 april 2020: een bedrag van € 800,- per maand;

- met ingang van 12 april 2021: een bedrag van € 635,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland - Verhaegen, C.D.M. Lamers en L.Th.L.G. Pellis en is op 12 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.