Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1541

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
17/00068
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8219, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Wederom heeft de inspecteur geen verweerschrift ingediend. Gelet op eerdere uitspraken, ziet het Hof thans aanleiding hieraan consequenties te verbinden, namelijk een proceskostenvergoeding van € 500.

Art. 8, lid 8, Uitv. reg. BPM (toonplicht) is niet in strijd met het recht. Wel moet de inspecteur bij het uitoefenen van zijn controlerecht, te weten het bepalen van de locatie waar de auto moet worden getoond, rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In het onderhavige geval oordeelt het Hof dat de kosten die belanghebbende moet maken om de auto op de locatie te Soesterberg te tonen, afgezet tegen de hoogte van de naheffingsaanslag verhoudingsgewijs dermate hoog zijn, dat het disproportioneel moet worden geacht om belanghebbende op te roepen om de auto in Soesterberg te tonen.

Dat neemt niet weg dat de bewijslast ten aanzien van waardevermindering in verband met schade op belanghebbende blijft rusten. Het Hof ziet aanleiding de waardevermindering in verband met schade in goede justitie vast te stellen op € 3.500.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1101
Viditax (FutD), 25-05-2018
FutD 2018-1422
FutD 2018-1423
V-N 2018/35.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00068

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 december 2016, nummer BRE 15/7963, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft in december 2014 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ter zake van de registratie in het kentekenregister van een [automerk] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto). Bij deze aangifte heeft zij € 6.213 aan BPM aangegeven en voldaan.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 juni 2015 een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 1.576 (aanslagnummer [aanslagnummer] ), alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 157, en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 30.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 december 2015 heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 868, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de verzuimboete vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.238 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken (getiteld “Verweerschrift in hoger beroep”) ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 17 januari 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [B] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van de heer [C] (taxateur) en de heer [D] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [E] , de heer [F] en de heer [G] . Te dezer zitting is deze zaak gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld met de zaken met kenmerken 16/03914, 16/03915 en 16/03917.

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vier bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van de auto, afkomstig uit een andere lidstaat van de EU, in december 2014 aangifte BPM (hierna: de aangifte) gedaan voor een bedrag van € 6.213 en dit bedrag voldaan. Als datum eerste toelating van de auto geldt 7 april 2014.

2.2.

Belanghebbende heeft in de aangifte gekozen voor de berekening van de vermindering BPM op basis van een taxatierapport, opgemaakt naar aanleiding van de fysieke opname op 5 december 2014 door de heer [K] (hierna: het taxatierapport). Op het moment van de taxatie had de auto een kilometerstand van 20.872. Blijkens het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat, inclusief BTW en BPM, aan de hand van de koerslijst XRay Live bepaald op € 27.368. Voorts is rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade, conform de bijlage schadecalculatie, van € 6.459. Aldus is de taxatiewaarde in huidige staat, inclusief BTW en BPM, bepaald op € 20.909.

2.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende naar aanleiding van de aangifte uitgenodigd om de auto te tonen aan een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: Domeinen) te Soesterberg. Belanghebbende is op de uitnodiging niet ingegaan.

2.4.

Met dagtekening 24 juni 2015 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, uitgaande van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto, inclusief BTW en BPM, van € 27.368, zonder rekening te houden met enig schadebedrag. Tevens heeft de Inspecteur een verzuimboete van € 157 opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en is € 30 belastingrente in rekening gebracht. Het tegen de naheffingsaanslag en beschikkingen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard.

2.5.

De Rechtbank heeft de waardevermindering als gevolg van schade aan de bumper in goede justitie vastgesteld op € 2.500 (inclusief BTW) en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 868.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ook ontkennend en conformeert zich aan het door de Rechtbank vastgestelde bedrag aan naheffing BPM van € 868.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen daaraan het volgende toegevoegd.

Belanghebbende/gemachtigde/taxateur:

- Ik trek het in mijn hoger beroepschrift opgenomen verzoek om toekenning van een adequate rentevergoeding, in.

- Ondanks dat de procedure de naheffingsaanslag betreft, concludeer ik tot een gedeeltelijke teruggaaf van het op aangifte voldane bedrag aan BPM. Wanneer de Inspecteur besluit te gaan naheffen, mag belanghebbende de aangifte in zijn geheel herbeoordelen. Alles ligt dan weer open.

