Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1512

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.194.102_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4011, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht, onderverzekering, reikwijdte zorgplicht assurantietussenpersoon, tekortschieten, schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 4, p. 210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.194.102/01

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

tegen

[de bank] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. O.J.W. Reijnders te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 september 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/203874/HA ZA 15-161 gewezen vonnis van 4 mei 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 september 2017;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 10 januari 2018 door [appellant] toegezonden producties, die bij pleidooi in het geding zijn gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft een datum voor arrest bepaald.

6 De beoordeling

6.1.

In overweging 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Voor zover die feiten niet zijn betwist, vormen die ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof gaat uit van de volgende voor dit hoger beroep relevante feiten.

a. a) [appellant] is eigenaar van een woonhoeve, staande en gelegen te [plaats]

aan de [adres] nr. [nummer 1] en [nummer 2] . Hij bewoont (een deel van) die woning aldaar met zijn gezin. Het woonhuis is een gedeeltelijk verbouwde carréboerderij.

b) [appellant] heeft zijn opstallen en inboedel sinds 1983, het jaar dat hij de onroerende zaak kocht, (deels) gefinancierd met hulp van [geïntimeerde] en verzekerd via [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon.

Door [geïntimeerde] overgelegde gespreksverslagen (prod. 6 bij CvA) vermelden onder meer:

“(…) 22-11-06

(…) Klant zou graag nu al willen weten wat zijn pand waard is, ze hebben veel tijd en geld gestoken in dit pand. Opdracht gegeven via [taxateur] (…)

15-12-06

(…) Klant geeft nog aan dat hij niet met [taxateur] in zee gaat, vindt taxatie te duur. Gaat zelf taxateur zoeken. Gewezen op belang van taxatie i.v.m. herbouwwaarde IP, deze kan gezien specifieke pand niet op een reguliere wijze berekend worden. Klant komt er nog op terug!”

16/6/2009 (…)

WOZ bedraagt ong. € 400.000,00 is nog een appartement aan het bouwen en wil als dit klaar is pand opnieuw laten taxeren voor woonhuisverz. e.d.. Verder geen aanpassingen.

(…)”

c) Op 7 juli 2013 is in de aangelegen stal/opstal van de directe buren van [appellant] een brand ontstaan, die is overgeslagen op het pand van [appellant] . Als gevolg van de brand is nagenoeg de gehele woning inclusief bijgebouwen en de zich daarin bevindende inboedel verloren gegaan.

d) Blijkens het polisoverzicht van de “ [verzekeringsmaatschappij] [polis] ” (met polisnummer [polisnummer] ) waarop staat “begindatum 12 april 2013” en “einddatum 11 april 2014” waren ten tijde van de brand, tegen betaling van een premie van € 64,92 per maand, de volgende bedragen verzekerd:

“(…) woonhuis incl. bijgebouwen, [adres] [nummer 1] , [postcode] [plaats]
dekking: top, verzekerd bedrag € 208.500
voorwaarden: 20203, 202W2
clausule: 1, 2, 3, 4
(…) stallen en bergplaats, [adres] [nummer 1] , [postcode] [plaats]
dekking: top, verzekerd bedrag € 101.200
voorwaarden: 20203, 202W2
clausule: 1, 2, 4
(…) woonhuis incl. bijgebouwen, [adres] [nummer 1] , [postcode] [plaats]
dekking: top, verzekerd bedrag € 96.500
voorwaarden: 20203, 202W2
clausule: 1, 4
(…) inboedel, [adres] [nummer 1] , [postcode] [plaats]
dekking: top, verzekerd bedrag € 58.900
voorwaarden: 20203, 202P2
clausule: 1
kostbaarhedenverzekering:
fotocamera, verzekerd bedrag € 800
dekking: kostbaarheden volgens bovenstaande specificatie
voorwaarden: 20203, 20253
clausule: 1
(…)”.

e) Op de woonhuisverzekeringen zijn de Bijzondere voorwaarden Woonhuisverzekering (model 202W2) van toepassing verklaard. Art. 5 “Hoe wordt de omvang van de schade vastgesteld” van deze voorwaarden luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“Onder meer aan de hand van de gegevens en inlichtingen die de verzekerde verstrekt, worden de omvang van de schade, de hoogte van de kosten en de waarde die de beschadigde zaken onmiddellijk vóór de gebeurtenis hadden, als volgt vastgesteld:

1. ofwel in onderling overleg;

2. ofwel bij onderling goedvinden door één expert;

3. (...)

