Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1501

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
-
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nu verdachte inmiddels door een daartoe bevoegde rechter is veroordeeld kan het beroep op de regel dat de verdachte in beginsel zijn berechting in vrijheid mag afwachten niet slagen.

In geval er sprake is van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de vrijheidsbeneming van de verdachte berust op artikel 5 lid 1 sub a EVRM is er naar het oordeel van het hof slechts ruimte voor schorsing van de voorlopige hechtenis wanneer zich bijzondere, zwaarwichtige omstandigheden voordoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer Hof: [parketnummer]

Parketnummer 1e aanleg: [parketnummer]

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien het verzoekschrift d.d. [datum] , binnengekomen bij het hof op [datum] , ingediend namens:

naam

[verdachte]

voornamen

[verdachte]

geboren

[geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te

[adres]

adres

[adres]

thans verblijvende in

[detentieplaats]

strekkende tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gehoord in raadkamer van dit hof de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

Bij separate beschikking van heden heeft het hof de gevangenhouding met 120 dagen verlengd.

Namens verdachte is gesteld dat verdachte het recht heeft zijn berechting in vrijheid af te wachten. De verdachte heeft in beginsel dat recht zo lang er sprake is van een detentie gebaseerd op artikel 5 lid 1 sub c van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Dat is echter anders wanneer er sprake is van een berechting door een daartoe bevoegde rechter. In dat geval berust de vrijheidsbeneming op artikel 5 lid 1 sub a EVRM en is het recht om de berechting in vrijheid af te wachten niet zonder meer van toepassing nu die berechting immers heeft plaatsgevonden. Nu verdachte inmiddels door een daartoe bevoegde rechter is veroordeeld kan het beroep op de regel dat de verdachte in beginsel zijn berechting in vrijheid mag afwachten niet slagen. Nu de gronden voor de voorlopige hechtenis nog onverkort van kracht zijn, zal het hof het verzoek tot opheffing afwijzen.

Ten aanzien van het verzoek tot schorsing overweegt het hof als volgt.

In geval er sprake is van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de vrijheidsbeneming van de verdachte berust op artikel 5 lid 1 sub a EVRM is er naar het oordeel van het hof slechts ruimte voor schorsing van de voorlopige hechtenis wanneer zich bijzondere, zwaarwichtige omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortduring van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Daaraan doet niet af dat het vonnis nog niet onherroepelijk is. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd, noch is het hof anderszins van het bestaan ervan gebleken.

De enkele omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, een omstandigheid overigens waar de rechtbank bij de straftoemeting rekening mee heeft gehouden, en de wens naar huis te mogen terugkeren en naar de aldaar verblijvende honden zijn naar het oordeel van het hof geen omstandigheden die, na een veroordelend vonnis, het persoonlijk belang zo zeer verzwaren dat op grond daarvan het maatschappelijk belang dient te wijken. Het hof heeft er kennis van genomen dat de voorlopige hechtenis van verdachte eerder is geschorst en dat voor zover het hof bekend verdachte zich tijdens die schorsing aan de aan hem opgelegde gewijzigde voorwaarden heeft gehouden. Echter na een veroordeling door een daartoe bevoegde rechter dient een hernieuwde afweging van belangen plaats te vinden, waarbij in beginsel aan het belang van de samenleving meer gewicht toekomt.

Het hof wijst af het verzoek tot schorsing.

BESCHIKKENDE

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan op 5 april 2018 door mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van

mw. B. Yazi, griffier.

Fiat betekening en tenuitvoerlegging:

's-Hertogenbosch,

De advocaat-generaal,

Gezien d.d.

De directeur van