Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.214.518_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling.

huwelijksgoederenrecht; verdeling huwelijksgemeenschap; verknochtheid van in Stamrecht BV ondergebrachte ontslagvergoeding (art. 1:94 BW); aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vóór en na ontbinding huwelijksgemeenschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 april 2018

Zaaknummer: 200.214.518/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/275962 / FA RK 14-1315

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.S.M. Vogelaar,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. Stam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2017 en de daaraan voorafgegane tussenbeschikking 22 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 april 2017, heeft de man verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen (voor zover het de stamrechtverplichting betreft) en te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat:

1. de vrouw gecompenseerd dient te worden voor de periode vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, gedurende de drie maanden dat de man tijdens zijn huwelijk werkloos is geweest, te weten € 2.028,--;

2. de ontslagvergoeding/het stamrecht voor het overige aan de man verknocht is.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2017, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Vogelaar;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Stam.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 30 mei 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 30 november 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 1 december 2017;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 3 november 2007 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

3.2.

Aan de man is in 2010 bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding toegekend van € 123.366,22 bruto, die de man, als stamrechtkapitaal, heeft ondergebracht in de besloten vennootschap [stamrecht] BV (hierna ook: Stamrecht BV).

3.3.

De op 24 augustus 2010 tussen de Stamrecht BV en de man gesloten stamrechtovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:

“1. [de Stamrecht BV] verbindt zich periodieke uitkeringen te doen (die niet vast of gelijkmatig hoeven te zijn):

- aan [de man], ingaande op 65-jarige leeftijd of op een eerder moment indien partij B dat kenbaar maakt, waarbij de uitkeringen een looptijd zullen hebben die minimaal een periode bestrijkt, zodanig dat minimaal 1% kans bestaat dat partij B binnen de looptijd zal komen te overlijden (onzekerheidsvereiste);”

(…)

8. De periodieke uitkeringen worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloningen

9. Partijen bij deze overeenkomst zijn te allen tijde gerechtigd om periodieke uitkeringen bedongen op grond van de stamrechtovereenkomst te wijzigen, dan wel om te zetten in een ander zodanig recht, mits het gewijzigde recht op periodieke uitkeringen alsdan eveneens voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 11, eerste lid, letter g van de Wet op de loonbelasting 1964 en de omzetting niet bestreken wordt door artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964. Zodanige wijziging dan wel omzetting zal in een aanvulling op de onderhavige overeenkomst worden vastgelegd. (…)”

3.4.

De man is op 13 december 2010 in dienst getreden bij DAF.

3.5.

Op 7 maart 2014 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Daarop is bij voornoemde (tussen)beschikking van 22 juni 2015 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 september 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.6.

De rechtbank heeft in de bestreden (eind)beschikking van 21 maart 2017 ten aanzien van de verdeling van de ontslagvergoeding die is ondergebracht in de Stamrecht BV, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

“[2.2.11] Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de stamrechtverplichting binnen de Stamrecht BV € 122.140,00 bedraagt en dat de vrouw een aanspraak heeft op € 61.070,00. Dit bedrag zal door de besloten vennootschap, waarbinnen door de man deze verplichting is onderbracht, afgestort moeten worden door overboeking op rekening [bankrekeningnummer] van de ABN-AMRO bank NV ten name van de vrouw.

De man dient in zijn hoedanigheid van bestuurder er voor zorg te dragen dat het bedrag van € 61.070,-- wordt overgemaakt op deze rekening.”

In het dictum van de bestreden beschikking is aldus beslist.

3.7.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De man stelt zich op het standpunt dat zijn aanspraak jegens de Stamrecht BV geen deel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgemeenschap. Hij voert hiertoe het volgende aan.

De aanspraak jegens de Stamrecht BV is op bijzondere wijze aan hem verknocht in de zin van art. 1:94 lid 3 BW. De ontslagvergoeding is geëtiketteerd als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen en uitdrukkelijk niet voor het opvangen van pensioenschade. Na zijn ontslag op 1 september 2010 heeft de man op 13 december 2010 weer een baan gevonden met een vergelijkbaar inkomen als voorheen, zodat de Stamrecht BV tot op heden nog geen uitkeringen heeft hoeven doen. In de periode dat de man werkloos was, ontving de man een WW-uitkering. Het deel van het stamrecht in de periode dat hij een WW-uitkering ontving, valt binnen de gemeenschap en het overige deel van het stamrecht valt er buiten. Immers, in het geval de man direct na de echtscheiding was ontslagen, zou hij de vergoeding nodig hebben gehad om in zijn inkomen te voorzien. Dat dit feitelijk niet is gebeurd, doet er niet toe, evenmin als dat het toen en ook thans nog een uitgesteld stamrecht is.

3.9.

