Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1548

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.218.639_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 april 2018

Zaaknummer: 200.218.639/01

Zaaknummer eerste aanleg: 5132783 OV VERZ 16-4570

in de zaak in hoger beroep van:

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] , beiden h.o.d.n. [bewindvoering] Bewindvoering, (hierna te noemen: de bewindvoerder);

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Breda, van 24 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juni 2017, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw recht te doen door de bewindvoerder te ontslaan en de heer [de zoon] (hierna te noemen: de zoon) te benoemen als bewindvoerder.

2.2.

De bewindvoerder heeft een verweerschrift met producties ingediend, ingekomen ter griffie op 12 september 2017. Uit de inhoud van het verweerschrift en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de bewindvoerder het hof verzoekt het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door mr. Klootwijk;

  • -

    de bewindvoerder, vertegenwoordigd door de heer M.D. Cardinaal.

Aan de zoon is bijzondere toegang verleend om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier van de eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van de rechthebbende bij V6-formulier van 20 juli 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende van 5 februari 2018;

  • -

    het ter zitting door de bewindvoerder overgelegde machtigingsformulier.

2.5.

Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder na de mondelinge behandeling voorts een volmacht overgelegd waaruit, anders dan het ter zitting overgelegde machtigingsformulier, kan worden opgemaakt dat de heer Cardinaal door de VOF gevolmachtigd is om namens de VOF processuele handelingen te verrichten. Deze volmacht is ter griffie ingekomen op 5 april 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 18 juni 2008 heeft de kantonrechter over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld.

3.2.

Bij beschikking van 6 maart 2014 is de eerder benoemde bewindvoerder ontslagen en de heer [opvolgend bewindvoerder] benoemd tot opvolgend bewindvoerder.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 24 maart 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Breda, voor zover thans van belang, met ingang van die datum de heer [opvolgend bewindvoerder] als bewindvoerder over de goederen van de rechthebbende ontslagen en de bewindvoerder (voornoemd) als opvolgend bewindvoerder over de goederen van de rechthebbende benoemd.

3.4.

De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de benoeming van de opvolgend bewindvoerder betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De rechthebbende voert – kort samengevat – het volgende aan.

De rechthebbende is niet tevreden met het door de bewindvoerder gevoerde bewind. De overdracht van het dossier van de heer [opvolgend bewindvoerder] naar de bewindvoerder is niet goed verlopen. De rechthebbende en haar zoon hebben meerdere klachten ingediend. De advocaat van de rechthebbende heeft op 16 mei 2017 een brief aan de bewindvoerder verzonden over die klachten. De bewindvoerder handelt niet conform haar wettelijke taken en conform het belang van de rechthebbende.

Het zorgt voor verwarring bij de rechthebbende dat een andere persoon dan de heer [bewindvoerder 1] en de heer [bewindvoerder 2] , namelijk de heer Cardinaal, de contactpersoon is van de rechthebbende.

Naast het leefgeld ontvangt de rechthebbende onvoldoende geld om kleding en duurdere gebruiksvoorwerpen aan te schaffen, zoals een bankstel van Marktplaats, een droger en een televisie. Bovendien zijn er tijdens het bewind schulden ontstaan. In ieder geval is een schuld ontstaan bij de energieleverancier Ennatuurlijk.

De communicatie met de bewindvoerder verloopt moeizaam, omdat de rechthebbende de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. Dit zorgt voor stress en paniek bij de rechthebbende, die al een hoge bloeddruk heeft. De zoon is mantelzorger van de rechthebbende, hij verblijft veel bij de rechthebbende en hij helpt haar bij veel zaken. De zoon spreekt met de rechthebbende in haar moederstaal, Papiamento.

3.6.

De bewindvoerder voert -kort samengevat- het volgende aan.

De bewindvoerder heeft gereageerd op de brief van de advocaat van de rechthebbende van 16 mei 2017, maar daar vervolgens niets meer van vernomen.

Na de overname van het bewind heeft de bewindvoerder zaken die niet goed geregeld waren direct aangepakt. Het was een zogenaamde ‘koude overname’, hetgeen betekent dat er geen dossieroverdracht heeft plaatsgevonden; van de heer [opvolgend bewindvoerder] heeft de bewindvoerder geen stukken ontvangen. Aangezien er bovendien nimmer een rekening en verantwoording is overgelegd, heeft de bewindvoerder het dossier zelf helemaal moeten opbouwen aan de hand van bankafschriften. Desondanks heeft de bewindvoerder de financiële administratie in relatief korte tijd kunnen stabiliseren. De bewindvoerder betwist dat er fouten zijn gemaakt.

