Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
200.218.267_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1896
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Omgangsregeling.

Bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank voor zover daarbij de vader is verboden om voor een periode van twee jaar contact te hebben met het minderjarige kind van partijen en het verzoek van de moeder tot verkrijging van het eenhoofdig gezag is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 april 2018

Zaaknummer: 200.218.267/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/286710 / FA RK 14-5808

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.C. Serrarens,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.J.I. van den Branden.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juni 2017, heeft de vader het hof verzocht hem in hoger beroep ontvankelijk te verklaren en de voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft het contactverbod en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat er na een korte opbouwperiode waarbij de omgang wordt begeleid door een professional er weer een zorgregeling zal zijn tussen de vader en de na te noemen minderjarige van een weekend per veertien dagen van vrijdag tot zondag, waarbij de moeder de minderjarige om 18:30 uur op station [plaats] afgeeft aan de vader en waarbij de vader de minderjarige terugbrengt op 18:30 uur op station [plaats] , waarbij er een telefoonnummer zal worden overhandigd waar partijen naartoe kunnen bellen in geval van vertraging van het openbaar vervoer. De ID-kaart van de minderjarige zal bij elke overdracht worden afgegeven aan de andere ouder. In geval van ziekte van de minderjarige dient er een bewijs van de huisarts te worden verstrekt. Voorts verzoekt de vader het hof te bepalen dat hij de helft van de krokusvakantie, paasvakantie, zomervakantie, herfstvakantie en kerst- en nieuwjaarsvakantie met de minderjarige zal doorbrengen. Waarbij de vader in de oneven jaren zijn keuze, voor welke helft hij wenst, uit kan spreken en de moeder in de even jaren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2017, heeft de moeder het hof verzocht het beroep van de man af te wijzen en de beschikking waarvan beroep voor zover daarin aan de vader een verbod voor de duur van twee jaar is opgelegd om contact te hebben met de hierna te noemen minderjarige, waarbij dit contact tevens geldt in of bij de kleuter- en basisschool “de Zonnebloem” aan het adres [adres] te [vestigingsplaats] , België, te bekrachtigen.

Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarin haar verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag is afgewezen en opnieuw rechtdoende, eventueel onder aanvulling van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarige alsnog toe te wijzen.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 20 september 2017, heeft de vader het hof verzocht het incidenteel appel van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Serrarens alsmede door mr. T. Bauwens, advocaat te Brussel, België, welke laatste door mr. Serrarens is geïntroduceerd bij het hof middels het hierna te noemen V6-formulier van 27 februari 2018;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van den Branden;

  • -

    de raad vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    een uittreksel van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 maart 2017;

  • -

    de brief van de raad d.d. 23 augustus 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 9 februari 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 13 februari 2018;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vader d.d. 27 februari 2018;

  • -

    de door de advocaat van de moeder ter zitting overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie van partijen is geboren: [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [de minderjarige] erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

[de minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Middelburg van 24 augustus 2011 is bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan d.d. juli 2011 deel uitmaakt van de beschikking.

3.2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 november 2013 is voormelde beschikking gewijzigd voor wat betreft de zorgregeling en een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.2.2.

Bij beschikking van voormelde rechtbank van 6 april 2016 is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat er voorlopig omgang in het kader van de zorgregeling zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] op c.q. met een door de omgangsbegeleiding nader te bepalen wijze, frequentie en duur, met in achtneming van hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 4.5. is bepaald. De rechtbank heeft in afwachting van de rapportage van het omgangshuis, iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de vader verboden om contact te hebben met [de minderjarige] voor een periode van twee jaar vanaf heden, waarbij dit verbod tevens geldt in of bij de kleuter- en basisschool “De Zonnebloem” aan het adres [adres] te [vestigingsplaats] , België.

De rechtbank heeft voorts verstaan dat de moeder de vader - via de advocaten - eens per kwartaal informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen in het leven van [de minderjarige] en haar ontwikkelingen op school, met daarbij een recente foto.

3.4.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. De vader acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat zij geen contact met hem heeft. Daarnaast stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte aan de beslissing ten grondslag heeft gelegd dat hij niet goed kan communiceren met Juvent. Tot slot heeft de rechtbank volgens de vader ten onrechte overwogen dat hij van deze periode gebruik dient te maken om te werken aan zijn persoonlijke problematiek.

3.6.

De moeder heeft deze grieven gemotiveerd betwist.

