Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1423

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
200.205.770_01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

geding na verwijzing door HR bij arrest van 25 maart 2016 (zaaknr 14/04433, ECLI:NL:HR:2016:502). Gebruiksvergoeding Motorboot. Vermeerdering van eis na verwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.205.770/01

arrest van 3 april 2018

in de zaak na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 25 maart 2016 (zaaknr 14/04433, ECLI:NL:HR:2016:502)

van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als: de man,

advocaat: mr. T.M. Subelack te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna aan te duiden als: de vrouw,

niet verschenen in het geding na verwijzing.

1 Het geding in feitelijke instanties en in cassatie.

Het hof verwijst voor het geding in feitelijke instanties en in cassatie naar voormeld arrest van de Hoge Raad, alsmede naar het onder zaaknummer/ rolnummer 37863/HA ZA 01-154 gewezen vonnis van de rechtbank Zutphen van 3 december 2008 (en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 26 april 2001, 21 november 2002, 13 september 2006) en de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2010, 6 november 2012, 20 augustus 2013 en 20 mei 2014 met zaaknummer 200.023.037.

2 Het geding na verwijzing.

2.1.

De man heeft, na de verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 25 maart 2016, bij exploot van 12 december 2016 de vrouw opgeroepen om op 20 december 2016, vertegenwoordigd door een advocaat, te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof
‘s-Hertogenbosch.

De vrouw is daarop niet verschenen.

Vervolgens heeft de man een memorie na verwijzing genomen, met één productie.

De man heeft het procesdossier van de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Zutphen en het hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, overgelegd alsmede de stukken van de procedure in cassatie.

Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

3 Feiten en procesverloop.

3.1.

Uitgegaan kan worden van de feiten en van het procesverloop zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016. Het hof zal deze feiten en dat procesverloop, voor zover in de procedure na verwijzing van belang, hierna opnieuw weergeven en – voor zover voor de beoordeling in het geding na verwijzing van belang – aanvullen.

Het gaat in dit geding om het volgende.

(i) Partijen zijn op 29 november 1967 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

Hun huwelijk is op 21 januari 2000 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 november 1999 in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) De ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen omvatte onder meer

een motorboot (hierna: de boot).

(iii) De rechtbank Zutphen heeft in een afzonderlijk gevoerde procedure de boot bij beschikking van 26 oktober 2007 toegedeeld aan de man tegen een vergoeding aan de vrouw van een bedrag van € 44.050,- wegens overbedeling (productie 15 bij de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van de vrouw d.d. 12 april 2008 in eerste aanleg).

3.2.1.

De rechtbank Zutphen heeft in de onderhavige procedure betreffende de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in (rov. 2.10 van) het eindvonnis van 3 december 2008 het standpunt van de man verworpen dat de door hem met betrekking tot de boot gemaakte kosten in de verdeling moeten worden betrokken.

3.2.2.

De man is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van de rechtbank Zutphen alsmede van de daaraan vooraf gegane vonnissen van 21 november 2002 en 13 september 2006.

De man heeft (onder meer en voor zover van belang) een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank ter zake de kosten van de boot in de bestreden vonnissen en – na wijziging van eis – in hoger beroep gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van de vrouw alsnog zal afwijzen, althans de vrouw haar vorderingen zal ontzeggen en de vorderingen van de man alsnog zal toewijzen, in die zin dat de vrouw, naast de vorderingen ter zake de toedeling van de tot de gemeenschap behorende bestanddelen, primair en subsidiair wordt veroordeeld om aan de man een bedrag € 102.963,72 te voldoen en meer subsidiair een bedrag van € 2.650,53, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. De man heeft daartoe – voor zover het de kosten van de boot betreft – gesteld stelt dat hij vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk (21 januari 2000) tot de verdeling in 2007 in totaal een bedrag van € 203.032,33 heeft uitgegeven ten behoeve van de boot. Dit betreft kosten voor onderhoud, ligplaats, verzekering en telefoon-, auto- en advocaatkosten. Volgens de man dient de vrouw de helft van dit bedrag (€ 101.516,17) aan hem te betalen.

3.2.3.

De vrouw heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en harerzijds incidenteel appel ingesteld, welk appel in de procedure na verwijzing geen rol meer speelt.