Gedurende circa drie maanden hebben enkele familieleden op het adres van de rechthebbende verbleven. Zij hebben zich daar laten inschrijven, waardoor toeslagen zijn stopgezet en de AOW-uitkering van de rechthebbende is verlaagd. De familieleden droegen niet mee in de kosten, met als resultaat een zeer negatief budget. In die periode zijn een paar kleine schulden ontstaan. De familieleden zijn inmiddels, na ingrijpen door de bewindvoerder en de gemeente, uit de woning gezet.

Het contact met de rechthebbende verloopt prettig. De rechthebbende weet de bewindvoerder zowel telefonisch als per e-mail te bereiken en indien nodig kan ook de zoon contact opnemen met de bewindvoerder. De heer Cardinaal is altijd de contactpersoon geweest voor de rechthebbende, zodat hierover geen verwarring kan zijn ontstaan. Het bedrag aan bijzondere bijstand van € 2.145,- dat was verleend ten behoeve van woninginrichting is in fases naar de leefgeldrekening overgemaakt, waarbij de bewindvoerder de voorwaarde heeft gesteld dat bonnetjes dienden te worden overgelegd van de aankopen, omdat het vermoeden bestond dat het geld niet (altijd) werd besteed aan het doel waarvoor het werd verstrekt.

Het verontrust de bewindvoerder dat de zoon zo op de voorgrond staat, terwijl niet duidelijk is of hij ook wel echt namens de rechthebbende optreedt. De bewindvoerder verwijst naar een e-mailbericht van de heer [opvolgend bewindvoerder] waarin deze zich negatief uitlaat over de rol van de zoon in dezen. De zoon kan de rechthebbende blijven ondersteunen, aldus de bewindvoerder, zolang de financiële administratie van de rechthebbende en de in verband daarmee te nemen beslissingen maar door een onafhankelijke professionele derde wordt beheerd.

3.7.

De zoon heeft ter zitting – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

De zoon brengt veel tijd door bij de rechthebbende, zodat hij haar kan ondersteunen in verband met haar psychische problematiek. De zoon verneemt van de rechthebbende en ervaart zelf dat de communicatie met de bewindvoerder niet goed verloopt en dat poststukken daar vaak niet aankomen. Indien de zoon bewindvoerder zou zijn, zou het voor hem gemakkelijker zijn om de problemen die spelen op te lossen.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

In eerste aanleg is ingevolge het bepaalde in artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de heer [opvolgend bewindvoerder] als bewindvoerder van de rechtbank door de kantonrechter ontslag verleend en zijn [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] , beiden h.o.d.n. [bewindvoering] Bewindvoering, tot opvolgend bewindvoerder(s) benoemd.

3.8.2.

Het hof dient te oordelen over (de persoon van) de benoemde c.q. te benoemen opvolgend bewindvoerder(s).

3.8.3.

Het hof dient zich, naar analogie van artikel 1:435 lid 1 BW te vergewissen van de bereidheid van, en zich een oordeel te vormen omtrent de geschiktheid van, de te benoemen persoon.

Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

Lid 4 van dit artikel bepaalt dat, indien de rechthebbende gehuwd is, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder wordt benoemd, tenzij lid 3 van toepassing is.

Is het vorige niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.

Het staat de rechter vrij om af te wijken van de wettelijke voorkeur bij gebleken bezwaren tegen benoeming van de wettelijk preferente bewindvoerder. De rechter moet dan wel motiveren op grond van welke redenen wordt afgeweken van de wettelijk preferente bewindvoerder (MvT, Kamerstukken II 15 350, p. 20).

3.8.4.

De rechthebbende heeft de uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken dat de zoon als opvolgend bewindvoerder wordt benoemd.

Het hof is echter van oordeel dat er sprake is van zodanige gebleken bezwaren ten aanzien van de zoon dat afgeweken moet worden van de wettelijke voorkeur en overweegt daartoe het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de ongeoorloofde inwoning van enkele familieleden in de woning van de rechthebbende haar ernstig in de financiële problemen heeft gebracht. De WAO-uitkering van de rechthebbende werd verlaagd en toeslagen van de belastingdienst werden stopgezet, terwijl de inwonende familieleden geen gehoor gaven aan het verzoek van de bewindvoerder om kostgeld te betalen. Het is het hof tevens gebleken dat de zoon (ook) in die periode veel en langdurig bij de rechthebbende verbleef, maar kennelijk niet in die situatie heeft ingegrepen, althans niet in staat of gemotiveerd was om een en ander te voorkomen dan wel op te lossen voor de rechthebbende. Sterker nog, in zijn klachtbrief aan de bewindvoerder van 2 mei 2017 beschrijft de zoon dat het om familieleden gaat die geen inkomsten hebben en daarom geen financiële bijdrage kunnen leveren. Dat getuigt er niet van dat de zoon begreep of ervan op de hoogte was dat deze situatie evident schadelijk was voor de positie van de rechthebbende, althans dat hij niet haar belangen op een juiste manier behartigde. Niet door het optreden van de zoon maar juist door het optreden van de bewindvoerder (en de gemeente) heeft men de familieleden uit de woning kunnen zetten.

