Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1514

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.197.816_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid advocaat? maatstaf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.197.816/01

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.G.M. Roels te Zeist,

tegen

1 ITP B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Livijn B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. Ramec B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. Filia I B.V,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. GHJB II B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. Jabla B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als ITP c.s.,

advocaat: mr. R. Kossen te 's-Gravenhage,

als vervolg op het arrest van 3 oktober 2017. De hierna volgende nummering sluit aan op voormeld arrest.

8 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/202384 / HA ZA 15-90)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. Het hof merkt hierbij op dat Jabla B.V. in dat vonnis niet als gedaagde is genoemd. Kennelijk berust dat op een omissie nu de inleidende dagvaarding Jabla B.V. wel vermeldt en partijen er in hoger beroep kennelijk van uitgaan dat Jabla B.V. als geïntimeerde moet worden aangemerkt. Het hof zal het vonnis verbeterd lezen en ervan uitgaan dat ook jegens Jabla B.V. voormeld vonnis is gewezen. Het hof is niet gebleken dat een van partijen hierdoor wordt benadeeld.

9 Het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-de comparitie van partijen, tevens pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

-de bij brieven van mr Roels van 19 en 28 februari 2018 toegezonden producties;

-de bij brief van mr. Van der Keur op 2 maart 2018 toegezonden brief met één productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

10 De beoordeling

10.1.

Door de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld:

10.1.1.

[appellant] en [ex-partner] zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van 2 maart 2011 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke beschikking op 9 mei 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd.

10.1.2.

Mr. [advocaat] , in dienst van [de maatschap] Advocaten (waarvan de maten gedaagden zijn in deze procedure), heeft [appellant] in haar hoedanigheid van advocaat en op basis van een door [appellant] aan [de maatschap] Advocaten gegeven opdracht, bijgestaan in het proces van echtscheiding van [ex-partner] . De advocaat van [ex-partner] heeft, na onderhandeling en in overleg met mr. [advocaat] , het op 21 juni 2010 door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant opgesteld.

10.1.3.

De (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap bestond voor een groot deel uit panden die door partijen verhuurd werden, alle belast met hypothecaire geldleningen. In het echtscheidingsconvenant werden die panden alsmede de echtelijke woning als volgt verdeeld:

- de echtelijke woning alsmede een beleggingspand te [plaats 1] met de daarop rustende hypothecaire geldleningen werden aan [ex-partner] toebedeeld onder de opschortende voorwaarde dat de bank [appellant] zou ontslaan uit zijn hoofdelijke verplichtingen dienaangaande.

- de beleggingspanden te [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] met de daarop rustende hypothecaire geldleningen werden aan [appellant] toebedeeld onder de opschortende voorwaarde dat de bank [ex-partner] zou ontslaan uit haar hoofdelijke verplichtingen dienaangaande.

10.1.4.

Bij beschikking van 14 december 2011 is de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap door de toenmalige rechtbank Roermond tussen partijen verdeeld. Bij beschikking van 4 december 2012 heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij hij heeft bepaald dat alle onroerende zaken dienden te worden verkocht en de overwaarde tussen partijen bij helfte diende te worden verdeeld, evenals alle schulden van partijen.

10.1.5.

[ex-partner] heeft de haar toebedeelde kapsalons uit de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap ingebracht in een op 1 mei 2011 opgerichte vennootschap onder firma. Op 4 oktober 2011 is de v.o.f. en haar vennoten – waaronder dus [ex-partner] – op eigen aangifte door de toenmalige rechtbank Roermond in staat van faillissement verklaard.