- Voor het feit dat de auto een ex-huurauto betreft is in de schadecalculatie een bedrag van € 986 (exclusief BTW) aan extra klaarmaakkosten opgenomen. Het gaat hierbij niet om de extra krassen, die zijn apart in de schadecalculatie opgenomen. Het gaat er om dat er veel verschillende mensen in zo’n auto hebben gereden. Voor een handgeschakelde auto geldt dat iedereen anders schakelt en daardoor is er extra slijtage. Het blijkt in de praktijk ook dat kopers later terugkomen met die slijtage. Huurauto’s worden vaak ‘misbruikt’. Dit zie je ook aan de schokbrekers, de tandwielen van de versnellingsbak, de remschijven en de draagarmrubbers. Deze zijn al bij een veel lagere kilometerstand dan gebruikelijk versleten of beschadigd. Ook zit er vaak speling op het stuur of hoor je abnormale geluiden. In dat verband zijn er extra klaarmaakkosten opgenomen. In de koerslijst is hier geen rekening mee gehouden. Tegenwoordig kun je dat wel aanvinken in de koerslijst, maar dat ziet dan meer op het stigma van ‘huurauto’ en niet zozeer op de technische factor.

- Uit onderzoek blijkt dat er zeker 4 uur extra werk is bij het klaarmaken van een ex‑huurauto.

- In koerslijsten zijn juist geen huurauto’s opgenomen. Daarom kun je tegenwoordig ook een vinkje zetten. De waarde zonder rekening te houden met het feit dat het een ex-huurauto betreft, is dezelfde als in de periode dat je dat nog niet kon aanvinken in de koerslijst.

- De stelling van de Inspecteur dat huurauto’s juist vaker worden nagekeken en gerepareerd, klopt niet. Ex-huurauto’s zijn juist vaak beschadigd, zo ook de onderhavige auto. Het is juist een verdienmodel van verhuurders door schades achteraf alsnog af te boeken van de creditcard. Daarom moet je als huurder ook altijd goed opletten. Schades worden geïnventariseerd bij het inleveren en worden niet gerepareerd. Vaak hebben huurauto’s pas na 25.000 - 30.000 kilometers de eerste onderhoudsbeurt. Hier was de auto voor die tijd al verkocht.

De Inspecteur:

- Ik ben het niet eens met het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het te laat indienen van het verweerschrift. Er zijn geen nieuwe standpunten in hoger beroep ingenomen. De stukken zijn ook hoofdzakelijk afkomstig van belanghebbende. Ik heb in november 2017 nog geprobeerd een compromis te sluiten, maar dat wilde belanghebbende niet. Dat is ook één van de redenen van de late indiening van het verweerschrift.

- In het taxatierapport is een oordeel van de taxateur opgenomen over het uiterlijk en de technische staat van de auto. Alle namens belanghebbende aangedragen factoren betreffende ex‑huurauto zouden dan in het taxatierapport moeten zijn genoemd. Ik stel dat een huurauto juist vaker wordt gecontroleerd en nagekeken. Als een huurder de auto met schade inlevert, dan wordt dat gerepareerd voordat de auto aan een volgende huurder wordt gegeven. Daarnaast betaalt een huurder ook een borgsom. Van ‘misbruik’ zoals namens belanghebbende werd gesteld, zal dan ook geen sprake zijn. Huurders willen de borgsom immers niet kwijtraken.

- Een koerslijstwaarde is een gemiddelde van alle auto’s, dus ook van huurauto’s.

- Het is niet juist om een bedrag te calculeren voor kosten die mogelijk in de toekomst worden gemaakt. De opgenomen kosten zijn nu niet gemaakt voor deze auto.

- De werkwijze van Domeinen is dat auto’s ‘at random’ worden opgeroepen. De meeste auto’s worden niet gehertaxeerd. Er worden 2 auto’s per backoffice opgeroepen, dus in totaal 10 per dag. Vroeger, toen hertaxatie nog plaatsvond door taxateurs van CED en Dekra, werden de belastingplichtigen op locatie bezocht. Nu gebeurt dat door capaciteitsproblemen nauwelijks meer. Maar het is aan Domeinen om te bepalen hoe zij hun werkzaamheden inrichten. De Inspecteur kan niet eisen dat Domeinen de belastingplichtigen bezoekt.

- Anders dan belanghebbende kennelijk meent, betreft de grens van 150 kilometer de enkele reisafstand en niet de retourafstand.