Het taxatierapport van de expert(s) moet het volgende aangeven.
- de waarde van het verzekerde onmiddellijk vóór de gebeurtenis waarvoor de verzekering dekking biedt,
- de waarde van het verzekerde onmiddellijk na deze gebeurtenis,
- het verschil tussen beide eerdergenoemde waarden.
De taxatie van de expert(s) geldt als uitsluitend bewijs van de omvang van de schade.”

f) Art. 6 “Op welk bedrag wordt de schade vastgesteld” van deze voorwaarden luidt – voor zover van belang – als volgt:

1 Waardebasis voor de schadevaststelling
Verzekerde moet ons binnen 12 maanden na de schadedatum schriftelijk laten weten of hij het gebouw gaat herstellen of herbouwen.
a. Herstellen
(...)
Herbouwen
Bij herbouw op dezelfde plaats met dezelfde bestemming wordt de schade vastgesteld op het verschil tussen de herbouwwaarde direct vóór de gebeurtenis en de waarde van het overgebleven deel direct na de gebeurtenis.
(...)
Niet herstellen of herbouwen
Als de verzekerde niet overgaat tot herstel of herbouw geldt als schade het verschil tussen de verkoopwaarde onmiddellijk vóór de gebeurtenis rekening houdend met het gebruik van het gebouw en de waarde van het overgebleven deel onmiddellijk na de gebeurtenis.
De schade is echter nooit meer dan de schade berekend op basis van herstel of herbouw.
Verzekerde laat niets van zich weten
Heeft verzekerde ons niet binnen 12 maanden na de schadedatum schriftelijk laten weten of hij gaat herstellen of herbouwen dan geldt het volgende:
de schade wordt vastgesteld op het verschil tussen de verkoopwaarde onmiddellijk vóór de gebeurtenis en de waarde van het overgebleven deel onmiddellijk na de gebeurtenis. De schade is echter nooit meer dan de schade berekend op basis van herstel of herbouw.
Bijzondere situaties
1 Als schade geldt de sloopwaarde (...)
2 Als het gebouw (...) voor de schade:
- Leeg stond (...)
- Geheel of gedeeltelijk was gekraakt (...)

2 Schadevergoeding
De schadevergoeding is gelijk aan het bedrag aan schade en kosten dat door de expert(s) is vastgesteld rekening houdend met het onderstaande:
a. Onderverzekering
Als het verzekerde bedrag lager is dan de berekende waarde onmiddellijk vóór de gebeurtenis, dan vergoeden wij de schade gedeeltelijk. De verhouding tussen de uitkering en de schade is in dat geval dezelfde als de verhouding tussen het verzekerde bedrag en de berekende waarde.
De expertise, opruimings- en beredderingskosten vergoeden wij volledig tot de maximale verzekerde bedragen (...)
Garantie tegen onderverzekering
Als u garantie tegen de onderverzekering heeft, dan staat dat vermeld op uw verzekeringsbewijs. De garantie houdt in dat wij bij schade het verzekerde bedrag verhogen tot de herbouwwaarde van het gebouw onmiddellijk vóór de gebeurtenis. Voor toepassing van de garantie tegen onderverzekering gelden de volgende voorwaarden:
- het verzekerde bedrag is vastgesteld met een door ons goedgekeurd hulpmiddel;
- u heeft op ons verzoek binnen 60 dagen een nieuwe opgave van het verzekerde bedrag verstrekt;
- u heeft elke wijziging aan het gebouw, waardoor de herbouwwaarde hoger wordt, zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen 60 dagen na die verhoging, aan ons doorgegeven;
- u heeft alle informatie naar waarheid verstrekt.
Maxima en eigen risico
Wij vergoeden de schade tot de maximum verzekerde bedragen onder aftrek van eventuele eigen risico’s. (...)

3 Uitkering
Als de verzekerde recht heeft op een schadevergoeding die berekend is naar herbouwwaarde, dan keren wij eerst uit: ofwel 40% van de naar herbouwwaarde berekende schadevergoeding ofwel 100% van de naar verkoopwaarde berekende schadevergoeding als dit bedrag lager is. De rest van de schadevergoeding keren wij uit op basis van nota’s. De totale uitkering voor schade aan gebouwen is nooit méér dan de kosten die werkelijk besteed zijn voor herstel of herbouw. Als de verzekerde recht heeft op een schadevergoeding die berekend is naar verkoopwaarde of sloopwaarde, keren wij de schadevergoeding in één keer uit.”

g) De schadeopstelling van de door [verzekeringsmaatschappij] ingeschakelde expert, dhr. [expert] (hierna: [expert] ), d.d. 13 augustus 2013, vermeldt op pagina 1 (prod. 12 MvG):

Brandschade tnv [appellant]

Schadenummer [schadenummer]

