Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1492

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
200.233.291_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3534
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijsaanbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 5 april 2018

Zaaknummer : 200.233.291/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01-326710 / FT RK 17/974

C/01/326712 / FT RK 17/976

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellante] ,

2. [appellant] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellante] respectievelijk [appellant]

advocaat: mr. L.T.M. Keet te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 7 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2018, hebben [appellante] en [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] en [appellant] , bijgestaan door mr. Keet.

Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw [klantmanager van Kredietbank Nederland] , klantmanager van Kredietbank Nederland.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 januari 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] en [appellant] d.d. 27 februari 2018;

- de brief met bijlagen van 22 maart 2018 van de advocaat van [appellante] en [appellant] .

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] en [appellant] hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] en [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 81.695,41.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord zijn gegaan.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellante] en [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe in beide zaken op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] en [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

2.4. Verzoekers hadden naar het oordeel van de rechtbank moeten begrijpen dat ze van zowel de voorgenomen betalingen aan de oud-werknemer als het feit dat verzoekster een baan had gevonden hun budgetbeheerder onmiddellijk op de hoogte hadden moeten stellen. Dat ze dit niet hebben gedaan acht de rechtbank verwijtbaar. Indien de oud-werkneemster meende een vordering op verzoekers te hebben had zij haar vordering. zoals alle andere schuldeisers, kunnen indienen bij de schuldhulpverlener van verzoekers zodat onderzocht had kunnen worden of er rechtsgronden aanwezig waren deze vordering op de schuldenlijst te plaatsen. Verzoekers hebben er echter voor gekozen de oud-werknemer tijdens een schuldhulptraject heimelijk een bedrag van € 4.000,-- te betalen en gelijktijdig andere schuldeisers niet betaald.

2.5.

Uit de gedingstukken blijkt verder dat verzoeker van 1 december 2015 tot 1-6-2017 een bedrag van € 6.578,78 ten onrechte heeft ontvangen van het UWV. Er is door verzoekers verzuimd tijdig een verandering in het gezinsinkomen door te geven. Het UWV classificeert de terugvordering als fraudevordering en heeft bij brief van 10 augustus 2017 laten weten van plan te zijn een boete van € 1.584,66 op te leggen.

Met betrekking tot terugvordering van het UWV verwijst de rechtbank naar ''Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling" (hierna: Bijlage IV) behorend bij het procesreglement Verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (hierna: het Procesreglement). Daarin is onder meer het volgende bepaald; "Van een situatie als bedoeld in artikel 288 eerste lid. aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel genoemde periode van vijf jaar (..) de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting. Een terugvordering door een uitkeringsinstantie die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel ook te worden aangemerkt als een vordering welke niet te goeder trouw is ontstaan.

Ter zitting heeft mevrouw [klantmanager van Kredietbank Nederland] verklaard echter dat deze vordering inmiddels volledig is betaald van het gereserveerde geld op de beheerrekening. Er zou een tijd lang onterecht een toeslag aan verzoeker zijn uitbetaald welke later is verrekend. Toen het minnelijk traject ging starten wist mevrouw [klantmanager van Kredietbank Nederland] dat deze terugvordering zou komen en zij heeft er toen geld voor opzij gezet. Op het moment dat de terugvordering kwam kon het bedrag volledig vanaf de beheerrekening worden betaald. Er is voor volledige betaling aan het UWV gekozen omdat een fraudevordering aldaar zowel een minnelijk traject als een wettelijk schuldsaneringstraject belemmert. Uit het verzoekschrift blijkt voorts dat het spaarsaldo op de beheerrekening € 573,93 is en dat er maandelijks een spaarcapaciteit is van € 353,75, Hieruit volgt dat vrijwel de gehele spaarcapaciteit uit het minnelijke traject, en niet slechts de opzij gezette teveel ontvangen toeslag, is aangewend om de fraudevordering UWV te voldoen. De rechtbank vindt het zorgelijk dat een schuldhulpverlener/budgetbeheerder de rechten van gezamenlijke schuldeisers op deze wijze veronachtzaamt. De spaarcapaciteit had immers evenredig onder alle schuldeisers verdeeld behoren te worden. Met het selectief betalen van deze, in beginsel verwijtbare schuld, door de budgetbeheerder is verzoekers bovendien de mogelijkheid ontnomen deze verwijtbaarheid ten overstaan van de rechtbank te weerleggen. Daarbij komt dat het 'wegpoetsen' van recente verwijtbare schulden ten nadele van andere schuldeisers niet getuigt van een saneringsgezinde houding.