- Voor zover ik de stelling dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard niet reeds bij de Rechtbank had ingetrokken, doe ik dat hierbij alsnog.

- Ik heb bij gegrondverklaring van het hoger beroep en toekenning van een proceskostenvergoeding geen bezwaar tegen de hoogte van de door belanghebbende geclaimde kosten van de taxateur van € 84,40 exclusief BTW.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, naar het Hof verstaat behoudens de beslissingen omtrent de boete, het griffierecht en de proceskosten, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot een teruggaaf van € 381; subsidiair tot een teruggaaf van € 311; en meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 121 aan belasting. Voorts verzoekt belanghebbende het Hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende en tot een schadevergoeding van € 500 wegens het niet tijdig indienen van het verweerschrift in hoger beroep.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

De Inspecteur heeft verzuimd binnen de door het Hof gestelde termijn een verweerschrift in te dienen. Evenmin is een verweerschrift ingediend nadat het Hof de Inspecteur heeft gewezen op dit verzuim. Pas na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend, aangeduid als ‘Verweerschrift in hoger beroep’. Belanghebbende heeft hierover geklaagd.

4.2.

Het Hof heeft, onder meer, in zijn uitspraak van 17 maart 2017, nr. 16/00057, ECLI:NL:GHSHE:2017:1974, dienaangaande het volgende overwogen:

“Het handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Uiteindelijk heeft de Inspecteur weliswaar met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een stuk ingediend met een inhoudelijk verweer tegen het gestelde in het hogerberoepschrift, maar door deze handelwijze ontneemt de Inspecteur de wederpartij de mogelijkheid van het indienen van een conclusie van repliek en noodzaakt de wederpartij tot het op het allerlaatste moment nog indienen van nadere stukken als reactie op het “verweerschrift”. Voornoemd gedrag van de Inspecteur en de vervolgeffecten daarvan verstoren voorts de voorbereiding van het Hof. Het aldus handelen door de Inspecteur belemmert een efficiënte procesgang. Met een dergelijk gedrag miskent de Inspecteur zijn positie als professionele procespartij, in het bijzonder nu hij optreedt namens de overheid.

Het Hof volstaat op dit moment met een laatste waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden, bijvoorbeeld door middel van het toekennen van een proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van het geschil.”

4.3.

Het Hof ziet thans aanleiding aan dit handelen van de Inspecteur consequenties te verbinden. Het Hof zal in de onderhavige zaak bij het vaststellen van de hoogte van de proceskostenvergoeding met dit handelen door de Inspecteur rekening houden (zie nader onder 4.15). Dat er, zoals de Inspecteur ter zitting heeft gesteld, in hoger beroep geen nieuwe stukken/standpunten zijn en dat de stukken hoofdzakelijk afkomstig zijn van belanghebbende, doet aan dit oordeel niet af. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van de Inspecteur dat hij in november 2017 nog heeft getracht een compromis te bereiken, nu de door het Hof gestelde termijn voor het indienen van een verweerschrift toen al diverse maanden was verstreken.

Ten aanzien van het geschil

4.4.

Belanghebbende bestrijdt primair de gehele naheffingsaanslag en subsidiair stelt zij dat deze tot een te hoog bedrag is opgelegd. Ter onderbouwing van haar standpunt stelt zij dat:
- de Inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan;

- het verzoek van de Inspecteur om de auto te Soesterberg te tonen niet in redelijkheid is gedaan;
- artikel 8, lid 8, Uitvoeringsregeling BPM onverbindend dient te worden verklaard, meer in het bijzonder dat de Staatssecretaris buiten zijn bevoegdheid is getreden door het stellen van een ‘plaats’ alwaar het voertuig getoond moet worden, dan wel dat het genoemde artikel 8, lid 8, in strijd is met artikel 28 VWEU en/of artikel 110 VWEU;
- het niet verschijnen te Soesterberg niet leidt tot een verzwaring van de bewijslast van belanghebbende;
- de oproeping om de auto in Soesterberg te tonen in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- de hertaxatie door Domeinen niet als deskundig, objectief en rechtmatig aan te merken is.

