Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1518

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.206.322_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5539, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verpanding vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.206.322/01

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M. Littooij te Breda,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/273034/HA ZA 14-17 gewezen vonnis van 21 september 2016. De hierna volgende paragrafen zullen aansluitend aan de nummering in voormeld tussenarrest worden genummerd.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 december 2017 waarbij het hof heeft bepaald dat gelegenheid voor pleidooi wordt geboden;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten.

6.1.1.

De pandakte bedrijfsuitrusting van 31 december 2010 (hierna: de stampandakte) tussen (onder meer) [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ) als “pandgever” en [geïntimeerde] als “pandnemer” houdt – voor zover hier van belang – in:

“Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen de pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden […] verpandt de pandgever aan de pandnemer […] zijn gehele bedrijfsuitrusting, zulks in de ruimste zin […].

Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen “de vorderingen”.

[…]

4.10

De verpanding zal geschieden door middel van daartoe door pandnemer vastgestelde formulieren, danwel andere documenten ten genoege van pandnemer waaruit van de verpanding aan pandnemer blijkt.”

6.1.2.

Op 19 december 2013 dagvaardde [de vennootschap 3] [appellante] tot betaling van (onder meer) bedragen van € 368.953,00 en € 134.732,00 waaronder een bedrag van € 13.350,00 met betrekking tot het project “ [project] ”.

6.1.3.

De op 20 januari 2014 gedateerde en op 27 januari 2014 geregistreerde pandakte (hierna: de pandakte) houdt – voor zover hier van belang – in:

“Gelden tot meerdere zekerheid voor al hetgeen […] [geïntimeerde] […] nu of in de toekomst heeft te vorderen van […] [de vennootschap 3] […].

Geeft pandgever aan pandnemer in pand:

De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79.

[…]

Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s.

De verpanding vindt plaats op de wijze en onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding van de bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend.”

6.1.4.

De specificatie vermeldt facturen, maar niet de bij dagvaarding ingestelde vorderingen op [appellante] .

6.1.5.

[de vennootschap 3] failleerde op 28 januari 2014.

6.1.6.

Bij faxbericht van 7 februari 2014 deelde [geïntimeerde] aan [appellante] mee dat alle vorderingen van [de vennootschap 3] op [appellante] aan [geïntimeerde] waren verpand. Vervolgens heeft [geïntimeerde] na schorsing de (onderhavige) procedure van [de vennootschap 3] overgenomen.

6.1.7.

Op 8 mei 2014 schreef [appellante] aan de curator – voor zover hier van belang – het volgende:

“ [appellante] heeft aan [de vennootschap 3] een bedrag van € 114.631,- voldaan ter zake van het breken, zeven en transporteren van voornoemde asfaltschollen. Daarna is het faillissement van [de vennootschap 3] uitgesproken, met aanstelling van u tot curator.

[…]

In ieder geval is het asfaltgranulaat nog niet aan de Asfaltmolen geleverd, hetgeen wel tot de verplichting van [de vennootschap 3] behoort.

Gelet op deze situatie verzoeken wij u […] om te verklaren of u bereid bent om de aan [de vennootschap 3] verleende opdracht na te komen […].”

6.1.8.

Op 20 april 2015 schreef [appellante] aan de curator – voor zover hier van belang – het volgende:

“ [de vennootschap 1] heeft aan [de vennootschap 3] opdracht gegeven voor het verrichten van werkzaamheden […] te [plaats] . Bij uitvoering van graafwerkzaamheden heeft [de vennootschap 3] een drietal lichtmasten beschadigd […]. Hierbij ontvangt u het betreffende schadeformulier […]

De opdrachtgever heeft de schade rechtstreeks in rekening gebracht bij [de vennootschap 3] , maar zij stuitte op het faillissement van laatstgenoemde. Derhalve heeft zij het bedrag bij [appellante] in rekening gebracht. [appellante] is aansprakelijk voor de fouten van haar hulppersoenen en heeft het bedrag ad € 3.099,72 vergoed.”

6.1.9.

De desbetreffende facturen die de opdrachtgever op 11 juni 2014 aan [appellante] zond, vermeldden: “Kosten voor het vervangen van het armatuur van lichtmast […] betreffende een voorval d.d. 31-10-2013.”

6.2.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] onder meer en voor zover in hoger beroep nog van belang betaling van € 13.500,- door [appellante] wegens door [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ) in opdracht van [appellante] verrichte werkzaamheden, welke vordering van [de vennootschap 3] op [appellante] aan [geïntimeerde] is verpand.

6.3.

[appellante] heeft onder andere als verweer aangevoerd dat de vordering van [de vennootschap 3] niet aan [geïntimeerde] is verpand.

6.4.

In het vonnis van 21 september 2016 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de vordering van [de vennootschap 3] op [appellante] rechtsgeldig is verpand aan [geïntimeerde] . Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 13.500,- toegewezen.

6.5.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

6.6.