De vrouw weerspreekt dat de ontslagvergoeding aan de man is verknocht en als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen en nadrukkelijk niet voor het opvangen van pensioenschade is geëtiketteerd. Zij stelt dat de man er destijds voor heeft gekozen, zoals ook blijkt uit de stamrechtovereenkomst, om de ontslagvergoeding te gebruiken als aanvulling op zijn pensioen.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Aan het hof ligt voor de vraag of en zo ja, in hoeverre de uit de ontslagvergoeding van de man voortvloeiende stamrechtaanspraken deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen.

Op grond van art. 1:94 lid 2 (oud) BW – geldend voor huwelijken die gesloten zijn vóór 1 januari 2018 – omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van de onder a. tot en met c. genoemde goederen. Op grond van lid 3 (oud) van voornoemd artikel vallen goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

In het arrest HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293 oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van stamrechtaanspraken in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW als volgt:

“Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

In een geval waarin de werkgever een aan de betrokken echtgenoot toegekende ontslagvergoeding, die was bestemd tot vervanging van toekomstig gederfd loon, als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort, heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld. Bij de beantwoording van de vraag of de uit de stamrechtverzekering voortvloeiende aanspraken in de huwelijksgemeenschap vallen, moet onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten, evenmin in de gemeenschap als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon. (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) Hoewel de aanwending van een ontslagvergoeding voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. in die zin verschilt van de aankoop van een stamrechtverzekering bij een verzekeringsmaatschappij, dat de betrokken echtgenoot in het eerste geval binnen de grenzen van de daarvoor geldende fiscale voorwaarden (zie hiervoor in 3.3.2) zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen, bestaat er geen aanleiding dat geval anders te beoordelen. In beide gevallen strekt de aanspraak op periodieke uitkeringen (jegens de stamrecht-bv respectievelijk de verzekeringsmaatschappij) tot vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Derhalve dient ook bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv in de huwelijksgemeenschap valt, te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Nu het gaat om de strekking van de aanspraak, is niet van belang in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd.”

Deze uitspraak is bevestigd bij beschikking van de Hoge Raad van 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, in welke beschikking de Hoge Raad voorts nog heeft overwogen:

(..) De hiervoor (…) genoemde rechtspraak heeft betrekking op aanspraken strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid dat een echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstbetrekking zou hebben genoten. Voor zover de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’), valt deze – bij niet-toepasselijkheid van art. 1:94 lid 2, onder b, BW – in beginsel wel in de gemeenschap. Immers, anders dan aanspraken ter vervanging van inkomen dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uit arbeid zou zijn genoten, dienen dergelijke pensioenaanspraken die tot uitkering komen na zodanige ontbinding, voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot.”

Voorts heeft de Hoge Raad in voornoemde beschikking van 23 februari 2018 nog overwogen:

“(…) Zoals kan worden afgeleid uit HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40, dient de aanspraak uit hoofde van de stamrechtovereenkomst zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld”

In de onderhavige zaak verschillen partijen van mening over de aard van de aanspraken.

De man verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar art. 8 van de stamrechtovereenkomst waarin is bepaald dat de periodieke uitkeringen worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloningen. In reactie op de stelling van de vrouw dat in art. 1 van de stamrechtovereenkomst is opgenomen dat Stamrecht B.V. periodieke uitkeringen aan de man zal doen, ingaande op de 65-jarige leeftijd van de man, heeft de man aangevoerd dat in datzelfde art. 1 is bepaald dat de uitkeringen op een eerder moment dan de 65-jarige leeftijd van de man ingaan, indien en voor zover de man dat kenbaar maakt. De man heeft voorts verwezen naar het sociaal plan, waarin onder 2.5. onder meer is opgenomen:

“Met deze uitkering wordt beoogd de werknemer een tegemoetkoming te verstrekken voor de eventuele achteruitgang in inkomen die ontstaat door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.”

De man voert voorts aan dat de hoogte van de vergoeding is bepaald door de kantonrechtersformule die nooit meer zal bedragen dan de inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet in de hoogte van de vergoeding is meegenomen.

De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat de ontslagvergoeding bedoeld is als aanvulling op zijn pensioen naar de tekst van art. 1 van de stamrechtovereenkomst (zie rov. 3.3.). Voorts stelt zij dat niet in de stamrechtovereenkomst is opgenomen de stelling van de man dat de ontslagvergoeding is geëtiketteerd als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof deelt het standpunt van de man dat uit art. 8 van de stamrechtovereenkomst kan worden afgeleid dat de aanspraken dienen ter vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Dit strookt ook met art. 9 van de stamrechtovereenkomst, waarin aan de man een aanspraak op periodieke uitkeringen (‘stamrecht’) wordt toegekend, te verstrekken met inachtneming van art. 11 lid 1, aanhef en onder g, van de wet op de Loonbelasting 1964 (‘stamrechtvrijstelling’). Deze bepaling (die tot 1 januari 2014 heeft gegolden) hield in dat (onder bepaalde voorwaarden) niet tot het belastbaar loon behoren: aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