3.2.4.

Het gerechtshof Arnhem heeft in het tussenarrest van 11 mei 2010 overwogen en beslist dat de vrouw een gedeelte van de door de man ten behoeve van de boot gemaakte kosten voor de helft voor haar rekening dient te nemen (rov. 4.6, 4.8, 4.11 en 4.13 van het arrest van 11 mei 2010). Voorts heeft het hof geoordeeld dat alleen de man in de periode 2001-2007 (het tijdvak tussen de echtscheiding en de toedeling van de boot aan de man) het gebruik van de boot heeft gehad, en dat het redelijk is dat de man voor dat gebruik een vergoeding wegens gederfd gebruik en genot aan de vrouw betaalt. Het hof heeft die vergoeding per jaar vastgesteld op vier procent van de helft van de waarde van de boot. Het hof heeft het bedrag van deze vergoeding (in totaal € 40.300,-) in mindering gebracht op het bedrag dat de vrouw aan de man dient te betalen in verband met de voor de boot gemaakte kosten (rov. 4.10 en 4.13 van het arrest van 11 mei 2010) zodat de vrouw (rov. 4.13 van het tussenarrest van 11 mei 2010) per saldo een bedrag van € 40.551,40 aan de man diende te betalen, zijnde het saldo van door de vrouw aan de man te betalen kosten van € 12.129,62 (advocaatkosten) + € 50.375,- (onderhoudskosten) + € 18.346,78 (ligplaats, verzekeringen en vergunningen) minus de door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding van

€ 40.300, -

3.2.5.

In het eindarrest van 20 mei 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in rov. 2.11, onder verwijzing naar het arrest van 10 mei 2010 geconcludeerd dat de vrouw ter zake de boot per saldo een bedrag van € 40.551,40 aan de man moet voldoen en bij dit eindarrest, zoals verbeterd bij beslissing van het hof van 22 juli 2014, (onder meer en voor zover thans van belang) de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 40.551,40 ter zake de boot.

3.2.6.

De man heeft een uit drie onderdelen bestaand cassatiemiddel ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Arnhem(-Leeuwarden) van 11 mei 2010, 6 november 2012, 20 augustus 2013 en 20 mei 2014.

Onderdelen 1 en 3 van het cassatiemiddel hebben geen doel getroffen. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel daarentegen wel. Met dit onderdeel richtte de man zich tegen de toekenning door het hof in rov. 4.10 van het tussenarrest van 10 mei 2010 van een gebruiksvergoeding aan de vrouw ter zake de boot. De man klaagde dat het hof deze vergoeding heeft toegekend zonder dat de vrouw een gebruiksvergoeding op grond van art. 3:169 BW had gevorderd. Aldus heeft het hof in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 23 Rv. Indien het hof zelf uit de stellingen van de vrouw heeft opgemaakt dat zij een gebruiksvergoeding verlangde, heeft het hof in strijd gehandeld met de lijdelijkheid die hem ingevolge art. 24 Rv past, althans geen toereikende motivering gegeven, aldus de man.

Ten slotte heeft de man in onderdeel 2 van het cassatiemiddel erover geklaagd dat het hof eraan voorbij is gegaan dat de man in hoger beroep had bestreden dat hij met uitsluiting van de vrouw het gebruik van de boot had.

3.2.7.

De Hoge Raad overweegt ten aanzien van dit onderdeel 2 van het cassatiemiddel:

“ 3.5. (….) Zoals de man (…) terecht aanvoert, heeft de vrouw in dit geding geen gebruiksvergoeding gevorderd. Indien het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat het een zodanige vordering heeft toegewezen, is het derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Voor zover in dit verband van belang heeft de vrouw echter nog wel, als verweer tegen de vordering van de man tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de boot heeft gemaakt, aangevoerd dat het redelijk is dat de man die kosten volledig draagt omdat alleen hij in de desbetreffende periode het gebruik van de boot heeft gehad (zie rov. 4.9 van het tussenarrest van het hof van 11 mei 2010). Indien het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat het dit verweer gedeeltelijk heeft gehonoreerd, is het niet kenbaar ingegaan op de betwisting van dat verweer door de man, zoals in de toelichting op het onderdeel wordt aangevoerd”.