De grieven van [appellante] komen er op neer dat naar haar mening de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de betreffende vordering van [de vennootschap 3] op [appellante] is verpand aan [geïntimeerde] , aangezien deze vordering niet is opgenomen in de pandakte.

Anders dan [geïntimeerde] betoogt, blijkt uit de grieven en de toelichting daarop, dat de bezwaren van [appellante] tegen het vonnis waarvan beroep voldoende duidelijk zijn en voldoende kenbaar naar voren zijn gebracht. Uit de memorie van antwoord van [geïntimeerde] en hetgeen zij bij pleidooi naar voren heeft gebracht blijkt ook dat [geïntimeerde] weet waartegen zij zich heeft te verweren.

6.7.

Het hof stelt voorop dat de voor verpanding van een vordering toepasselijke wettelijke regels luiden:

Artikel 3:236 lid 2 BW: “Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.”.

Artikel 3:94 lid 3 BW: “Deze rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.(…)”.

6.7.1.

In de akte van 20 januari 2014 (6.1.3 hiervoor), zoals hierboven aangehaald, heeft [de vennootschap 3] als pandgever concreet aangegeven op welke vorderingen zij een pandrecht verleende.

Bij vestiging van een stil pandrecht op vorderingen op naam waarbij de te verpanden vorderingen expliciet worden vermeld op een lijst zoals in dit geval, is die lijst leidend. Nu tussen partijen vast staat dat de vorderingen van [de vennootschap 3] op [appellante] niet voorkomen op de lijst die is gevoegd bij de akte van 20 januari 2014, zijn die vorderingen niet verpand bij die akte.

De akte van 20 januari 2014 bevat geen aanknopingsgegevens op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kan worden vastgesteld dat ook de onderhavige vordering van [de vennootschap 3] op [appellante] aan [geïntimeerde] is verpand bij die akte.

Van een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van [de vennootschap 3] op [appellante] is ook geen sprake.

Evenmin kan de, zo door [geïntimeerde] genoemde, “verpandingssystematiek” tot het oordeel leiden dat de vordering van [de vennootschap 3] op [appellante] aan haar is overgedragen. De, zo door partijen daarbij, genoemde “Pandakte” van 31 december 2010 (6.1.1 hiervoor), aangegaan tussen onder andere [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] , bevat slechts een verbintenis (onderstreping hof) van [de vennootschap 3] om alle vorderingen te verpanden. Immers in die akte is bepaald: “Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij of zij op derden heeft of zal hebben (…)”. Ook de artikelen 4.10. en 4.11., waarop [geïntimeerde] zich voor haar argument ontleend aan de systematiek beroept, bevatten slechts verplichtingen voor [de vennootschap 3] , namelijk door voor verpanding gebruik te maken van een formulier, dat formulier op te maken en dat aan [geïntimeerde] te verschaffen. Uit die verplichting volgt niet dat de onderhavige vordering is verpand. Overigens wijst die verplichting er, gezien het gebruikte formulier, juist op dat de vorderingen in het formulier specifiek dienen te worden vermeld.

Dat het de bedoeling van [de vennootschap 3] en [geïntimeerde] zou zijn geweest om ook die vorderingen van [de vennootschap 3] en [appellante] bij die akte te verpanden, is, nu die vorderingen niet op die lijst voorkomen, niet relevant. Immers de akte van 20 januari 2014 vermeldt niet “alle uitstaande vorderingen per 20 januari 2014” maar “De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad

€ 6.059.324,79.” en “Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s.”, daarmee zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand.

6.8.

Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt gepasseerd omdat het, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dient.

De grieven van [appellante] zijn, gegeven het voorgaande, gegrond.

Slotsom.

6.9.

Op grond van het voorgaande zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, zal de vordering van [geïntimeerde] worden afgewezen en zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, zoals in de beslissing vermeld. Het advocatensalaris wordt begroot op € 1.808,- in eerste aanleg (<conclusie van antwoord=1 punt + pleidooi=2 punten + comparitie=1 punt> x tarief II=

€ 452,-) en € 2.682,- in hoger beroep (<appeldagvaarding met grieven=1 punt + pleidooi=2 punten> x tarief II in hoger beroep=€ 894).

[geïntimeerde] zal zoals gevorderd worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellante] onverschuldigd heeft voldaan.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft de beslissingen onder 4.1. tot en met 4.3. en opnieuw rechtdoende

wijst de vordering van [geïntimeerde] tot betaling door [appellante] van € 13.500,- af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 3.829,- aan griffierecht en op € 1808,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 89,39 aan dagvaardingskosten, op

€ 1.952,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op basis van het vonnis waarvan beroep onverschuldigd heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling door [appellante] aan [geïntimeerde] tot en met de dag van terugbetaling door [geïntimeerde] aan [appellante] ;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, L.S. Frakes en D.W. Giltay Veth en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 april 2018.

griffier rolraadsheer