10.2.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank Roermond van 3 februari 2016, waarbij zijn vorderingen zijn afgewezen en hij in de proceskosten is veroordeeld, en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de maatschap [de maatschap] Advocaten, van welke maatschap ITP c.s. de maten zijn, tekortgeschoten is in de nakoming van de met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht, doordat de namens de maatschap optredende advocaat, mr. [advocaat] en/of andere namens de maatschap opgetreden advocaten een of meer beroepsfouten heeft (hebben) begaan door jegens [appellant] niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, althans anderszins in strijd heeft gehandeld met de overeenkomst van opdracht en/of onrechtmatig heeft gehandeld;

2. te verklaren voor recht dat de voormelde maatschap jegens [appellant] aansprakelijk is uit die tekortkoming(en) en/of onrechtmatige daad voortvloeiende, door [appellant] geleden en te lijden schade;

3. te verklaren voor recht dat ITP c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de voormelde schade;

4. ITP c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de voormelde schade te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, nader op te maken bij staat;

5. ITP c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, te verhogen met de nakosten en de wettelijke rente over één en ander, indien ITP c.s. deze niet binnen veertien dagen na het arrest heeft voldaan.

10.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] verklaard dat aan voormelde vorderingen in hoger beroep twee verwijten aan mr. [advocaat] ten grondslag worden gelegd ten aanzien waarvan hij in hoger beroep (opnieuw) een beoordeling vraagt. Het betreft de verwijten zoals beschreven in zijn memorie van grieven onder nr. 48 e.v. en onder 53. e.v.

10.3.1.

[appellant] verwijt mr. [advocaat] ten eerste dat zij hem ten tijde van het aangaan van het echtscheidingsconvenant niet heeft gewaarschuwd voor het substantiële risico dat elke verdeling waartoe de echtelieden zouden besluiten, anders dan een verdeling op basis van een liquidatie van (een deel van) het onroerend goed, zou worden “ingehaald” door de liquiditeitsproblemen van de echtgenoten en dat mr. [advocaat] , hem, [appellant] , heeft geadviseerd het convenant te ondertekenen (memorie van grieven nr. 49.). Met “inhalen” door de liquiditeitsproblemen bedoelt [appellant] kennelijk het risico dat de liquiditeitsproblemen zouden leiden tot gedwongen en verliesgevende liquidatie van de onroerend goedportefeuille (memorie van grieven nr. 44.).

10.3.2.

Ten tweede verwijt [appellant] mr. [advocaat] dat zij ook na ondertekening van het convenant niet adequaat heeft gehandeld, geïnformeerd en geadviseerd over de juridische mogelijkheden toen bleek dat voormeld risico zich realiseerde, althans dreigde te realiseren.

10.4.

ITP c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

Waarschuwen ten tijde van het aangaan van het convenant van 21 juni 2010?

10.5.

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop.
Het hof kwalificeert de rechtsverhouding tussen partijen als een overeenkomst van opdracht.

In artikel 7:400 lid 1 BW wordt daaromtrent bepaald:

“De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. “

Artikel 7:401 BW luidt:

“De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.”

Bij de beoordeling van de vraag of een advocaat bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, gaat het hof overeenkomstig vaste rechtspraak uit van de zorgvuldigheid die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Het antwoord op de vraag of in een geval als het onderhavige voldoende zorgvuldigheid is betracht, is mede afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval (HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1304).

Daarbij geldt dat de verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen in beginsel meebrengt dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt (HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303).

Als beoordelingsmaatstaf neemt het hof verder in aanmerking dat, wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, de zorgvuldigheidsplicht meebrengt dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (vgl. HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4564).

Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406).

Tenslotte gaat het hof bij de beoordeling ervan uit dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat die een cliënt adviseert, zich daarbij dient te richten naar het belang van de cliënt (HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2444).

Het hof past voormelde maatstaven hierna toe.

10.6.1.

Het hof merkt allereerst op dat door [appellant] niet is aangevoerd dat, in het geval de bank zou hebben meegewerkt aan de daarin overeengekomen verdeling en de bank [appellant] en [ex-partner] uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid zou hebben ontslagen en indien vervolgens de tussen partijen overeengekomen verdeling van de panden door partijen zou zijn uitgevoerd, door de in het convenant overeengekomen verdeling het door [appellant] gestelde liquiditeitsprobleem, zoals dat volgens hem vóór en ten tijde van ondertekening van het convenant al bestond en welk probleem naar [appellant] stelt bij [advocaat] bekend was (memorie van grieven nrs. 39. en 40.), niet of te laat zou zijn opgelost.