3.2.8.

De Hoge Raad heeft in het principale beroep in cassatie, in verband met het slagen van onderdeel 2 van het cassatiemiddel, de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2010, 6 november 2012, 20 augustus 2013 en 20 mei 2014 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

In het door de vrouw ingestelde incidentele beroep in cassatie heeft de Hoge Raad het beroep verworpen.

4 De beoordeling na verwijzing.

4.1.1.

De man heeft in de memorie na verwijzing geconcludeerd dat het hof het door de vrouw aan de man te betalen bedrag ter zake de kosten van de boot dient vast te stellen op een bedrag van in hoofdsom € 80.851,40 en dat op dit bedrag géén door de man aan de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding in mindering dient te worden gebracht. De vrouw dient door het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog veroordeeld te worden om aan de man een bedrag van € 80.851,40 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderscheidenlijke delen van deze hoofdsom vanaf de data als genoemd onder punt 2.2. van de memorie na verwijzing tot aan de dag van de algehele voldoening.

4.1.2.

De man heeft in de memorie na verwijzing hiertoe – kort gezegd – gesteld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding omdat zij deze niet gevorderd heeft en voor zover sprake is van een verweer tegen de vordering van de man, zij niet het exclusief gebruik van de boot door de man heeft gesteld, laat staan – tegenover de gemotiveerde betwisting door de man – bewezen.

4.2.1.

Het hof stelt voorop dat het hof als het gerecht waarnaar het geding is verwezen de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd verwezen, met inachtneming van die uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij geldt als regel dat de verwijzingsrechter gebonden is aan alle niet- of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen.

4.2.2.

Het voorgaande betekent dat na verwijzing - nu de door vrouw tegen de beslissingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter zake ingediende cassatieklachten geen doel hebben getroffen - als vast staand dient te worden aangenomen dat de vrouw in beginsel gehouden is aan de man ter zake de kosten van de boot een bedrag van in totaal € 80.851,40 te voldoen. In verband met het slagen van het tweede cassatiemiddel van de man staat thans uitsluitend ter beoordeling of op het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag voor de kosten van de boot van € 80.851,40 een bedrag in mindering moet worden gebracht vanwege een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding.

4.3

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

4.3.1.

Vast staat dat de vrouw in het geding voor verwijzing geen gebruiksvergoeding heeft gevorderd zodat hierin geen grond kan worden gevonden voor het toekennen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw. Het hof verwijst in dit verband naar rov 3.5. van het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016 (zie rov. 3.2.7. hiervóór).

4.3.2.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de vrouw aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding op grond van het door haar in de procedure - tegen de vordering van de man tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de boot heeft gemaakt - gevoerde verweer dat het redelijk is dat de man die kosten volledig draagt omdat alleen hij in de desbetreffende periode het gebruik van de boot heeft gehad.

4.3.3.

Bij deze beoordeling stelt het hof voorop dat in artikel 3:169 BW tot uitgangspunt wordt genomen dat (tenzij een regeling anders bepaalt) iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere(n) gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde(n) een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie). De enkele omstandigheid dat een deelgenoot feitelijk de enige van de deelgenoten is die gebruik maakt van het goed, is op zichzelf en in beginsel niet toereikend om te zijnen laste een gebruiksvergoeding toe te kennen. Essentieel is de uitsluiting van de andere deelgenoot (vgl. conclusie A-G bij het arrest van de Hoge Raad in de onderhavige zaak: ECLI:NL:PHR: 2015: 2480, onder 2.4.). Het gaat, met andere woorden, dus niet om de vraag óf de man de boot al dan niet gebruikte, maar of hij het exclusieve gebruiksrecht (en dus met uitsluiting van de vrouw) van de boot had.

4.3.4.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, mede gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt van artikel 3:169 BW dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, en mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die – indien bewezen – tot de conclusie kunnen leiden dat de man de boot heeft gebruikt met uitsluiting van de vrouw als mede-deelgenoot.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.3.5.