De verwijzing door de vrouw naar art.1 van de stamrechtovereenkomst alsmede haar stelling dat in de stamrechtovereenkomst de uitkeringen niet zijn geëtiketteerd als dienend ter verlies van arbeidsinkomen acht het hof hier tegenover van onvoldoende gewicht. De Stamrecht BV verbindt zich weliswaar periodieke uitkeringen te doen (in ieder geval) vanaf het moment dat de man 65 jaar zal zijn, doch dat neemt niet weg dat, zoals de man terecht heeft aangevoerd, de Stamrecht BV te allen tijde in staat is uitkeringen te doen aan de man, bijvoorbeeld in geval de man geen inkomen genereert en in die zin aan die strekking (vervanging van inkomen uit arbeid) voorrang toekomt, terwijl gesteld noch gebleken is dat eventuele uitkeringen bij pensionering van de man dienen tot verzorging van de vrouw. Gelet op art. 8 en 9 van de stamrechtovereenkomst moet naar het oordeel van het hof veeleer worden aangenomen dat doel en strekking van de ontslagvergoeding (compensatie van verlies aan arbeidsinkomen), zoals die blijkt uit art. 2.5. van het sociaal plan niet is gewijzigd nadat de ontslagvergoeding is ingebracht in de Stamrecht BV.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de stamrechtaanspraken dienen ter vervanging van inkomen. Dit brengt mee dat voor zover deze aanspraken betrekking hebben op gelden die dienen te worden toegerekend aan de huwelijkse periode in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en derhalve bij helfte tussen partijen dienen te worden gedeeld. Het overige deel van de stamrechtaanspraken worden als aan de man verknocht aangemerkt.

Voor zover de man de aanspraken die betrekking hebben op de huwelijkse periode ter discussie heeft gesteld, in die zin dat slechts relevant is de (korte) periode dat de WW-uitkering die de man ontving lager was dan zijn salaris in de periode daarvoor, volgt het hof de man daarin niet nu het blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad gaat om de strekking van de aanspraak en niet van belang is in hoeverre de rechthebbende deze daadwerkelijk heeft verzilverd. Naar het oordeel van het hof vallen daarom de stamrechtaanspraken tot de peildatum 7 maart 2014 (datum indiening echtscheidingsverzoek) in de huwelijksgemeenschap van partijen en dienen deze als zodanig in de beoordeling te worden betrokken.

Het hof becijfert het deel van de stamrechtaanspraken die in de huwelijksgemeenschap vallen als volgt:

De ontslagvergoeding bedraagt € 122.140,--. Gezien de strekking van deze vergoeding (vervanging van inkomen), gaat het hof ervan uit dat deze betrekking heeft op de periode van de datum einde dienstverband tot aan de datum waarop de man de (in 2010 nog geldende) pensioengerechtigde leeftijd (van 65 jaar) bereikt. Het hof ziet dit bevestigd in art. 2.5. van het sociaal plan waarin staat dat de vergoeding nooit meer zal bedragen dan de inkomstenderving voor de werknemer tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar) en het feit dat de uitkeringen uit de Stamrecht BV ingaan op 65-jarige leeftijd.

Uitgaande van de datum einde dienstverband van de man, 1 september 2010, en de datum waarop de man de 65-jarige leeftijd bereikt, te weten 28 september 2016, beslaan de stamrechtaanspraken, afgerond, 73 maanden. Daarvan vallen, afgerond, 42 maanden voor de peildatum (7 maart 2014) en 31 maanden na de peildatum. Dit betekent dat 42/73 deel van de stamrechtaanspraken bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap dienen te worden betrokken en 31/73 deel van de stamrechtaanspraken als aan de man verknocht worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de vrouw een aanspraak heeft op de helft van 42/73 deel van de stamrechtaanspraken. Dit komt neer op een bedrag van (70.272/2 =) € 35.136,--.

Dit bedrag zal door de Stamrecht BV afgestort moeten worden door overboeking op rekening [bankrekeningnummer] van de ABN-AMRO bank NV ten name van de vrouw, waarvoor de man in zijn hoedanigheid van bestuurder zorg dient te dragen. Het hof zal aldus bepalen.

Het hof zal tevens bepalen dat de in de Stamrecht BV ondergebrachte ontslagvergoeding voor het overige aan de man verknocht is.

Proceskosten

3.11.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2017, voor zover het de stamrechtverplichting betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man in zijn hoedanigheid van directeur groot aandeelhouder van de besloten vennootschap [stamrecht] BV dient te bewerkstelligen dat door deze besloten vennootschap een bedrag van € 35.136,-- wordt voldaan op bankrekening ABN-AMRO Bank NV nummer [bankrekeningnummer] ten name van de vrouw binnen vier weken na datum van deze beschikking;

bepaalt dat de in de besloten vennootschap [stamrecht] BV ondergebrachte ontslagvergoeding voor het overige aan de man verknocht is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.