Resume Herbouwwaarde Verkoopwaarde

Object 1 woonhuis € 984.100,89 € 254.297,67

Object 2 schuur/stallen € 280.013,11 € 115.533,11

Object 3 woonhuis [nummer 2] € 75.291,00 € 61.882,12

Totaal opstallen € 1.339.405,00 € 431.652,90

Inboedelschade € 58.900,00 € 58.900,00

Opruimkosten inboedel € 2.500,00 € 2.500,00

Verblijfskosten € 12.000,00 € 12.000,00

Totale inboedelschade € 73.400,00 € 73.400,00

Totale schade € 1.412.805,00 € 505.052,90

Betalingen

Verzekerde € 485.257,20

[derde] € 18.288,97

[onderneming] € 1.506,73”

Pagina 2 van deze opstelling vermeldt een totaal aan verzekerde bedragen voor de opstallen van € 406.200,= en een totaal herbouwwaarde van € 1.495.425,=. Het dekkingspercentage van de verzekerde bedragen ten opzichte van de herbouwwaarde is daar berekend op 27,2%. Uit de volgende pagina’s blijkt van een schadepercentage van 90% aan de objecten 1 en 2 en een schade van 33% aan object 3.

h) Blijkens een “AKKOORDVERKLARING Verkoopwaarde” (productie 3 bij dagvaarding) heeft [appellant] – voor zover thans van belang – op 13 augustus 2013 verklaard akkoord te gaan met een “verkoopwaarde” van € 505.052,90 (te weten: woonhuis/opstal in totaal € 431.652,90 + inboedel € 58.900,= + opruimkosten € 2.500,= en verblijfskosten € 12.000,=).
Blijkens een op diezelfde dag gedateerde “AKKOORDVERKLARING herbouwwaarde” heeft [appellant] eveneens verklaard akkoord te gaan met een “herbouwwaarde” van € 1.412.805,00 (te weten: woonhuis/opstal in totaal € 1.339.405,00 + inboedel € 58.900,= + opruimkosten € 2.500,= en verblijfskosten € 12.000,=).

i. i) Op 17 oktober 2013 heeft register makelaar-taxateur, drs. [register makelaar-taxateur] (hierna: [register makelaar-taxateur] ), in opdracht van [appellant] een taxatie uitgevoerd en de herbouwwaarde getaxeerd op € 1.575.000,=.

j) Per 12 november 2013 heeft [appellant] (via [geïntimeerde] ) de verzekerde bedragen van de woonhuisverzekeringen aan laten passen naar de door [register makelaar-taxateur] getaxeerde waarden. Per 29 september 2014 is de inboedelverzekering opgetrokken naar een verzekerd bedrag van € 82.689,=.

k) Door [verzekeringsmaatschappij] is aan [appellant] het hiervoor onder g) bij betalingen genoemde bedrag van € 485.257,20 uitgekeerd.

l) Bij brief van 19 juni 2014 heeft (de advocaat van) [appellant] [geïntimeerde] in hoedanigheid van assurantietussenpersoon aansprakelijk gesteld voor geleden schade als gevolg van het feit dat er ten tijde van de brand sprake was van onderverzekering, zowel bij de opstalverzekering als bij de inboedelverzekering.

m) [geïntimeerde] heeft elke aansprakelijkheid afgewezen.

6.2.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd - samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [appellant] op zijn woonhuis- en inboedelverzekering bij [verzekeringsmaatschappij] was onderverzekerd,

  2. voor recht te verklaren dat de [geïntimeerde] dienaangaande jegens [appellant] ernstig toerekenbaar is tekortgeschoten in haar taak,

  3. voor recht te verklaren dat [appellant] wegens deze onderverzekering schade heeft geleden en de [geïntimeerde] voor deze schade volledig aansprakelijk is,

  4. veroordeling van de [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 23.798,= (inboedelschade) en € 907.752,10 (opstal/woonhuisschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 en met € 1.710,63 (advocaatkosten),

  5. veroordeling van de [geïntimeerde] in betaling van de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de inboedelverzekering geoordeeld dat uit wat [appellant] heeft aangevoerd niet de conclusie volgt dat hij voor de inboedel onderverzekerd was. Ten aanzien van de woonhuisverzekering heeft de rechtbank het primair door [geïntimeerde] gevoerde verweer dat er geen schade is omdat daarvan niet blijkt nu de verzekeraar geen beroep heeft gedaan op onderverzekering, verworpen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] vanaf 2006 minimaal een keer per jaar bij [appellant] heeft geïnformeerd hoe het met de taxatie van de herbouwwaarde stond en dat [geïntimeerde] door dat niet te doen haar zorgplicht als assurantietussenpersoon jegens [appellant] heeft geschonden. Ten aanzien van de gevorderde schade heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] heeft nagelaten kosten te onderbouwen die als schade kunnen worden gekwalificeerd en dat de rechtbank daardoor niet heeft kunnen concluderen of en zo ja voor welk bedrag [appellant] was onderverzekerd en hoeveel schade hij ten gevolge van die mogelijke onderverzekering heeft geleden.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerde] aangaande de woonhuisverzekering is tekortgeschoten in haar taak als assurantiepersoon en [geïntimeerde] veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten als ook in de proceskosten. Voor het overige zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen.