Hierbij overweegt het hof bovendien dat in het geval van uitvoering van het convenant

[appellant] enig eigenaar van de aan hem toegedeelde panden was geworden en hij de bevoegdheid zou hebben gekregen om in overleg met de bank/hypotheekhouder over die panden te beschikken zoals hij zou willen om zijn liquiditeitsprobleem voor zover mogelijk op te lossen. Het hof merkt hierbij op dat ten tijde van het aangaan van het echtscheidingsconvenant de gemeenschap een overwaarde had van € 730.366,-, aldus [appellant] (memorie van grieven nr. 22.) en dat de aan hem toebedeelde panden volgens het convenant na aftrek van de hypothecaire schulden een overwaarde hadden van € 422.250,- (zie convenant, productie 1 bij inleidende dagvaarding: [adres 1] : € 86.750,- + [adres 2] : € 420.000,- -hypothecaire lening: € 140.000,- + [adres 3] : € 362.500 - - hypothecaire lening: € 307.000,-).

10.6.2.

[appellant] heeft voorts onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat voorzienbaar was dat de bank niet zou meewerken aan de financiering van de verdeling zoals bepaald in het convenant. Immers in zijn mail van 24 mei 2010 aan mr. [advocaat] (memorie van antwoord, productie 24) schrijft [appellant] zelf:

Dit zijn mijn verdelingen en dit kunnen wij makelijk rond krijgen bij de bank : voor mij: [adres 3] te [plaats 3] , [adres 2] te [plaats 2] en [adres 1] te [plaats 4]. (…)

[ex-partner] : [adres 4] te [plaats 2] , [adres 5] te [plaats 1] en de kapsalon te [plaats 4] en [plaats 5] , voor de bank zal het geen probleem opleveren, want de Heer [medewerker van de bank] van fortis bank (…) zegt: [ex-partner] kan 450.000 euro lenning krijgen zonder de overwaarde van [plaats 1] (…)”

Voormeld voorstel tot verdeling is in het convenant opgenomen. Uit deze mail blijkt dat [appellant] op grond van informatie die hij bij de bank had ingewonnen, verwachtte dat de bank medewerking zou verlenen aan deze verdeling. Andersluidende informatie van de bank, gericht aan mr. [advocaat] na deze mail van 24 mei 2010 en vóór de totstandkoming van het convenant op 21 juni 2010 is niet gesteld of gebleken.

10.6.3.

Op 24 juni 2010 heeft [appellant] aan mr. [advocaat] bericht dat hij die dag de banken had gebeld en dat er volgens hen niks aan de hand was, dat het convenant bij de kredietafdeling lag en werd bestudeerd en dat zij daarna meer zouden horen (memorie van grieven, productie HB 50). Het voorgaande geeft aan dat de verwachting op dat moment nog steeds was dat de bank medewerking zou verlenen aan de uitvoering van het convenant.

10.6.4.

Het hof wijst voorts op de brief van mr. [advocaat] van 28 juli 2010 aan de advocaat van [ex-partner] (productie 4 bij de productielijst ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg), waaruit blijkt dat [appellant] van de bank “groen licht’ had gekregen voor de in het convenant vastgelegde verdelingsafspraken en dat zij, mr. [advocaat] van de advocaat van [ex-partner] wilde vernemen of [ex-partner] ook positief bericht had ontvangen van de bank. Uit dit bericht blijkt derhalve dat de voormelde verwachting dat de bank zou meewerken aan de zijde van [appellant] werkelijkheid was geworden en dat aan de zijde van [ex-partner] nog steeds de verwachting was dat de bank ook aan haar positief zou berichten.

10.6.5.

Bij mail van 5 augustus 2010 heeft mr. [advocaat] aan [appellant] bericht dat [ex-partner] daags daarna een afspraak had met de bank over de inhoud van het convenant met als doel te bewerkstelligen dat op de kortst mogelijke termijn groen licht wordt gegeven voor de in het convenant gemaakte afspraken, dat [ex-partner] inschatte dat het nog één à twee weken ging duren voordat duidelijkheid zou worden gegeven en dat zij, mr. [advocaat] , adviseerde om voormelde twee weken af te wachten (productie 5 bij de productielijst ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg). Dit bericht duidt er niet op dat er aan de zijde van [ex-partner] niet verwacht kon worden dat de bank niet zou meewerken aan het convenant.