4.5.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd om de auto te tonen aan een medewerker van Domeinen te Soesterberg. Belanghebbende is op deze uitnodiging niet ingegaan, omdat zij – naar zij in (hoger) beroep stelt – onevenredig hoge kosten zou moeten maken om de auto naar Soesterberg te vervoeren. Omdat de auto ten tijde van de uitnodiging nog niet geregistreerd was in het Nederlandse kentekenregister en daarmee niet WA-verzekerd, zou belanghebbende een oplegger moeten huren, en de reis- plus wachttijd naar en in Soesterberg betekent ook een tijdinvestering en derhalve ook nog eens kosten van personeel e.d. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de kosten die zij zou moeten maken om de auto naar Soesterberg te vervoeren, € 525 zouden bedragen, welke kosten niet in verhouding staan tot het nageheven bedrag (€ 868 na uitspraak van de Rechtbank) en wijst in dat verband op de uitspraak van het HvJ van 20 september 2007, C‑76/04 (Commissie/Griekenland), gepubliceerd onder meer in V-N 2007/48.23, r.o. 53:

“53. Vastgesteld moet worden dat een dergelijk recht de eigenaar van een voertuig er slechts van kan weerhouden om beroep in te stellen bij een bezwarencommissie indien dit een aanzienlijk aandeel van het bedrag van de betwiste registratiebelasting vertegenwoordigt.”

Daarom heeft belanghebbende de Inspecteur aangeboden de auto te (doen) controleren op een door belanghebbende verzekerde locatie. Op die uitnodiging is de Inspecteur niet ingegaan, hoewel andere belastingplichtigen wel “een bezoek aan huis” van de Inspecteur krijgen, aldus belanghebbende. Belanghebbende stelt in hoger beroep onder meer dat het verzoek van de Inspecteur om de auto te tonen op de locatie te Soesterberg, gelet op de door belanghebbende aangevoerde bezwaren, niet in redelijkheid is gedaan en voorts dat de Inspecteur belanghebbende niet kan verplichten om de auto te tonen op een door de Inspecteur aan te wijzen locatie om de redenen, genoemd hierboven. Belanghebbende verbindt aan haar stelling primair de conclusie dat de naheffingsaanslag vernietigd moet worden.

4.6.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, lid 8, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) geeft de Inspecteur voldoende bevoegdheid tot het stellen van de eis dat de auto op een door de Inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip moet worden getoond. In artikel 10, lid 8, van de Wet is immers in algemene zin bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van artikel 10, dus ten behoeve van de bepaling van de hoogte van de vermindering. Deze regels zijn gegeven in artikel 8, lid 8, van de Uitvoeringsregeling BPM. Anders dan belanghebbende, acht het Hof de bepaling in het genoemde artikel 8, lid 8, niet in strijd met het recht. Naar het oordeel van het Hof zijn de delegatiemogelijkheden gegeven in artikel 10, lid 8, van de Wet in artikel 8, lid 8, van de Uitvoeringsregeling BPM niet overschreden.

4.7.

Wel is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur bij het uitoefenen van zijn controlerecht - in dit geval het bepalen van de locatie, waar de auto moet worden getoond - rekening dient te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het verbod van willekeur. Belanghebbende heeft gewezen op het beleid van de Inspecteur inhoudende dat belastingplichtigen die meer dan 150 kilometer moeten afleggen om zich op een door de Inspecteur aan te wijzen locatie te melden, door de Inspecteur worden bezocht op hun bedrijfslocatie, in plaats van dat zij zich op de locatie van Domeinen dienen te melden. De Inspecteur heeft de laatste stelling van belanghebbende op zich niet bestreden. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of de genoemde afstand van 150 kilometer een enkele reis betreft (Inspecteur), dan wel retour (belanghebbende). Belanghebbende is gevestigd op een afstand van ca. 92,3 km van Soesterberg.

Zoals overwogen in 4.6, acht het Hof de in artikel 8, lid 8 van de Uitvoeringsregeling BPM gegeven regels in algemene zin toelaatbaar. Dat laat evenwel onverlet dat die regels in een individueel geval disproportioneel kunnen uitwerken. Zulks is naar het oordeel van het Hof in de onderhavige situatie het geval. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag is opgelegd van € 1.576, welke naheffingsaanslag door de Rechtbank is verminderd tot € 868. Belanghebbende heeft gesteld dat het tonen van de auto op de locatie Soesterberg betekent dat hij voor het transport van de auto een oplegger moet huren, waarvoor de kosten € 525 bedragen, alsmede een niet nader gespecificeerd bedrag aan personeelskosten. Het Hof is van oordeel dat de kosten die belanghebbende moet maken om de auto op de locatie van Soesterberg te tonen, afgezet tegen de hoogte van de naheffingsaanslag verhoudingsgewijs dermate hoog zijn, dat het disproportioneel moet worden geacht om belanghebbende op te roepen om de auto in Soesterberg te tonen.