6.4.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen, heeft in principaal appel twee grieven tegen het vonnis geformuleerd, geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis (het hof begrijpt: voor zover zijn vorderingen daarin zijn afgewezen) en tot het alsnog toewijzen van zijn in dit hoger beroep vermeerderde eis. In dit hoger beroep vordert [appellant] [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van – samengevat - :

1. terzake de inboedelschade primair € 23.789,=, althans subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander vermeerderd met wettelijke rente;

2. terzake de woonhuisschade primair € 979.369,60 p.m. , subsidiair € 907.752,10 p.m. of meer subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander vermeerderd met wettelijke rente,

3. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

6.5.

[geïntimeerde] heeft geen formele weren gevoerd tegen de wijziging van eis. Het hof zal de zaak hierna dan ook beoordelen met inachtneming van de gewijzigde eis. [geïntimeerde] heeft wel materieel verweer gevoerd, in voorwaardelijk incidenteel appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis (het hof begrijpt: voor zover daarin vorderingen van [appellant] zijn toegewezen) en het alsnog afwijzen van alle vorderingen van [appellant] .

De grieven in principaal en (voorwaardelijk)incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.6.

[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat na de brand is gebleken dat er sprake was van onderverzekering, zowel bij de inboedelverzekering als bij de woonhuisverzekeringen. [appellant] verwijt [geïntimeerde] te zijn tekortgeschoten in haar taak zorg te dragen voor een adequate verzekerde waarde. Verder verwijt [appellant] [geïntimeerde] na de brand niets te hebben gedaan om [appellant] te helpen bij het regelen en beperken van de schade die hij door de brand en door het onzorgvuldig handelen van [geïntimeerde] heeft geleden. [appellant] heeft gekozen voor herbouw. Er was sprake van onderverzekering, maar [verzekeringsmaatschappij] heeft hem coulance halve de maximaal verzekerde bedragen uitgekeerd. Die zijn echter niet voldoende om te herbouwen, aldus [appellant] .

Inboedelverzekering

6.7.

[appellant] klaagt (grief 1) over het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat er sprake is geweest van onderverzekering bij de inboedelverzekering. Dienaangaande heeft de rechtbank overwogen dat van onderverzekering niet blijkt uit de schadeberekening van [expert] (zie hiervoor onder 6.1. sub f) en dat daaraan niet afdoet dat [expert] aan [appellant] heeft meegedeeld dat de inboedel ‘total loss’ was. Ook heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake was van onderverzekering vanwege het feit dat de inboedel per 29 september 2014 is verzekerd tot een bedrag van € 82.689,= nu dat ruim een jaar na de brand is en niets zegt over de waarde op het moment van de brand.

6.8.

Het hof verwerpt die klacht. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank op dit punt en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Bovendien is het hof – zo er al sprake was van onderverzekering van de inboedel – van oordeel dat wat [appellant] heeft aangevoerd niet de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde] een verwijt te maken is van het ontstaan van de beweerde onderverzekering.

In dit hoger beroep heeft [appellant] als productie 13 een lijst in het geding gebracht, waarin is opgesomd welke inboedelgoederen er in elke kamer zouden hebben gestaan en welke waarde die zouden hebben gehad, opgeteld tot een bedrag van € 98.980,=. Ook heeft [appellant] zijn verwijzing naar de waarde per 29 september 2014 herhaald en aangevoerd dat laatstgenoemde waarde tot stand is gekomen gebruik makend van de inboedelwaardemeter. [geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd dat (zo die lijst al als bewijs van de waarde voor de brand kan worden beschouwd, wat wordt betwist) een forse onderverzekering als gesteld uitsluitend kan ontstaan door aanschaf van nieuwe inboedel en dat het de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] was en is om jaarlijks, in elk geval naar aanleiding van toezending van het nieuwe polisblad, na te gaan of het verzekerde bedrag voor de inboedelverzekering nog klopt. Een dergelijke waardestijging van inboedelgoederen ontstaat immers niet door het verstrijken van de tijd. Dat verweer slaagt.

Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, was het niet aan [geïntimeerde] om jaarlijks de waarde van zijn inboedel te bepalen. Terecht heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat van haar niet kan worden verlangd [appellant] te adviseren over (wijzigingen in) een situatie waar zij niet van op de hoogte is. Bij dit oordeel weegt het hof ook dat uit door [geïntimeerde] in het geding gebrachte berichten van [verzekeringsmaatschappij] blijkt dat door deze aan [appellant] in 2012 nog een inboedelwaardemeter is toegezonden, die door [appellant] niet is ingevuld (waardoor de garantie voor onderverzekering verviel) en dat door [verzekeringsmaatschappij] ook is gevraagd of de huidige polis nog aansloot bij zijn persoonlijke situatie, waarop hij niet heeft geantwoord. Dat die correspondentie afkomstig is van [verzekeringsmaatschappij] en niet van [geïntimeerde] doet aan de op [appellant] rustende eigen verantwoordelijkheid niet af. Dat die correspondentie [appellant] niet zou hebben bereikt, zoals door hem gesteld, acht het hof niet waarschijnlijk nu [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi desgevraagd heeft erkend dat hij (wel) jaarlijks polisbladen ontving. Daarbij heeft [appellant] ook verklaard dat hij de polisbladen eigenlijk niet bekeek, naar het hof begrijpt in het vertrouwen dat [geïntimeerde] hem wel zou waarschuwen als er iets mee moest. Zoals hiervoor is overwogen was dat vertrouwen waar het gaat om de inboedelverzekering in elk geval niet gerechtvaardigd.

Grief 1 in principaal appel faalt.

Woonhuisverzekeringen

6.9.

[appellant] bestrijdt verder het oordeel van de rechtbank dat zijn schadevordering ter zake van schade voortvloeiend uit de onderverzekering van de opstallen moet worden afgewezen omdat een onderbouwing van de schade ontbreekt en de rechtbank niet kan concluderen of en zo ja voor welk bedrag [appellant] was onderverzekerd en hoeveel schade hij ten gevolge van die mogelijke onderverzekering heeft geleden.

Onderverzekering

6.10.

[appellant] voert onder deze grief allereerst aan dat vast staat dat [expert] de schade naar herbouwwaarde heeft bepaald op € 1.339.405,= en dat door [verzekeringsmaatschappij] slechts € 431.652,90 is uitgekeerd, waarmee vast staat dat er sprake was van onderverzekering.

6.11.

[geïntimeerde] betwist dat blijkt van onderverzekering, waarbij zij wijst op art. 6 lid 2 sub a van de polisvoorwaarden (zie citaat hiervoor onder 6.1. sub e), waarin is bepaald dat in geval van onderverzekering de schade slechts gedeeltelijk wordt vergoed: de verhouding tussen de uitkering en de schade is in dat geval dezelfde als de verhouding tussen het verzekerde bedrag en de berekende waarde. Nu [verzekeringsmaatschappij] niet een dergelijke korting wegens onderverzekering heeft toegepast, is er geen sprake van onderverzekering. De stelling van [appellant] dat [verzekeringsmaatschappij] coulance-halve zou zijn overgegaan tot vergoeding van de (volledige) schade berekend naar verkoopwaarde, wordt ook door [geïntimeerde] betwist bij gebrek aan wetenschap.

6.12.

Het hof verwerpt die verweren van [geïntimeerde] . [appellant] heeft zijn stelling dat er sprake was van onderverzekering onderbouwd met de schadeopstelling van [expert] , in het bijzonder met de daarin opgenomen berekening van het dekkingspercentage van de verzekerde bedragen ten opzichte van de herbouwwaarde op 27,2%. Waarom die berekening de conclusie dat er sprake was van onderverzekering niet zou rechtvaardigen ontgaat het hof. In elk geval heeft [geïntimeerde] die onderbouwde stelling van [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken met de enkele verwijzing naar de polisvoorwaarden en de enkele betwisting dat er sprake zou zijn geweest van een coulance-vergoeding bij gebrek aan wetenschap. Dat geldt temeer nu van [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon van [appellant] (wat zij nog steeds is) verwacht mag worden dat zij het schadedossier kent, althans dat in elk geval eenvoudig bij [verzekeringsmaatschappij] kan opvragen. De stelling van [geïntimeerde] ter gelegenheid van het pleidooi ingenomen dat zij door [appellant] niet is betrokken bij de schadeafwikkeling, kan daaraan niet afdoen, nog daargelaten het feit dat [appellant] onweersproken heeft aangevoerd dat hij van [geïntimeerde] niets meer heeft vernomen nadat zijn huidige contactpersoon bij de [geïntimeerde] direct na de brand één keer langs is geweest met de vraag wat zij kon doen en hij daarop heeft geantwoord dat hij blijkbaar onderverzekerd was met de vraag wat nu te doen.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de vaststelling dat er bij de woonhuisverzekering sprake was van onderverzekering. In zoverre slaagt grief 2 in principaal appel.

Zorgplicht bij woonhuisverzekering

6.13.

De vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade als gevolg van de onderverzekering van de opstallen, stelt [geïntimeerde] aan de orde met haar grief 2 in (voorwaardelijk) incidenteel appel.

6.14.

Met deze grief maakt [geïntimeerde] allereerst bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat bij een woonhuisverzekering van een assurantietussenpersoon mag worden verwacht dat hij periodiek de verzekerde waarde toetst aan de werkelijke herbouwwaarde. [geïntimeerde] begrijpt daaruit dat de rechtbank van mening is dat, als de verzekerde zelf de verzekerde waarde niet laat taxeren, de bank zelf eventuele taxaties moet laten uitvoeren.
Dit betoog verwerpt het hof omdat het berust op een onjuiste lezing van het vonnis.
De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de zorgplicht van de [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon zover gaat dat zij zelf taxaties zou moeten laten uitvoeren als de verzekeringnemer dat niet doet.

6.15.

De rechtbank heeft– kort samengevat - overwogen dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon bij een woonhuisverzekering mag worden verwacht dat hij periodiek de verzekerde herbouwwaarde toetst aan de werkelijke herbouwwaarde door de verzekeringnemer eigener beweging jaarlijks op het gevaar van onderverzekering te wijzen en door daarnaast zelf jaarlijks te onderzoeken of er gevaar van onderverzekering dreigt op andere gronden dan gebouwelijke wijzigingen, bijvoorbeeld door de stijging van het algemeen prijspeil. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de zorgplicht van een assurantietussenpersoon niet zo ver gaat dat deze enige tijd nadien dient te controleren of zijn advies is opgevolgd.

6.16.

Het tweede bezwaar van [geïntimeerde] tegen het oordeel van de rechtbank betreft het minimaal eenmaal per jaar eigener beweging moeten wijzen op het gevaar van onderverzekering. [geïntimeerde] voert aan dat dit niet in het algemeen gesteld kan worden. Of en hoe vaak een assurantietussenpersoon moet waarschuwen voor het gevaar van onderverzekering is steeds afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, zo voert [geïntimeerde] aan. Daarbij acht [geïntimeerde] het oordeel dat [geïntimeerde] haar zorgplicht heeft geschonden omdat zij vanaf 2006 niet minimaal eenmaal per jaar bij [appellant] heeft geïnformeerd hoe het met de (in 2006 geadviseerde) taxatie van de herbouwwaarde stond, niet juist, omdat haar zorgplicht (getuige het oordeel van de rechtbank) niet zover ging dat zij ook moest controleren of [appellant] haar advies had opgevolgd.

6.17.

Dit bezwaar kan [geïntimeerde] niet baten. Volgens vaste rechtspraak wordt, als het gaat om zorgplichten rondom onderverzekering van opstallen, van de assurantietussenpersoon gevergd dat deze proactief tegen onderverzekering blijft waken en (ook) dat deze dit periodiek controleert. De aard en omvang van de gevolgen van onderverzekering kunnen groot zijn, de klant is hier niet altijd op bedacht maar van de assurantietussenpersoon mag wel worden verwacht dat die beroepshalve bekend is met dit fenomeen. Bovendien is onderverzekering in beginsel vrij eenvoudig te voorkomen via een periodieke controle. Naar het oordeel van het hof wordt de plicht tot het periodiek controleren op het punt van onderverzekering niet opgeheven door een eenmalig advies over te gaan tot taxatie ter voorkoming van onderverzekering (zo al gegeven, wat door [appellant] wordt betwist).
Uit de door [geïntimeerde] zelf overgelegde aantekeningen uit haar dossier blijkt dat zij in 2006 met [appellant] concrete afspraken heeft gemaakt over het laten uitvoeren van een taxatie door [appellant] , waarbij zij [appellant] (in tweede instantie) heeft gewezen op het belang daarvan in verband met de herbouwwaarde (zie onder 6.1.b). Weliswaar heeft [geïntimeerde] vervolgens van [appellant] nooit de afgesproken taxatie ontvangen, maar gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] na 2006 op enig moment nog bij [appellant] gevraagd heeft hoe het ermee stond, laat staan dat zij periodiek nog heeft gecontroleerd en [appellant] heeft gewezen op het risico van onderverzekering bij het uitblijven van de taxatie. Desgevraagd heeft [appellant] verklaard dat hij zich het belang van de taxatie ter voorkoming van onderverzekering niet bewust is geweest, dat [geïntimeerde] hem daar nooit expliciet op heeft gewezen en dat er ook geen jaarlijkse gesprekken over de verzekeringen hebben plaatsgevonden, maar dat hij enkel jaarlijks polisbladen ontving. [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken en desgevraagd ter gelegenheid van het pleidooi duidelijk gemaakt dat in beginsel jaarlijks (slechts) de polis naar de verzekerde wordt gestuurd in de verwachting dat de verzekerde er zelf melding van maakt als er iets niet klopt.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze feiten de conclusie dat [geïntimeerde] bij de woonhuisverzekering in elk geval na 2006 niet meer proactief is blijven waken tegen onderverzekering en ook niet meer periodiek gecontroleerd heeft, noch dat [geïntimeerde] [appellant] expliciet heeft gewezen op het risico van onderverzekering als taxatie uitbleef. Het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] bij de woonhuisverzekering is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, wordt dan ook gedeeld door het hof. Dat betekent dat [geïntimeerde] de schade die daaruit voortvloeit voor [appellant] , dient te vergoeden.