2 .6. Het is de rechtbank verder gebleken dat verzoeker bij brief van 25 mei 2017 door het UWV voor 25-35% arbeidsongeschikt is bevonden. Ter zitting heeft verzoeker verklaard niet op zoek te zijn naar een baan omdat hij meent helemaal niet te kunnen werken. Mevrouw [klantmanager van Kredietbank Nederland] heeft daaraan toegevoegd dat de klachten van verzoeker zijn verergerd. Vast staat dat verzoeker nog vrij recent slechts deels arbeidsongeschikt is bevonden. Wanneer verzoeker het daarmee niet eens is, had het op zijn weg gelegen deze beslissing aan te vechten. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker dit heeft gedaan. Hiermee staat het door het UWV bepaalde percentage van arbeidsongeschiktheid vast. Van verzoeker mag derhalve verwacht worden dat hij zijn uiterste best doet om een passende betaalde baan te vinden om zo het gezinsinkomen te vergroten. Dit heeft verzoeker niet gedaan. De rechtbank acht het voorgaande verwijtbaar.

3.4.

[appellante] en [appellant] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] en [appellant] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

3.4.1.

Ten aanzien van de betaling aan mevrouw [de schoonzus] merken partijen het volgende op. [appellante] kon al haar thuiswerkers betalen, op haar schoonzus na. Deze schuld is bij de eerste MSNP door [appellante] doorgegeven. Bij het tweede traject was de schuld inmiddels ingelost. [appellante] is tot betaling van deze schuld overgegaan, omdat de schoonzus herhaaldelijk om betaling heeft gevraagd. Dit is ook besproken met de kredietbank en men heeft aangegeven dat [appellante] dit zelf diende te regelen. Het budgetbeheer was namelijk vrijwillig en de budgetcoach had beschikking over voldoende financiële middelen om alle vaste lasten te kunnen betalen. Partijen hebben derhalve het advies van de kredietbank opgevolgd en zich vervolgens ingespannen om een gedeelte van hun schuldenproblematiek op te lossen, door mevrouw [de schoonzus] te betalen.

3.4.2.

Ook wensen partijen concreet in te gaan op de betaling aan het UWV. Nadat [appellante] een baan had gevonden, heeft zij aan mevrouw [medewerker van de kredietbank] van de kredietbank gevraagd of partijen dit dienden te melden bij het UWV. Mevrouw [medewerker van de kredietbank] gaf vervolgens aan dat dit niet nodig was. In 2017 werd [appellante] bekend dat zij het wel had moeten doorgeven en is dit besproken met mevrouw [klantmanager van Kredietbank Nederland] van de kredietbank. Zij heeft vervolgens geld gereserveerd om het UWV te kunnen voldoen. Het geld is vervolgens betaald, voordat het WSNP-traject is opgestart. De boete als oorspronkelijk opgelegd is, nadat partijen hun kant van het verhaal hadden verteld, ingetrokken. Ook omtrent deze schuld hebben partijen derhalve de adviezen van de kredietbank opgevolgd. Daarnaast zijn de schuldeisers niet benadeeld als gevolg van de betaling aan het UWV. Het inkomen van [appellante] leidt namelijk niet tot een hogere afloscapaciteit. Als gevolg van het werken, ontvangt [appellant] minder vanuit het UWV (de toeslagenwet wordt dan afgebouwd). Kortom, had [appellante] het wel doorgegeven, dan was er minder uitbetaald.

3.4.3.

Naar aanleiding van de overweging van de rechtbank dat de heer [appellant] meer inspanningen had dienen te verrichten om betaald werk te genereren, voert [appellant] aan. Door Baanbrekers te [vestigingsplaats] is destijds aangegeven dat de heer [appellant] vanwege zijn gezondheid niet hoefde te solliciteren. Hij kampt namelijk met diverse medische problemen; zo kampt hij met een rughernia, heeft hij psychische problematiek, afwijkende schildklierwaarden en een verhoogd cholesterol. De heer [appellant] deelt de mening van het UWV niet dat hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Daar komt bij dat het partijen niet bekend was dat zij een beslissing omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid (hadden) kunnen aanvechten.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] en [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

[appellant] heeft om een herbeoordeling verzocht bij het UWV ter zake van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Daarnaast heeft [appellant] op 5 april 2018 een eerste afspraak met de psycholoog.