10.6.6.

Gezien voormelde omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat mr. [advocaat] door hem, [appellant] , bij het aangaan van het convenant niet te waarschuwen voor het risico dat de bank niet zou meewerken aan de tussen partijen aangegane verdeling, tekort is geschoten in haar zorgplicht als advocaat jegens hem, [appellant] .

Het voorgaande brengt tevens mee dat door [appellant] onvoldoende naar voren is gebracht om te kunnen oordelen dat mr. [advocaat] in het convenant een uiterste datum had moeten laten opnemen waarop al of niet de medewerking van de bank had moeten zijn gegeven (memorie van grieven nr. 49. sub a).

Hetzelfde geldt voor het ontbreken van een alternatieve verdeling in het convenant; [appellant] heeft niet genoegzaam onderbouwd dat er aanleiding was om daarin te voorzien. Daar komt bij dat [appellant] niet voldoende naar voren heeft gebracht om tot de gevolgtrekking te komen dat indien mr. [advocaat] daarop zou hebben ingezet, partijen ten tijde van het aangaan van het convenant ook tot overeenstemming over een alternatief zouden zijn gekomen, temeer nu [appellant] zelf aanvoert dat partijen in ernstige onmin leefden en de onderhandelingen over de verdeling moeizaam waren verlopen.

Tenslotte brengt het voorgaande mee dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat mr. [advocaat] diende te waarschuwen voor de door [appellant] gestelde risico’s voor de gemeenschap (memorie van grieven nr. 49. sub b) en het ontbreken van regelingen om die risico’s tegen te gaan.

Adequaat handelen, informeren en adviseren over de juridische mogelijkheden na het convenant van 21 juni 2010?

10.7.1.

In de brief van de advocaat van [ex-partner] aan mr. [advocaat] van 22 oktober 2010 is bericht dat de bank niet haar medewerking zal verlenen aan de tussen partijen overeengekomen verdeling en dat partijen conform artikel 3.1. van het convenant opnieuw met elkaar in overleg dienen te treden omtrent de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

10.7.2.

Het hof merkt verder op dat [appellant] zelf stelt, dat toen eenmaal de medewerking van de bank definitief was afgewezen, waarbij [appellant] kennelijk doelt op voormelde brief van 22 oktober 2010, mr. [advocaat] hem, [appellant] voortdurend heeft gewezen op de noodzaak van verkoop van één of meer panden en van toestemming van [ex-partner] voor die verkoop en dat mr. [advocaat] heeft gecorrespondeerd met de advocaat van [ex-partner] over die toestemming (memorie van grieven nr. 57, laatste alinea). Hieruit blijkt dat na de afwijzing van de bank op 22 oktober 2010 kennelijk het in het convenant overeengekomen overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden en dat dit overleg zich heeft gericht op verkoop van panden.

Naar het oordeel van het hof komt het niet in strijd met de zorgplicht van mr. [advocaat] om voormeld tussen partijen overeengekomen overleg, hoe moeizaam ook, enige tijd te geven, voordat rechtsmaatregelen zouden worden genomen.

10.7.3.

Mr. [advocaat] heeft in een mail van 1 februari 2011 aan [appellant] aangegeven dat het mogelijk is om zijn verzoeken in de echtscheidingsprocedure te wijzigen en dat dan niet langer om toedeling van de panden aan hem, [appellant] , wordt gevraagd maar om veroordeling van [ex-partner] om mee te werken aan verkoop van de panden (productie 7 bij de productielijst ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg).

10.7.4.

In haar mail van 22 februari 2011 bericht mr. [advocaat] aan [appellant] dat aan de orde is geweest dat, indien [ex-partner] niet bereid zou zijn tot verkoop van (een van) de panden, getracht zou kunnen worden dit middels een kort geding procedure af te dwingen (productie 8 bij de productielijst ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg).

Door [appellant] is niet gesteld dat hij dit advies niet heeft begrepen en dat mr. [advocaat] heeft moeten begrijpen dat [appellant] haar advies niet begreep. Daarmee heeft [appellant] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat mr. [advocaat] had moeten nagaan of hij, [appellant] het advies van mr. [advocaat] had begrepen.