In eerste aanleg heeft de rechtbank Zutphen in het vonnis van 3 december 2008 het verweer van de vrouw tegen de vordering van de man tot vergoeding van de door hem in verband met de boot gemaakte kosten als volgt samengevat:

“2.9. (De vrouw) voert verweer tegen deze vordering. Zij is van mening dat de onkosten buitenproportioneel zijn, grotendeels niet (voldoende) onderbouwd of niet behorend tot de onderhoudskosten. Uit de rapportage van [derde] volgt dat een normaal onderhoudsbedrag voor deze motorboot circa € 5000,- per jaar zou zijn. (de vrouw) heeft (de man) nooit toestemming gegeven voor de buitensporige uitgaven en heeft al in 2002 meegedeeld deze niet te willen dragen en aangedrongen op verkoop van de boot. (de man) heeft er desondanks voor gekozen vele, hoge uitgaven te blijven doen voor de motorboot, zodat deze kosten voor zijn rekening moeten blijven. Ook kan hij, nu hij eigenaar is van de boot, de vruchten van de uitgaven genieten.”

4.3.6.

Naar het oordeel van het hof kan, noch uit deze samenvatting van het verweer van de vrouw, noch uit de daaraan vooraf gegane processtukken worden afgeleid dat de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld dat de man met uitsluiting van de vrouw heeft gebruik gemaakt van de boot. Haar stellingen in eerste aanleg komen er naar de kern genomen op neer dat de vrouw stelt dat de man zonder overleg met haar buitenproportionele kosten voor de boot heeft gemaakt, terwijl hij daarvan, als (huidige) eigenaar van de boot, de vruchten plukt. Enige verwijzing naar het exclusieve gebruik van de boot door de man in de periode tot aan toedeling van de boot aan de man (grond voor een gebruiksvergoeding) ontbreekt.

4.3.7.

Voor wat de stellingen van de vrouw in de procedure in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betoogd dat hij de boot nauwelijks gebruikte. Het hof verwijst in dit verband naar de conclusie van antwoord na deskundigenbericht in eerste aanleg onder 4, waarin de man – samengevat – aanvoert dat in de periode 2000/2007 de vrouw de boot niet gebruikte en de man de boot slechts gebruikte voor het in verband met onderhoud noodzakelijk vervoer van de boot vanuit de stalling naar de werf en terug en af en toe om de boot “warm te draaien”.

Ook in hoger beroep heeft de man aangevoerd dat hij de boot nauwelijks gebruikte. Het hof verwijst hiertoe naar de pleitaantekeningen van de advocaat van de man d.d. 23 november 2009 en naar het proces-verbaal van pleidooi van 23 november 2009.·.

De vrouw heeft weliswaar in hoger beroep bestreden dat de man in de periode van 2000 t/m 2007 geen gebruik maakte van de boot (memorie van antwoord in principaal appel, tevens akte verzoek tot vermeerdering van eis in incidenteel appel, onder punt 15 en 17, pleitnota d.d. 23 november 2009 en gesteld dat de boot aan de man “ter beschikking stond” (pleitnota 23 november 2009), maar de vrouw heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de man met uitsluiting van de vrouw het gebruik en genot van de boot heeft gehad. Dit had, mede gelet op het betoog van de man dat hij de boot nauwelijks gebruikte, wel op haar weg gelegen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw niet voldoende heeft aangevoerd dat de conclusie kan dragen dat sprake was van een situatie waarin de man het alleengebruik van de boot had en de vrouw van dat gebruik was uitgesloten. Aan het toekennen van een gebruiksvergoeding wordt dan niet toegekomen. Dit betekent dat het verweer van de vrouw tegen de vordering van de man in zoverre niet slaagt.

4.3.8.

Voor zover de stelling van de vrouw dat de man alleen het gebruik van de boot had aldus moet worden begrepen dat de vrouw het – vanwege dit gebruik van de boot door de man alleen – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht dat zij (volledig) mee moet delen in de kosten van de boot in de periode tot aan toedeling van de boot door de man overweegt het hof als volgt.