De schade
6.18. Met grief 2 in principaal appel bestrijdt [appellant] (ook) het oordeel van de rechtbank dat hij heeft nagelaten zijn schade te onderbouwen en dat de vorderingen van [appellant] sub 1, 3 en 4 moeten worden afgewezen.

6.19.

Nu [appellant] in dit hoger beroep zijn eis heeft gewijzigd (zie hiervoor onder 6.4) en geen verklaringen voor recht meer vordert, heeft (dit deel van) deze grief alleen nog relevantie voor wat betreft het afwijzen van de schadevorderingen. Daarnaast heeft het hof hiervoor (in r.o. 6.7 en 6.8) geoordeeld dat er geen grond is voor de gevorderde inboedelschade. Met betrekking tot de gevorderde woonhuisschade oordeelt het hof als volgt.

6.20.

Aan woonhuisschade vordert [appellant] primair een bedrag van € 979.369,60 subsidiair € 907.752,10. [appellant] berekent die bedragen stellende dat wanneer [geïntimeerde] haar zorgplicht(en) niet had geschonden hem een bedrag van € 1.575.00,= (de door [register makelaar-taxateur] getaxeerde herbouwwaarde, althans tenminste de door [expert] op basis van herbouwwaarde berekende schade ten bedrage van € 1.339.405,= zou zijn uitgekeerd. Het verschil tussen deze bedragen en het werkelijk aan hem uitgekeerde bedrag van € 431.652,90 is dan de gevorderde schade.

6.21.

[geïntimeerde] bestrijdt dat de schade op deze wijze moet worden berekend. Zij wijst erop dat voor berekening van de schade een vergelijk moet worden gemaakt tussen de situatie zoals deze in werkelijkheid is met de situatie zoals de vermoedelijk zou zijn geweest als [geïntimeerde] haar zorgplicht niet had geschonden. Dan is de vraag volgens [geïntimeerde] (i) wat [appellant] zou hebben gedaan, of hij als gevolg van een periodieke onderverzekeringscontrole van [geïntimeerde] wel een taxatie naar herbouwwaarde had laten uitvoeren en (ii) of dat ertoe zou hebben geleid dat er dan een hoger bedrag verzekerd zou zijn geweest dan in 2013 het geval was, als ook (iii) welk bedrag [verzekeringsmaatschappij] in dat geval zou hebben uitgekeerd.

Zou [appellant] voor een hoger bedrag verzekerd zijn geweest, dan zou [verzekeringsmaatschappij] (uitgaande van de polis) gehouden zijn geweest om na aftrek van eigen risico maximaal het verzekerde bedrag uit te keren, maar nooit meer dan de kosten die werkelijk zijn besteed voor herstel of herbouw (art. 6 lid 2 onder c en lid 3), aldus [geïntimeerde] .

6.22.

Als algemeen uitgangspunt voor berekening van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding geldt dat [appellant] zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien [geïntimeerde] haar zorgplicht niet zou hebben geschonden, met andere woorden wanneer [geïntimeerde] wel jaarlijks zou hebben gecontroleerd of er sprake was van onderverzekering en [appellant] zou hebben gewezen op de noodzaak van een taxatie ter voorkoming van die onderverzekering.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met het enkel stellen van de hiervoor opgesomde drie vragen onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [appellant] de in 2006 geadviseerde taxatie wel had laten uitvoeren als hij door [geïntimeerde] was gewezen op het risico van onderverzekering. Op welke herbouwwaarde het huis dan getaxeerd zou zijn, is speculeren, maar nu door [geïntimeerde] geen feiten zijn gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de herbouwwaarde in die jaren zou zijn getaxeerd op een lager bedrag dan door [expert] berekend, houdt het hof het ervoor dat die herbouwwaarde zou zijn getaxeerd en (onder dezelfde voorwaarden) zou zijn verzekerd. Dat is dan de hypothetische situatie waar bij de schadeberekening van moet worden uitgegaan.

6.23.