[appellante] is door haar rug gegaan en is op dit moment niet in staat om te werken.

Er is contact geweest met budgetbeheer op welke wijze [appellante] en [appellant] het achterstallig salaris aan de schoonzus zouden kunnen uitbetalen.

Budgetbeheer heeft aan [appellante] en [appellant] aangegeven dat zij de betaling aan de schoonzus wegens achterstallig salaris zelf moeten regelen. [appellante] is daarop vier maanden gaan werken bij een uitzendbureau om de schoonzus terug te kunnen betalen. Het salaris van het uitzendbureau is op een aparte rekening gestort.

De broer en schoonzoon van [appellante] hebben in totaal € 5.500,-- betaald om de omzetbelasting te kunnen betalen. Dat bedrag moet in beginsel wel worden terugbetaald, maar als dat niet lukt, vinden ze dat niet erg. Er is over deze lening niets op papier gezet, ook niet dat [appellante] en [appellant] deze bedragen moeten terugbetalen.

De geldlening is niet op de 284-verklaring vermeld.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen door en namens [appellante] en [appellant] naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat het zich vooralsnog onvoldoende voorgelicht acht om in deze zaak een weloverwogen beslissing te kunnen nemen ter beantwoording van de vraag of voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] en [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest.

3.6.3.

Het hof wenst met name nader geïnformeerd te worden over het navolgende.

UWV (terugvordering € 6.578,78 plus boete € 1.584,66):

a. Welke bedragen zijn door [appellante] en [appellant] aan het UWV terugbetaald wegens een ten onrechte ontvangen uitkering en/of toeslag en/of boete?

b. Was dit bedrag uitsluitend afkomstig van de gereserveerde teveel ontvangen bedragen van het UWV of is hiervoor ook het spaarsaldo op de beheerrekening aangesproken?

Ter ondersteuning van dit antwoord wenst het hof tevens te vernemen hoeveel er gespaard is op de beheerrekening vanaf de datum dat [appellante] en [appellant] gebruik zijn gaan maken van budgetbeheer, te weten 7 april 2014. Het hof wenst op dat punt met name alle rekeningafschriften van de beheerrekening vanaf laatstgenoemde datum te ontvangen.

c. In het beroepschrift (onder no. 17) is vermeld dat de boete is ingetrokken. Het bewijsstuk daarvan dient nog aan het hof overgelegd te worden.

Betaling € 4.000,= achterstallig loon schoonzus:

d. Wat was de exacte hoogte van het achterstallig salaris van de schoonzus en ex-werknemer van [appellante] ? Breng de daarop betrekking hebbende loonspecificaties uit die tijd in het geding.

e. Was budgetbeheer op de hoogte van het uitzendwerk dat [appellante] verrichtte en van het rekeningnummer waarop haar salaris werd gestort?

f. Waarom is dat salaris niet naar budgetbeheer overgemaakt en toegevoegd aan het spaarsaldo ten behoeve van alle schuldeisers?

Verdere vragen:

g. De lening van de broer en schoonzoon ten behoeve van de betaling van de door [appellante] verschuldigde omzetbelasting ontbreekt op de 284-verklaring.

Wat is daarvan de reden?

Is, gelet hierop, het aanbod in de buitengerechtelijke schuldregeling wel naar behoren verlopen?

Ontbreken er meerdere schulden?

h. Van productie 5 bij brief van 22 maart 2018 (brief belastingdienst) ontbreekt de eerste bladzijde). Het hof wenst alsnog de volledige brief met bijlage(n)van de belastingdienst te ontvangen.

3.6.4.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de behandeling van de zaak

vooralsnog voor een periode van 3 maanden aanhouden, teneinde [appellante] en [appellant] in

de gelegenheid te stellen de hierboven gestelde vragen te beantwoorden, voorzien van alle relevantie bewijsstukken.

Na ontvangst van deze bescheiden zal het hof op basis van de inhoud daarvan bepalen of de

zaak op de stukken kan worden afgedaan dan wel dat een hernieuwde mondelinge

behandeling moet worden bepaald.

3.7.

De beslissing in deze zaak luidt als volgt:

4 De uitspraak

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak met het rechtsoverweging 3.6.3. in rechte overwogen oogmerk aan tot woensdag, 20 juni 2018 om 09.00 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.