Het gerechtshof Arnhem heeft in het tussenarrest van 11 mei 2010 ( rov. 4.6. t/m 4.8 en rov. 4.11 en 4.12) geoordeeld dat op grond van art. 3:171 BW (voor wat betreft de proceskosten) en op grond van art. 3:170 lid 1 en art. 3:172 BW (onderhoudskosten en kosten van ligplaats, verzekeringen en vergunningen) de vrouw een bedrag van in totaal € 80.851,40 aan de man verschuldigd is. De hiertegen door de vrouw gerichte cassatieklachten hebben geen doel getroffen. Naar het oordeel van het hof is de enkele stelling van de vrouw dat de man alleen het gebruik van de boot heeft gehad en dat de boot hem “ter beschikking stond” onvoldoende voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij het gehele bedrag van € 80.851,40 dient te betalen dragen in die zin dat daarop een gebruiksvergoeding van € 40.300,- in mindering dient te worden gebracht. Ook in zoverre slaagt het verweer van de vrouw niet.

4.3.9.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat op het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag van € 80.851,40 geen gebruiksvergoeding in mindering dient te worden gebracht. De vrouw zal dan ook worden veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 80.851,40.

Wettelijke rente. Vermeerdering van eis.

4.3.10.

De man heeft in de memorie na verwijzing niet alleen veroordeling van de vrouw tot het betalen van het bedrag van € 80.851,40 gevorderd, maar hij heeft ook gevorderd dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderscheiden delen van deze hoofdsom vanaf de data als genoemd onder punt 2.2. van de memorie na verwijzing. De man heeft hiertoe – kort gezegd – gesteld dat de hoofdsom bestaat uit regresvorderingen van de man jegens de vrouw met betrekking tot door de man betaalde kosten van de boot. De wettelijke rente over de onderscheiden delen van de hoofdsom is steeds verschuldigd, aldus de man, vanaf het moment dat de man de een bepaald bedrag heeft voldaan voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Voor wat betreft de te onderscheiden bedragen en de ingangsdatum van de wettelijke rente verwijst de man naar rov. 4.8 en 4.11. van het arrest van het hof Arnhem van 11 mei 2010 en naar de bijlagen 2 en 5 bij de memorie van grieven.

4.3.11.

Naar het oordeel van het hof dient de in de memorie na verwijzing vervatte vordering tot betaling van wettelijke rente te worden beschouwd als een wijziging (vermeerdering) van eis na verwijzing.

Het hof overweegt daartoe als volgt:

In eerste aanleg heeft de man aanvankelijk geen wettelijk rente gevorderd over de gemaakte kosten betreffende de boot. In de conclusie van antwoord na deskundigenbericht, tevens akte verzoek vermeerdering van eis in conventie en reconventie heeft de man evenwel bij wijze van vermeerdering van eis, voor zover het de kosten van de boot betreft, gevorderd de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 101.629,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de veertiende dag nadat de rechtbank vonnis zal hebben gewezen tot de dag der algehele voldoening.

In het petitum van de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging eis, heeft de man voor zover thans van belang, gevorderd:

“ (…) de vordering van appellant alsnog toe te wijzen, in die zin dat geïntimeerde naast de vorderingen terzake de toedeling van de tot de gemeenschap behorende bestanddelen, primair en subsidiair wordt veroordeeld om appellant een bedrag van € 102.963,72 te voldoen en meer subsidiair een bedrag van € 2.650,53 met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties”.

Het hof constateert dat de man in hoger beroep niet met zoveel woorden de wettelijke rente vordert over de gevorderde bedragen. De man stelt in het petitum van de memorie van grieven weliswaar in algemene zin dat dat hij alsnog toewijzing van zijn vordering vordert maar daaruit kan niet – en zeker niet kenbaar – worden afgeleid dat de man in hoger beroep wettelijke rente over de door hem in hoger beroep gevorderde bedragen vordert. De man preciseert in het tweede zinsdeel van het petitum zijn vordering (in eerste aanleg) namelijk “in die zin dat” hij primair en subsidiair veroordeling van de vrouw vordert tot betaling van een bedrag van € 102.963,- en subsidiair een bedrag van € 2.650,53. Over de wettelijke rente over deze bedragen wordt in het petitum van de memorie van grieven niet gerept, laat staan dat de man wettelijke rente vordert met ingang van de in de memorie na verwijzing genoemde data. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft vervolgens in het eindarrest dan ook dienovereenkomstig geen wettelijke rente toegewezen over het aan de man toegewezen bedrag terzake de kosten van de motorboot. Van bezwaar daartegen door de man is verder niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is hof is het hof oordeel dat de man in het petitum van de memorie van grieven niet - op kenbare wijze - de wettelijke rente heeft gevorderd over de gevorderde bedragen terzake de kosten van de motorboot. Ook in de memorie na verwijzing heeft de man op geen enkele wijze aangeduid waar in de gedingstukken vóór verwijzing de wettelijke rente is gevorderd. De vordering tot betaling van de wettelijk rente in dit geding na verwijzing moet dan ook als een wijziging van eis worden beschouwd.

