Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
200.217.926_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele

Het verzoek tot opheffing van de ondercuratelestelling wordt afgewezen omdat de noodzaak voor de ondercuratelestelling nog steeds bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 januari 2018

Zaaknummer: 200.217.926/01

Zaaknummer eerste aanleg: 5463561 CU VERZ 16-293

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. McKernan.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- de heer [belanghebbende] h.o.d.n. VDZ Budgetbeheer & Bewindvoering (hierna te noemen: de curator).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, Team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, van 16 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 juni 2017, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van [appellant] alsnog toe te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen, waarnemend voor mr. McKernan;

  • -

    de curator;

  • -

    de heer [medewerker van VDZ Budgetbeheer & Bewindvoering] , werkzaam bij VDZ Budgetbeheer & Bewindvoering.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 maart 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van [appellant] op 8 december 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 10 juli 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, over de goederen die [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld.

3.2.

Voorts is ten behoeve van [appellant] een mentorschap ingesteld.

3.3.

Bij beschikking van 14 augustus 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, [appellant] onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van de heer [belanghebbende] tot curator.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot opheffing van de ondercuratele-stelling afgewezen.

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

[appellant] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de oorzaken die destijds tot de ondercuratelestelling aanleiding hebben gegeven nog steeds bestaan. [appellant] stelt dat hij zich tijdens de ondercuratelestelling positief heeft ontwikkeld. [appellant] heeft geen nieuwe contracten meer afgesloten, hij is onder behandeling van een psycholoog en hij ontvangt thuisbegeleiding. [appellant] handelt niet meer impulsief en hij is niet meer gemakkelijk door derden te beïnvloeden. [appellant] stelt dat hij door de ondercuratelestelling in zijn dagelijkse leven wordt beperkt. [appellant] moet voor alles overleg plegen met de curator en heeft niet de zekerheid dat de zaken die de curator moet regelen ook daadwerkelijk worden geregeld. Voorts wordt er slecht door de curator gecommuniceerd. [appellant] is van mening dat zijn belangen voldoende kunnen worden behartigd door een minder ingrijpende maatregel, zoals een beschermingsbewind met daarnaast eventueel een mentorschap. [appellant] is thans in staat om zaken zelf te regelen. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep de door de curator gestelde gedragingen weersproken.

3.7.

De curator voert ter zitting van het hof – kort samengevat – aan dat de ondercuratele-stelling van [appellant] nog steeds noodzakelijk is. [appellant] heeft in de afgelopen periode de curator niet laten zien dat hij in staat is om verstandige beslissingen te nemen. [appellant] heeft onder meer – onder druk van de woningbouwvereniging – zijn huur opgezegd. Dankzij de ondercuratelestelling heeft de curator dit ongedaan kunnen maken. Voorts heeft [appellant] het geld dat de curator aan hem had overgemaakt voor een nieuwe milieupas en een nieuw rijbewijs voor andere doeleinden aangewend. [appellant] heeft verder de inlogcodes en zijn emailadres bij zijn telefoonprovider veranderd, waarna hoge telefoonrekeningen zijn ontstaan. [appellant] pleegt onder druk van derden fraude. De curator heeft van de psycholoog en van het Veiligheidshuis vernomen dat [appellant] niet behandelbaar en niet bereikbaar is.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:389 lid 2 BW kan de kantonrechter de curatele opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de curator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 1:379 BW, alsmede ambtshalve.

Ter beoordeling van het hof ligt thans de vraag voor of de ondercuratelestelling van [appellant] dient te worden opgeheven dan wel dient te worden omgezet in een minder verstrekkende voorziening.

3.8.3.

Bij beschikking van de kantonrechter van 10 juli 2014 is bewind ingesteld over alle goederen die [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, welk bewind bij de beschikking van 14 augustus 2015 is omgezet in een ondercuratelestelling. De reden voor de omzetting was blijkens die beschikking gelegen in het feit dat [appellant] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn belangen niet behoorlijk kon waarnemen en dat een voldoende behartiging van die belangen niet met het bewind kon worden bewerkstelligd. Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie thans dusdanig is gewijzigd dat de noodzaak van de ondercuratelestelling niet langer bestaat.

Het hof is – anders dan [appellant] – van oordeel dat de noodzaak van de curatele nog steeds bestaat. Het hof verwijst in dat kader naar de ter zitting van het hof door de curator genoemde voorbeelden betreffende gedragingen van [appellant] , die door [appellant] niet afdoende zijn weersproken. Het door de curator aangehaalde voorbeeld van de door [appellant] – onder druk van de woningbouwvereniging – opgezegde huur, maakt tevens duidelijk dat de curatele nog zinvol is en er niet met een minder verstrekkende maatregel kan worden volstaan.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, Team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, van 16 maart 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.D.M. Lamers en P.M.M. Mostermans en is op 18 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.