Het hof verwerpt daarbij de stelling van [appellant] dat die herbouwwaarde zou moeten worden berekend op het door [register makelaar-taxateur] getaxeerde bedrag nu [geïntimeerde] hem niet heeft geholpen bij de schadeafwikkeling en hem niet heeft gewezen op het recht van een contra-expertise. Zonder nadere toelichting op het verschil in waardering (die ontbreekt), rechtvaardigt het enkele feit dat [register makelaar-taxateur] tot een hoger bedrag komt niet de conclusie dat de herbouwwaarde op dat bedrag moet worden vastgesteld.

6.24.

Anders dan [appellant] aanvoert betekent het voorgaande niet dat de door [geïntimeerde] te vergoeden schade moet worden vastgesteld op de door [expert] op basis van herbouwwaarde berekende schade ten bedrage van € 1.339.405,= minus het werkelijk aan hem uitgekeerde bedrag van € 431.652,90.
Terecht wijst [geïntimeerde] erop dat de woonhuisverzekering een schadeverzekering betreft en voert zij, onder verwijzing naar het indemniteitsbeginsel en het bepaalde in art. 6 lid 3 van de polisvoorwaarden, aan dat de totale uitkering nooit meer zal zijn dan de kosten die werkelijk besteed zijn aan herstel of herbouw. In zoverre slaagt grief I in incidenteel appel, waarmee [geïntimeerde] aan de orde stelt dat zij niet tot meer gehouden kan worden dan waartoe [verzekeringsmaatschappij] zou zijn gehouden op basis van de in de hypothetische situatie afgesloten verzekering.

6.25.

Met betrekking tot de werkelijk gemaakte kosten heeft [appellant] aangevoerd dat hij het werk noodgedwongen allemaal zelf, alsmede door familie en vrienden heeft moeten laten doen en dat het werkelijk aan hem uitgekeerde bedrag inmiddels zo goed als op is, maar dat de herbouw nog niet voltooid is en hij met het restant de herbouw ook niet kan voltooien. Uit de door [appellant] overgelegde bonnen en afgelegde verklaringen acht het hof voldoende aangetoond dat er tot 1 januari 2017 een bedrag van afgerond € 400.000,= aan de herbouw is besteed. De vraagtekens die [geïntimeerde] bij die nota’s tot een bedrag van ruim € 20.000,= aantekent, acht het hof ter gelegenheid van het pleidooi door [appellant] voldoende weerlegd. Dat er nadien nog herbouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden is gesteld noch gebleken, zodat het hof er vanuit gaat dat er € 400.000,= is besteed om het pand terug te brengen in de staat waarin het thans verkeerd.

6.26.

De stellingen van [appellant] dat hij uit een oogpunt van bezuinigen geen oorspronkelijke materialen heeft kunnen gebruiken zoals bijvoorbeeld eiken dakspanten in plaats van de thans gebruikte stalen dakspanten en dat er (alsnog) moet worden vergoed op basis van naar objectieve maatstaven te berekenen normale herstelkosten die zouden zijn gemaakt indien hij bekwame reparateurs zou hebben ingeschakeld omdat hij dan met gemak een bedrag van € 1.3 miljoen euro zou zijn kwijt geweest, passeert het hof. Vast staat dat de herbouw voor een belangrijk deel gerealiseerd is, waarbij gebruik is gemaakt van het budget dat [appellant] ter beschikking stond. Gesteld noch gebleken is dat daarbij noodgedwongen concessies zijn gedaan die gevolgen hebben voor de (markt)waarde van het pand of anderszins tot schade hebben geleid, die voor vergoeding in aanmerking komt.
Uitgaande van het indemniteitsbeginsel, betreft de door [geïntimeerde] te vergoeden schade dan alleen nog het bedrag dat (boven het nog te besteden restant van de uitgekeerde som, te weten € 31.652,90) nodig is om de herbouw te (laten) voltooien.

6.27.

Ter bepaling van dat bedrag heeft het hof behoefte aan deskundige voorlichting. Daartoe zal het hof een deskundigenonderzoek bevelen. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:

a) Uitgaande van de staat waarin het pand verkeert, welke werkzaamheden acht u nog nodig om de herbouw van het pand naar de staat waarin het pand verkeerde vlak vóór de brand te voltooien.

b) Welke kosten zullen naar uw deskundige inschatting gemoeid zijn met de uitvoering van de onder vraag a) door u benoemde werkzaamheden.

c) Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door het hof te geven oordeel over de schade ?

6.28.

Het voorschot op de kosten van de deskundige zal ten laste van [geïntimeerde] worden gebracht. Partijen kunnen zich bij akte – bij voorkeur eensluidend - uitlaten over de deskundigheid, de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen.

6.29.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2018 voor akte uitlaten over de deskundigheid, de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen door beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.C.J. van Craaikamp en J.W.M. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 april 2018.

griffier rolraadsheer