Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1417

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
200.194.098_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5734, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:873, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke vernietiging koopovereenkomst tweedehands auto wegens dwaling en de gevolgen daarvan (art. 6:228 BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.194.098/01

arrest van 3 april 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Vong te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 mei 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 16 september 2015 en 24 februari 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/295824 / HA ZA 15-484)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg, met dien verstande dat de door [appellante] bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep in het geding gebrachte productie niet in het nadeel van [geïntimeerde] bij de beoordeling zal worden betrokken, omdat zij niet in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [indirect bestuurder 1 van appellante] , indirect bestuurder van [appellante] , heeft interesse getoond in een door [geïntimeerde] te koop aangeboden Volkswagen Touran, met kentekennummer [kenteken] , bouwjaar 2012 (hierna: de auto). Hij heeft de auto twee keer bij [geïntimeerde] bekeken, de eerste keer op 23 augustus 2013 samen met dhr. [derde] en de tweede keer op 24 augustus 2013 samen met zijn partner mw. [indirect bestuurder 2 van appellante] , eveneens indirect bestuurder van [appellante] .

b) [appellante] heeft de auto op 31 augustus 2013 van [geïntimeerde] gekocht. Partijen zijn een prijs overeengekomen van € 32.500,-. De kilometerstand bedroeg 7.426.

c) [appellante] heeft in februari 2015 tijdens een rit in Frankrijk pech met de auto gehad. Na dit voorval is de auto onderzocht door [de vennootschap 3] te [plaats] (hierna: [de vennootschap 3] ). Naar aanleiding van de bevindingen [de vennootschap 3] heeft [appellante] opdracht gegeven aan [de vennootschap 4] (hierna: [de vennootschap 4] ) om de auto te onderzoeken.

d) [de vennootschap 4] heeft in een rapport van expertise van 16 april 2015 geschreven:

In het bovengenoemde voertuig troffen wij een motor aan met het motornummer [motornummer 1] . Van de importeur van het voertuig in Nederland vernamen wij dat de fabrikant heeft aangegeven dat het voertuig de fabriek heeft verlaten met motornummer [motornummer 2] . Zie bijlage. Het motornummer, zoals door ons op de motor van het bovengenoemde voertuig is aangetroffen is niet gelijk aan het motornummer waar de fabrikant van het voertuig deze mee heeft uitgerust, aldus de verkregen informatie.


Inspectie aan de carrosserie van het bovengenoemde voertuig leerde ons dat hieraan duidelijke sporen van werkzaamheden waarneembaar zijn. Op de rechter dorpel van het voertuig zijn sporen van plamuur en laswerkzaamheden waarneembaar. Sporen van laswerkzaamheden zijn eveneens aan de binnenzijde van de rechter dorpel waarneembaar.


Aan de voorzijde en de rechterzijde van het voertuig troffen wij een afwijkende dikte van de laklaag aan (…). Tevens troffen wij delen van de motor aan welke waren voorzien van een productiedatum welke ver voor de productie van het voertuig zijn gelegen.


De voorruit bleek van een in de aftermarkt bekende leverancier afkomstig te zijn. (…) De overige ruiten in het voertuig zijn voorzien van een logo van de fabrikant van het voertuig.”

e) [appellante] heeft in een brief van 28 april 2015 aan [geïntimeerde] geschreven dat zij een beroep doet op dwaling en bedrog en de vernietigbaarheid van de koopovereenkomst inroept.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] , samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is vernietigd, althans ontbonden;

II. betaling van de in productie 20 bij dagvaarding genoemde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

III. betaling van de kosten van een huurauto zolang het bedrag van € 32.500,- niet is terugbetaald; en

IV. veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.2.

In het eindvonnis van 24 februari 2016 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de koopovereenkomst is vernietigd. [geïntimeerde] is veroordeeld om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 24.311,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2015 en de beslag-, proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd, zoals hierna te noemen. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen eindvonnis voor zover [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 21.320,02 aan koopsom en
€ 2.446,62 aan huur en opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:

- € 32.500,- aan koopsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 september 2013,

- € 7.747,33 aan huur, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 oktober 2015; en

- € 1.479,59 aan kosten vanwege een reparatie aan de stuurkolom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 november 2014,

met bekrachtiging van het eindvonnis waarvan beroep voor het overige, waarbij hetgeen [geïntimeerde] tot op de dag van dagvaarding in hoger beroep heeft voldaan op de te vernietigen onderdelen in mindering kan worden gebracht en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

3.4.

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord de grieven bestreden. Zij heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd en, kort gezegd, geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis waarvan beroep en het hof verzocht om de vorderingen van [appellante] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.5.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellante] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.6.

Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep van het tussenvonnis, omdat tegen dat tussenvonnis geen grieven zijn aangevoerd en omdat het een comparitievonnis betreft waartegen geen hoger beroep open staat (art. 131 Rv).

incidenteel hoger beroep

3.7.

Het hof zal eerst het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] behandelen.

3.8.

In het onderhavige geval heeft [appellante] een beroep op dwaling gedaan. Volgens [appellante] heeft zij gedwaald omdat [geïntimeerde] haar niet heeft geïnformeerd dat sprake was van een schadeauto. [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat dit essentiële informatie was voor [appellante] , zeker nu zij daarnaar specifiek had gevraagd, aldus [appellante] .