4.3.11.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is in de procedure na cassatie en verwijzing een wijziging c.q. vermeerdering van eis niet mogelijk. (vgl. HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM9528). In het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 1998, nr. C97/152, LJN ZC2721, NJ 1999/683 is weliswaar een uitzondering aanvaard op de laatst genoemde regel maar een situatie als in dat arrest aan de orde doet zich in het onderhavige geval niet voor. Ook doet zich niet het geval voor waarin een eiswijziging of vermeerdering van eis mogelijk is omdat daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na de memorie van grieven of van antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eiswijziging of eisvermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen (vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360).

Het hof is dan ook van oordeel dat de vordering tot betaling van wettelijke rente – als zijnde een vermeerdering van eis – niet in dit geding na verwijzing kan worden gedaan. Deze vordering wordt dan ook niet toegelaten en maakt geen deel uit van het geding na verwijzing.

4.3.12.

Nu de arresten van het gerechtshof Arnhem (-Leeuwarden) van 11 mei 2010,

6 november 2012, 20 augustus 2013 en 20 mei 2014 bij het arrest van 25 maart 2016 door de Hoge Raad zijn vernietigd, zal het hof opnieuw recht doen als in het dictum van het arrest van 20 mei 2014 (zoals verbeterd bij beslissing van het hof van 22 juli 2014), met uitzondering van hetgeen is opgenomen in onder 2 sub d. waarin de vrouw is veroordeeld om aan de man een bedrag van € 40.551,40 te betalen in verband met de kosten ter zake van de motorboot. In plaats daarvan zal dat de vrouw in het dictum onder 2 sub d. worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 80.851,40 in verband met de kosten ter zake van de motorboot.

4.3.13.

De proceskosten van het geding na verwijzing zullen – met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv – worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij (waarbij het hof opmerkt dat, nu de vrouw na verwijzing niet is verschenen, dit alleen de man betreft) de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

In het geding na verwijzing.

In het principaal en incidenteel appel:

  1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 3 december 2008 voor zover daarin het namens de man ten laste van de vrouw gelegde conservatoir derdenbeslag onder [de vennootschap 1] , h.o.d.n. [handelsnaam] te [plaats] is opgeheven;

  2. vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 3 december 2008 voor het overige en in zoverre opnieuw recht doende in conventie en in reconventie:

  1. deelt de aandelen in [de vennootschap 2] toe aan de man;

  2. veroordeelt de man aan de vrouw een bedrag van € 229.502,60 te betalen ter zake van de verdeling van de waarde van [de vennootschap 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 dagen na dit arrest;

  3. veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 17.435,19 uit hoofde van het tussen partijen gesloten convenant;

  4. veroordeelt de vrouw aan de man te betalen een bedrag van € 80.851,40 in verband met de kosten ter zake van de motorboot;

  5. veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen een bedrag van € 4.568,66 in het kader van de verdeling van de rekening-courantschuld aan de B.V.;

3. verklaart dit arrest, wat betreft de hierboven onder 2a. tot en met e. vermelde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad;

4. compenseert de proceskosten in conventie en in reconventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5. wijst af de vordering van de vrouw in conventie om de man te veroordelen tot betaling van
€ 154.790,- ten titel van de overwaarde van de woning en wijst ook overigens in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde af;

6. compenseert de proceskosten in het principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep, die van het geding na verwijzing daaronder begrepen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7. wijst af het meer of andere gevorderde.

In het geding na verwijzing voorts:

bepaalt dat de vordering van de man tot vergoeding van de wettelijke rente niet wordt toegelaten.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven. G.J. Vossestein en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 april 2018.

griffier rolraadsheer