Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
200.199.217_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonruimte, ontbinding, maatstaf goed huurderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.217/01

arrest van 3 april 2018

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Wovesto,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna te noemen Wovesto,

advocaat: mr. M.J. Jeths te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.J. van de Laar te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 september 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 4574384 gewezen vonnis van 2 juni 2016.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de appeldagvaarding;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het tussenarrest van 5 september 2017, waarbij na een daartoe strekkend verzoek van Wovesto een meervoudige comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de zitting van 15 maart 2017, waarop zijn verschenen:

Wovesto, vertegenwoordigd door haar directeur [directeur van Wovesto] en bijgestaan door Mr. Jeths voornoemd en

[geïntimeerde] , bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar.

Partijen hebben ermee ingestemd dat ter zitting geen proces-verbaal is opgemaakt, maar dat is volstaan met de aantekeningen van de griffier.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.1.

[geïntimeerde] en P.A. [medehuurder] (hierna [medehuurder] genoemd) huurden vanaf 1 februari 2009 een woonwagen met standplaats aan de [standplaats 1] te [woonplaats] . [geïntimeerde] woont nog steeds op deze standplaats met hun vier kinderen, die ten tijde van de zitting in hoger beroep respectievelijk 21, 13, 8 en 2 jaar oud waren.

2.2.

De op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden zelfstandige woonruime kennen onder meer de volgende bepalingen:

7.3. (…)

Hij (huurder, hof) zal het gehuurde (…) overeenkomstig de bestemming gebruiken en aan deze bestemming niets wijzigen.

(…)

7.5.

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan aanwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich in het gehuurde bevinden.

2.3.

Op 20 april 2010 heeft Wovesto schriftelijk aan [geïntimeerde] en [medehuurder] meegedeeld:

“(…) U heeft Wovesto verzocht om 2 vrijgekomen standplaatsen op de [locatie] te mogen gebruiken.

De gevraagde standplaatsen grenzen aan uw standplaats.

Wovesto geeft u toestemming om gevraagde plaatsen [hof: [standplaats 2] en [standplaats 3] te [woonplaats] ] in bruikleen te nemen. (…)”.

2.4.

[geïntimeerde] en [medehuurder] hebben schriftelijk meegedeeld dat [medehuurder] met ingang van 23 januari 2012 afstand doet van de huurrechten van [standplaats 1] . De huurovereenkomst van [standplaats 1] is sindsdien uitsluitend door [geïntimeerde] voortgezet.

[medehuurder] is met ingang van 27 januari 2012 huurder geworden van de standplaats gelegen aan de [standplaats 4] te [woonplaats] .

2.5.

Op 7 juli 2015 heeft een liquidatie plaatsgevonden aan [locatie] ter hoogte van het aldaar gevestigde woonwagenkamp. Naar aanleiding daarvan zijn alle ruimten op het woonwagenkamp gecontroleerd. Volgens een proces-verbaal van bevindingen (prod. 7 bij inleidende dagvaarding) is onder meer het volgende aangetroffen:

- in de schuur van perceel [standplaats 4] : materialen voor een hennepkwekerij;

- in de schuur van perceel [standplaats 3] : materialen voor een hennepkwekerij;

- de schuur van perceel [perceel 1] was afgesloten. Er was gezoem van ventilatie en de lucht van hennep waarneembaar. In die schuur werd een ingerichte en in werking zijnde stekkerij voor hennepplanten aangetroffen met 2.685 hennepstekken.

De bewoner van perceel [standplaats 4] , [medehuurder] , was in het bezit van een sleutel van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . De schuur op perceel [perceel 3] was niet voorzien van een slot.

In het gehuurde ( [standplaats 1] ) zijn geen hennep of hennep toebehoren aangetroffen.

2.6.

In eerste aanleg heeft Wovesto ontbinding van de huurovereenkomst tussen Wovesto en [geïntimeerde] en ontruiming van het gehuurde gevorderd met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

2.7.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van Wovesto afgewezen en Wovesto veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] .

2.8.

Met grief 1 voert Wovesto aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het dossier niet blijkt van enige actieve betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de hennepkwekerij. Wovesto voert daartoe aan dat de politie heeft geconstateerd dat er sprake is van stank van hennep en het geluid van ventilatoren in de hennepstekkerij op de standplaatsen [standplaats 2] en [standplaats 3] . [geïntimeerde] moet de hennepgeur geroken hebben en de ventilatoren gehoord hebben. Zo [geïntimeerde] al niet actief betrokken is geweest bij de hennepstekkerij, dan ziet haar betrokkenheid op het niet ingrijpen en het dus faciliteren van de hennepstekkerij naast haar eigen gehuurde woonwagen, aldus Wovesto.

Met grief 2 voert Wovesto kort gezegd aan dat [geïntimeerde] [medehuurder] zonder toestemming laat inwonen en dat [geïntimeerde] hem zijn gang laat gaan voor wat betreft het plaatsen van een auto op standplaats [standplaats 3] . [geïntimeerde] was aanwezig bij het bedreigen van medewerkers van Wovesto door [medehuurder] . Aldus is [geïntimeerde] tekortgeschoten in haar verplichting om zich te gedragen als een goed huurder.

Met grief 3 voert Wovesto aan dat de standplaatsen [standplaats 2] en [standplaats 3] in direct verband stonden met het gehuurde (standplaats [standplaats 1] ) en feitelijk onderdeel uitmaakten van het woongenot van het gehuurde. [geïntimeerde] en [medehuurder] konden als enigen gebruikmaken van deze in bruikleen gegeven standplaatsen. De gehuurde standplaats was een “rader” in de exploitatie van de hennepstekkerij op standplaats [standplaats 3] . [geïntimeerde] heeft hieraan meegewerkt en dit gefaciliteerd, hetgeen te zien is als slecht huurderschap, aldus Wovesto.