Ook de rechtbank heeft gegronde redenen gezien om niet de zoon maar een professionele derde tot bewindvoerder te benoemen. De zoon heeft zich in eerste aanleg weliswaar bereid verklaard om tot bewindvoerder van de rechthebbende te worden benoemd, maar toen tevens om de opheffing van het bewind gevraagd. De zoon heeft ook al zeer snel na de overdracht van het bewind naar de opvolgend bewindvoerder klachtbrieven gestuurd en zijn ongenoegen geuit over de situatie, terwijl het een ‘koude overdracht’ en een complexe situatie betrof, zodat duidelijk had moeten zijn dat enige tijd gemoeid was met het stabiliseren van de financiële administratie. Hoewel formeel de opheffing van het bewind in hoger beroep niet meer aan de orde is gebracht, maakt het hof uit de houding van de zoon op dat hij de noodzaak van het bewind niet inziet en onvoldoende inzicht heeft in de aard en omvang van de verantwoordelijkheden van een bewindvoerder.

Het hof acht de zoon op grond van het voorgaande onvoldoende in staat om de belangen van de rechthebbende op een onafhankelijke en verantwoorde wijze te behartigen.

Het hof neemt verder in overweging dat eerder een familielid van de rechthebbende tot haar bewindvoerder is benoemd. Mede als gevolg van de problematische familiaire verhoudingen en het vermoeden dat verschillende familieleden misbruik maakten van de zwakke positie van de rechthebbende, zijn tijdens het bewind van de heer [opvolgend bewindvoerder] veel problemen ontstaan.

Ook mede ter bescherming van de positie van de zoon binnen de familie en ter bescherming van zijn rol als zoon en mantelzorger van de rechthebbende, acht het hof het aangewezen dat een onafhankelijke derde als bewindvoerder optreedt namens de rechthebbende.

Het hof heeft overigens op basis van eigen waarneming ter zitting vastgesteld dat de rechthebbende zich prima in de Nederlandse taal kan uitdrukken en die taal ook goed begrijpt. De bewindvoerder zelf ervaart geen problemen in de communicatie met de rechthebbende. De heer Cardinaal is vanaf de aanvang de contactpersoon van de rechthebbende geweest, zodat ook daarover geen verwarring kan zijn ontstaan. Zulke verwarring is overigens ook ter zitting niet aannemelijk geworden.

Het hof heeft er begrip voor dat de rechthebbende een voorkeur voor benoeming van haar zoon heeft.. Gezien al het voorgaande is echter voldoende grond aanwezig om deze voorkeur niet te volgen.

3.8.5.

Het is het hof geenszins gebleken dat de bewindvoerder, zoals de rechthebbende heeft aangevoerd, niet conform diens wettelijke taken en conform het belang van de rechthebbende handelt. Deze stelling is niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk geworden.

Als niet betwist is komen vast te staan dat de bewindvoerder het dossier van de rechthebbende in relatief korte tijd op orde heeft gebracht, ondanks het feit dat het een ‘koude overname’ betrof en ondanks de perikelen rondom de ongeoorloofde inwoning van de familieleden. De schulden die tijdens het bewind zijn ontstaan komen voort uit die situatie en zijn bovendien overzichtelijk en beheersbaar.

In hoger beroep is evenmin betwist dat de bewindvoerder het leefgeld tijdig en naar de juiste rekening overmaakt en dat de rechthebbende zelfs ook wel eens op haar verzoek extra leefgeld uitgekeerd krijgt. Het verzoek van de bewindvoerder om bewijzen over te leggen van de aankopen die zijn gedaan van de ten behoeve van de woninginrichting verstrekte bijzondere bijstand, acht het hof, gezien de verantwoordelijkheid die de bewindvoerder draagt voor een verantwoorde besteding van de middelen van de rechthebbende, niet onredelijk.

Het is het hof niet anders gebleken dan dat de bewindvoerder zijn taken behoorlijk en op verantwoorde en efficiënte wijze heeft verricht. Contra-indicaties voor zijn benoeming zijn dan ook niet gebleken.

3.9.

Op grond van al het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Breda, van 24 maart 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en M.L.F.J. Schyns bijgestaan door mr. C.J.M. Brouwer-van de Put als griffier, en is op 12 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.