Voorts heeft mr. [advocaat] naar het oordeel van het hof niet ten onrechte in haar mail van 22 februari 2011 het woord “getracht” gebruikt omdat succes niet verzekerd was. In artikel 3:174 lid 1 BW is namelijk bepaald: “De rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. (…)”. Het betreft dus een discretionaire bevoegdheid van de rechter, waarbij ingeval van verweer van [ex-partner] alle omstandigheden aan beide zijden zouden zijn betrokken en afgewogen. [appellant] heeft niet gesteld dat [ex-partner] geen verweer zou hebben gevoerd tegen zijn, [appellant] ’s, vordering tot machtiging tot verkoop van de panden. Gelet op de brief van de advocaat van [ex-partner] van 29 april 2011 aan

mr. [advocaat] (memorie van grieven, productie HB 82), waarin eerstgenoemde aangeeft dat [ex-partner] niet bereid is om de aan verkoop verbonden kosten bij helfte te delen en dat [ex-partner] voor de verdeling vasthoudt aan de in het convenant overeengekomen waarde, blijkt niet dat [ex-partner] geen verweer zou voeren tegen een vordering als bedoeld in artikel 3:174 BW en dat zo’n verweer bij voorbaat kansloos zou zijn.

Verder heeft mr. [advocaat] in haar mail van 22 februari 2011 naar het oordeel van het hof niet ten onrechte vermeld dat een kort geding procedure substantiële extra kosten met zich mee zou brengen. Die kosten kunnen zich namelijk daadwerkelijk voordoen. Bovendien staat als onbetwist vast dat [appellant] enige rekeningen van mr. [advocaat] niet tijdig had betaald, zodat een waarschuwing ter zake van de kosten van mr. [advocaat] in geval van een kort geding niet als onterecht kan worden gezien.

Tenslotte is van belang dat [appellant] niet heeft gesteld dat hij mr. [advocaat] naar aanleiding van voormelde mail van 22 februari 2011 opdracht heeft gegeven tot het aanhangig maken van zo’n kort geding.

10.7.5.

In een mail van 10 mei 2011 (memorie van antwoord, productie 32) heeft

mr. [advocaat] aan [appellant] bericht dat zij een bespreking op kantoor hebben gehad, dat daarbij de juridische mogelijkheden van [appellant] nogmaals heel uitgebreid zijn besproken, dat is besproken dat de uitkomst van de gerechtelijke verdelingsprocedure zal moeten worden afgewacht, dat indien [appellant] van mening zou zijn dat nog andere acties ondernomen kunnen worden, zij, mr. [advocaat] , verzoekt om een afspraak te maken voor verder overleg. Niet is gesteld of gebleken dat zo’n verzoek door [appellant] is gedaan.

10.7.6.

[appellant] heeft voorts niet voldoende aangevoerd dat andere middelen, zoals ontbinding of ongeldigheid inroepen van regelingen in het convenant of maritaal beslag op huuropbrengsten, dan een kort geding vordering als bedoeld in artikel 3:174 BW het gestelde liquiditeitsprobleem van [appellant] zouden hebben kunnen oplossen.

10.7.7.

Gezien al het voorgaande, is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat mr. [advocaat] na het sluiten van het convenant [appellant] niet adequaat heeft geïnformeerd, geadviseerd en gehandeld en tekort is geschoten in haar zorgplicht.

10.8.

Uit het voorgaande volgt dat het bewijsaanbod van [appellant] als niet ter zake dienend moet worden gepasseerd, het hoger beroep ongegrond is zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] in de proceskosten in hoger beroep van ITP c.s. zal worden verwezen, omdat hij in het ongelijk is gesteld. Die kosten belopen het hierna in de uitspraak vermelde griffierecht en de advocaatkosten. De advocaatkosten worden conform het liquidatietarief begroot op € 2.682,- (tarief II in hoger beroep: € 894,- x <memorie van antwoord=1punt + pleidooi=2 punten>).

11 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ITP c.s. op € 718,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, L.S. Frakes en J.H.M. van Erp en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 april 2018.

griffier rolraadsheer