3.7.

De moeder stelt in haar incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, haar verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] heeft afgewezen.

De vader heeft tegengewerkt bij het nemen van beslissingen met betrekking tot [de minderjarige] en de moeder acht het uitgesloten dat tussen partijen een situatie zal ontstaan waarin zij tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in staat zijn. De moeder meent daarom dat haar verzoek tot wijziging van het gezag alsnog dient te worden toegewezen aangezien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat bij voortduring van het gezamenlijk gezag [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen en deze situatie niet binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren en een wijziging gezien het voorgaande ook anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

3.8.

De vader heeft de door de moeder gestelde grief in incidenteel appel gemotiveerd betwist.

3.9.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , via de moeder en zonder professionele hulp, bijna onmogelijk is. De afgelopen jaren is alles in het werk gesteld om de omgangsregeling op te starten. Dit traject is, ondanks hulp van diverse instanties, niet gelukt. Die situatie is thans ongewijzigd aanwezig en het is op dit moment te vroeg om een ander standpunt ten aanzien van de omgang in te nemen. De raad adviseert de vader om voor zichzelf met professionele hulp een traject te starten, gericht op zijn persoonlijke problematiek en voorzien van een duidelijke hulpvraag. Daarbij dient aandacht te zijn voor de belangen van [de minderjarige] en de moeder.

Op deze manier ontstaat er mogelijk ruimte om in de toekomst een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] te laten slagen.

Voor een beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader bestaan er naar de mening van de raad geen concrete aanwijzingen.

De raad heeft het hof derhalve geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.10.

Het hof acht zich, voor zover de vader heeft verzocht om een (nieuw) onderzoek door de raad naar de mogelijkheden van een zorgregeling te laten doen, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Dat verzoek wordt derhalve gepasseerd.

Gezag

3.10.1.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen.

3.10.2.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.10.3.

Naar het oordeel van het hof is sprake van een wijziging van omstandigheden nu tussen partijen sinds de beëindiging van hun relatie de verstandhouding is verslechterd hetgeen ook geldt voor de onderlinge communicatie.

Niet gebleken is echter dat hierdoor een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

De stellingen van de moeder dat de vader het nooit eens is met haar beslissingen met betrekking tot [de minderjarige] , dat hij het niet zal nalaten haar tegen werken bij het nemen van dergelijke beslissingen, reden waarom zij bij voorbaat af ziet van buitenlandse reizen omdat zij problemen met de vader voorziet en zij vreest dat hierin binnen afzienbare tijd geen verandering zal komen, zijn door de vader gemotiveerd betwist. De moeder heeft deze stellingen daarop niet nader met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd.

De door de moeder beschreven situatie, inzake de aanvraag van een identiteitskaart voor [de minderjarige] , is, nog daargelaten de vraag wat er precies is gebeurd, onvoldoende om aan te nemen dat de verstandhouding dermate ernstig is verstoord dat deze een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in weg staat.

Op dit moment zijn er geen althans onvoldoende concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de vader de moeder daadwerkelijk bij beslissingen inzake [de minderjarige] tegenwerkt. In ieder geval verwacht het hof van de man dat hij dat in de toekomst ook niet zal doen.

Tot slot acht het hof het van belang dat de vader in staat blijft om het recent door hem met de school van [de minderjarige] gelegde contact - waarbij hij de zogenoemde nieuwjaarsbrief krijgt toegestuurd - kan voortzetten en op die manier omtrent [de minderjarige] geïnformeerd kan blijven.

Zorgregeling

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.11.2.

De rechter kan een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden.

De rechter kan dientengevolge een tijdelijk contactverbod opleggen indien:

( a) contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

( b) de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact;

( c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen contact met zijn ouder heeft doen blijken;

( d) contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.11.3.

Tussen partijen is in geschil of het belang van [de minderjarige] vereist dat een tijdelijk verbod aan de vader wordt opgelegd om met haar contact te hebben.

3.11.4.