Met grief 4 voert Wovesto nogmaals aan dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen als goed huurder doordat zij onder andere niet actief heeft opgetreden tegen de aangelegde hennepstekkerij en dat zij de bedreigingen door [medehuurder] niet heeft voorkomen evenals het plaatsen van auto’s en een toercaravan door [medehuurder] .

Met grief 5 voert Wovesto aan dat de kantonrechter ten onrechte relevant heeft geacht dat het gehuurde niet is gesloten op last van de burgemeester van Sint-Oedenrode.

Grief 6 ziet op de proceskostenveroordeling.

2.9.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

2.10.

Het hof zal de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk beoordelen. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] huurder is van [standplaats 1] . Op die standplaats zijn hennep noch henneptoebehoren voor een hennepkwekerij of hennepstekkerij aangetroffen. De hennepstekkerij is, anders dan Wovesto op diverse plaatsen in de memorie van grieven vermeldt, enkel aangetroffen in een afgesloten schuur op perceel [standplaats 2] en niet op perceel [standplaats 3] . Tussen [standplaats 1] en [standplaats 2] ligt perceel [standplaats 3] met een perceelbreedte van circa 20 meter.

2.11.

Het hof acht door Wovesto onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] ten tijde van het aantreffen van de hennepstekkerij feitelijk samenwoonde met [medehuurder] . De huur van standplaats [standplaats 1] is immers vanaf 23 januari 2012 alleen voortgezet door [geïntimeerde] , terwijl [medehuurder] met ingang van 27 januari 2012 de standplaats aan de [standplaats 4] huurde van Wovesto. Ook het feit dat een dagvaarding in een ontruimingsprocedure tussen Wovesto en [medehuurder] op 28 april 2015 aan [medehuurder] in persoon is betekend op het adres [standplaats 4] sterkt het hof in die overtuiging. Er is evenmin sprake van een specifiek bewijsaanbod van Wovesto dat [medehuurder] feitelijk bij [geïntimeerde] woonde ten tijde van het aantreffen van de hennepstekkerij, zodat het hof op dit punt niet aan bewijslevering toekomt.

Het hof gaat er voorts vanuit dat de percelen [standplaats 2] en [standplaats 3] na 23 januari 2012 feitelijk niet door [geïntimeerde] , maar door [medehuurder] zijn gebruikt. Dat leidt het hof af uit de volgende omstandigheden. Op de door [medehuurder] gehuurde standplaats [standplaats 4] zijn evenals op de standplaatsen [standplaats 2] en [standplaats 3] henneptoebehoren aangetroffen. Op de door [geïntimeerde] gehuurde standplaats [standplaats 1] zijn geen hennep(toebehoren) aangetroffen. De hennepstekkerij is aangetroffen in een afgesloten schuur op standplaats [standplaats 2] . De sleutel van die schuur was in het bezit van [medehuurder] , zo blijkt uit het proces-verbaal van politie. [geïntimeerde] heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat zij en [medehuurder] in 2012 uit elkaar zijn gegaan en dat [medehuurder] feitelijk gebruik heeft gemaakt van de standplaatsen [standplaats 4] , [standplaats 2] en [standplaats 3] , waar zij zich nooit mee heeft bemoeid. Voorts zijn door [geïntimeerde] bij de behandeling in hoger beroep foto’s getoond van het hek om de standplaatsen [standplaats 2] en [standplaats 3] ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij. In dat hek zat een poort. Ook van die poort had alleen [medehuurder] de sleutel, aldus [geïntimeerde] . Aldus is sprake van een andere situatie dan in de uitspraak onder ECLI:NL:HR:GHARL:2016:10280, waarop Wovesto een beroep heeft gedaan.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor enige actieve betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de aangetroffen hennepstekkerij.

Dan resteren de verwijten dat [geïntimeerde] niet heeft ingegrepen toen door [medehuurder] de hennepstekkerij aan [standplaats 2] werd geëxploiteerd en dat zij de bedreigingen door [medehuurder] niet heeft voorkomen.

Bij de beoordeling daarvan acht het hof relevant dat de hennepstekkerij niet in het gehuurde plaatsvond, dat [medehuurder] ten tijde van diens door Wovesto verweten gedragingen geen mede huurder was en dat onvoldoende duidelijk is gemaakt op welke wijze [geïntimeerde] eventuele gedragingen van [medehuurder] had kunnen voorkomen.

Indien al moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] aldus haar verplichtingen als goed huurder van standplaats [standplaats 1] niet is nagekomen, dan acht het hof die tekortkoming gezien de aard en betekenis - mede in het licht van het belang van [geïntimeerde] (en dat van de bij haar inwonende (minderjarige) kinderen van 21, 13, 8 en 2 jaar) bij voortzetting van de huurovereenkomst - onvoldoende om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen. De grieven 1 tot en met 4 falen dus.

Anders dan de kantonrechter kent het hof daarbij geen zelfstandige betekenis toe aan het feit dat de gehuurde standplaats niet is gesloten op grond van art. 13b van de Opiumwet. Grief 5 behoeft derhalve geen nadere bespreking. Ook grief 6 treft geen doel aangezien de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

2.12.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en Wovesto zal veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep.

3 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Wovesto in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,-- aan griffierecht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze uitspraak voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, M.E. Smorenburg en P.S. Kamminga in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 april 2018.

griffier rolraadsheer