Dat het verzoek om de auto te Soesterberg te tonen in dit geval als disproportioneel moet worden aangemerkt, betekent echter niet dat reeds om die reden de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd en evenmin dat de bewijslastverdeling wijzigt. Voor zover belanghebbende betoogt dat de aan de hand van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde - en daarmee de belastinggrondslag - dient te worden verminderd in verband met schade, blijft de bewijslast ter zake op belanghebbende rusten. Het niet hoeven tonen van de auto te Soesterberg betekent alsdan dat belanghebbende met andere bewijsmiddelen aannemelijk dient te maken dat de handelsinkoopwaarde neerwaarts dient te worden gecorrigeerd wegens schade.

4.8.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk zijn stelling, dat de bewijslast van belanghebbende moet worden verzwaard, ingetrokken. Ter onderbouwing van haar standpunt beroept belanghebbende zich op het taxatierapport en op de door haar ingebrachte verklaringen van twee deskundigen. De Inspecteur bestrijdt niet meer dat de auto - enige - schade heeft, die niet alleen lakschade betreft, doch stelt dat ter zake de door de Rechtbank in goede justitie toegepaste waardevermindering van € 2.500 inclusief BTW, juist is. Voorts bestrijdt hij dat de auto minder waard zou zijn als gevolg van het feit dat het een ex-huurauto betreft.

4.9.

Tussen partijen is derhalve niet (meer) in geschil dat de auto enige schade heeft, doch zij twisten nog over het bedrag dat ter zake in mindering moet worden gebracht op de waarde van de auto. Het Hof is het, gelet op de bij het taxatierapport behorende foto’s en rekening houdend met de leeftijd en de kilometrage van de auto, met belanghebbende eens dat - naast de beschadigingen aan de bumpers - de auto meer lakschade vertoont dan een vergelijkbaar voertuig, doch volgt belanghebbende niet in haar stelling dat alle lakschade de waarde van de auto vermindert en - in het algemeen - dat het in het taxatierapport opgevoerde schadebedrag voor 100% de waarde van de auto vermindert. Voorts heeft belanghebbende ter zitting van het Hof beaamd, dat in het taxatierapport ten onrechte de expertisekosten als schade zijn meegenomen. Gelet op de foto’s op pagina’s 7 en 8 (schade aan de voorbumper) en pagina 13 (schade aan de achterbumper) van het taxatierapport, de overmatige lakschade, het feit dat Nederlandstalige onderhoudsboekjes ontbreken en de Nederlandstalige software moet worden geïnstalleerd en voorts dat het hier een ex-huurauto betreft, ziet het Hof aanleiding de waardevermindering in goede justitie vast te stellen op een bedrag van € 3.500, inclusief BTW. De handelsinkoopwaarde bedraagt dan € 27.368 minus € 3.500 is € 23.868.

4.10.

Naar het Hof begrijpt, is het toepassen van drie maanden extra leeftijdskorting tussen partijen niet meer in geschil (zie ook overweging 4.6 in de uitspraak van de Rechtbank). Het Hof berekent de verschuldigde BPM alsdan, uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 23.868, een historische nieuwprijs van € 50.810 en een bruto BPM van € 15.079, op € 6.657, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd naar (€ 6.657 minus € 6.213 is) € 444.

4.11.

Nu de naheffingsaanslag deels in stand blijft, kan het antwoord op de vraag of belanghebbende, ondanks dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan BPM, recht heeft op een (gedeeltelijke) teruggaaf van dat op aangifte voldane bedrag aan BPM, in het midden blijven.


Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd als hierna bepaald.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 501 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15.

Gelet op het overwogene in 4.1 tot en met 4.3, ziet het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), af te wijken van hetgeen is bepaald in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Het Hof stelt de vergoeding van proceskosten aldus vast op € 1.586,40. Dit bedrag is inclusief een vergoeding van € 84,40 voor de door belanghebbende naar de zitting meegebrachte deskundige en inclusief een vergoeding van € 500 vanwege het overwogene in 4.1 tot en met 4.3.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vernietiging van de verzuimboete, het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 444;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 501 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.586,40.

Aldus gedaan op 5 april 2018 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.