Het hof begrijpt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de vader, kort samengevat, het niet in het belang van [de minderjarige] acht dat zij op geen enkele wijze contact met hem heeft. De vader en [de minderjarige] hebben altijd een hechte band gehad. Dat zij elkaar lange tijd niet hebben gezien maakt dat vader erg emotioneel is. Ook is de vader gefrustreerd geraakt door de gebeurtenissen van de afgelopen jaren en het feit dat het niet gelukt is om met de moeder tot een vaste omgangsregeling ten aanzien van hem en [de minderjarige] te komen. Verder heeft de vader gesteld dat hij aan zijn persoonlijke problematiek heeft gewerkt, zelfstandige woonruimte en inkomsten uit een uitkering heeft. Hoewel hij op dit moment niet onder begeleiding van een psycholoog staat, kan hij - indien nodig - op ieder moment hulp inschakelen.

3.11.5.

De moeder heeft benadrukt dat zij, na jarenlang te hebben geprobeerd om te komen tot een redelijk verlopende omgangsregeling, waarbij [de minderjarige] tevens een periode onder toezicht is gesteld, thans geen energie daarvoor meer kan opbrengen. De slechte verstandhouding tussen partijen heeft een grote druk bij de moeder neergelegd, hetgeen ook zijn weerslag heeft op [de minderjarige] . Het ontbreekt de vader aan zelfinzicht en hij is niet bereid gebleken om aan zich zelf te werken. Nu er geen contact meer is, is het rustiger. Het gaat goed met [de minderjarige] en zij ontwikkelt zich goed.

3.11.6.

Het hof sluit aan bij hetgeen door de raad ter zitting is geadviseerd. Zonder professionele hulp is (het opstarten van) een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] niet mogelijk.

Door het gedrag en de houding van de vader is de ouderschapsbemiddeling bij Juvent medio december 2016 vroegtijdig beëindigd. De vader is namelijk, ondanks verzoeken van Juvent om hiermee te stoppen, doorgegaan met het uiten van beschuldigingen naar medewerkers. Ter zitting is betoogd dat de vader door zijn frustraties mogelijk als intimiderend of bedreigend kan worden ervaren hetgeen geenszins zijn bedoeling is geweest. Dit neemt niet weg dat juist dit gedrag van de vader de mogelijkheden om tot begeleide omgang te komen, hindert.

Daarbij komt dat de vader, zo volgt uit de stukken en hetgeen namens de moeder in haar verweerschrift is aangevoerd, ernstige verwijten is blijven maken aan het adres van de moeder. Hij blijft, tot zelfs zeer recent, de moeder via email-berichten op een intimiderende en bedreigende toon benaderen. Ook ter zitting van het hof heeft de man dit gedrag ten aanzien van de vrouw laten zien.

Hoewel het hof begrijpt dat de vader - vanwege het feit dat hij al een lange periode geen contact heeft gehad met [de minderjarige] - hierover verdrietig is en hierdoor snel boos en geïrriteerd reageert, is het juist van groot belang dat de vader laat zien dat hij zelfinzicht heeft en juist werkt aan zijn gedrag en houding.

Zoals de raad reeds in het raadsrapport van 5 januari 2016 heeft verwoord moeten de ouders, in het belang van [de minderjarige] , tot een constructieve samenwerking komen. Omwille van [de minderjarige] dient er derhalve een situatie te komen waarbij de ouders leren alleen omtrent [de minderjarige] te communiceren, op een neutrale wijze zonder de andere ouder te diskwalificeren, en zich strikt houden aan de gemaakte afspraken. De man heeft laten zien, ook nog ter zitting, dat hij professionele hulp nodig heeft om te werken aan zijn persoonlijke problematiek en om daarmee (eventueel) herstel van het contact tussen hem en [de minderjarige] mogelijk te maken. Uit niets is gebleken dat het gedrag en de houding van de vader in de afgelopen tijd zijn veranderd dan wel dat de vader enig initiatief tot persoonlijke hulpverlening heeft ondernomen. Zijn stelling dat hij psychologische begeleiding heeft gehad en dat hij, zodra hij een hulpvraag heeft, deze hulp onmiddellijk weer kan krijgen, is op geen enkele manier met concrete gegevens onderbouwd.

Het hof acht het noodzakelijk dat de vader deze professionele hulp daadwerkelijk zoekt. Aan enige omgang onder begeleiding van de Belgische raadsman van de vader wordt, nog daargelaten de vraag of deze begeleiding voldoende waarborg zou kunnen bieden, reeds op grond van het voorgaande niet toegekomen.

3.12.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat contact met de vader anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] , zodat sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW.

De rechtbank heeft het verzoek van de vader derhalve terecht afgewezen.

3.13.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 maart 2017,voor zover het betreft het gezag en de omgang;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt en is op 5 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.