3.9.

De grieven van [geïntimeerde] lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een schadeauto.
Volgens [geïntimeerde] vormt het rapport van [de vennootschap 4] onvoldoende bewijs voor de stelling van [appellante] dat sprake is van een schadeauto (grief I). Bovendien heeft dit rapport alleen betrekking op het moment van onderzoek door [de vennootschap 4] op 30 maart 2015 en geeft het rapport niets aan over de toestand van de auto ten tijde van de koop in augustus 2013 (grief II).
[appellante] heeft twee jaar met de auto gereden. Volgens een door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige van [de vennootschap 5] (hierna: [de vennootschap 5] ) is er aanrijdingsschade aan de auto. Die moet na de koop zijn veroorzaakt. Er kan dus niet worden aangenomen dat de auto zich ten tijde van de koop in dezelfde staat bevond als later door [de vennootschap 4] geconstateerd, aldus [geïntimeerde] .

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.11.

Ingevolge art. 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW is een overeenkomst vernietigbaar als deze tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet (of niet op dezelfde voorwaarden) zou zijn gesloten en de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

3.12.

Volgens [appellante] was ten tijde van de koop sprake van een schadeauto, waarover zij niet is geïnformeerd. Zij heeft dit als volgt toegelicht. [appellante] heeft in november 2014 het stuurhuis van de auto moeten laten vervangen door garage [de vennootschap 3] . [de vennootschap 3] constateerde toen dat er oneffenheden in de laklaag zaten, waardoor het vermoeden bestond dat de auto opnieuw was gespoten. [de vennootschap 3] kreeg na het pechgeval in Frankrijk in februari 2015 de indruk dat het om een schadeauto ging. [appellante] heeft toen [geïntimeerde] benaderd om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. [de vennootschap 3] heeft op verzoek van [geïntimeerde] de na de aanschaf van de auto gepleegde onderhoudswerkzaamheden aan haar toegezonden. [geïntimeerde] heeft daarop niet gereageerd, waarna [appellante] zelf de opdracht tot onderzoek aan [de vennootschap 4] heeft verstrekt. [appellante] kan op grond van de conclusies van [de vennootschap 4] niet anders concluderen dan dat het een schadeauto betreft en dat deze is hersteld in de periode tussen het verlaten van de fabriek en de aankoop door [appellante] .

3.13.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] haar verweer tegen dit gemotiveerde en met stukken onderbouwde betoog van [appellante] onvoldoende (nader) onderbouwd.

[de vennootschap 4] heeft geconstateerd dat er een defect en afwijkingen waren aan de motor, afwijkingen en sporen van werkzaamheden aan de carrosserie en dat de dikte van de laklaag afwijkend was. [geïntimeerde] heeft de deskundigheid van [de vennootschap 4] niet betwist. Volgens [de vennootschap 4] gaat het om “beschadigingen c.q. afwijkingen” aan de auto.

[geïntimeerde] heeft ook een deskundige ingeschakeld en verwezen naar het rapport van [de vennootschap 5] . In dit rapport wordt echter niets gezegd over de door [de vennootschap 4] geconstateerde beschadigingen en afwijkingen, terwijl [de vennootschap 5] wel heeft verwezen naar het rapport van [de vennootschap 4] . [de vennootschap 5] heeft in haar rapport alleen geschreven dat de auto is geïnspecteerd en dat beschadigingen zijn geconstateerd (deuken, krassen en een slecht sluitend portier), die volgens haar zijn veroorzaakt tijdens het gebruik door [appellante] . Al zou dit zo zijn, dan nog neemt dat niet weg dat [de vennootschap 4] veel meer en grotere beschadigingen en afwijkingen heeft geconstateerd, bijvoorbeeld aan de motor en de laklaag, waarover [de vennootschap 5] niets heeft gezegd. Gelet op het uitvoerige en gedegen onderzoeksrapport van [de vennootschap 4] , kon [geïntimeerde] niet volstaan met het summiere onderzoeksrapport van [de vennootschap 5] , waarin in het geheel niet is ingegaan op hetgeen [de vennootschap 4] heeft geconstateerd. Om die reden acht het hof de verweren van [geïntimeerde] dat sprake is van ‘vroegtijdige slijtage’, verschillen wegens administratieve redenen, een gebruikelijke productiewijze van de auto of een verkeerd onderhoud onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende onderbouwd. Bij gebreke van een adequate motivering valt niet in te zien dat de door [de vennootschap 4] aan de auto geconstateerde schade zou zijn veroorzaakt door (toedoen van) [appellante] . Ook anderszins is dit niet, althans onvoldoende gebleken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

3.14.

Volgens [appellante] is bij het eerste bezoek aan [geïntimeerde] door [indirect bestuurder 1 van appellante] (of [derde] ) gevraagd of de auto in originele staat verkeerde en schadevrij was, en heeft [indirect bestuurder 1 van appellante] bij zijn tweede bezoek dezelfde vraag gesteld in het bijzijn van [indirect bestuurder 2 van appellante] en is hierop door [geïntimeerde] bevestigend geantwoord (verklaringen [indirect bestuurder 1 van appellante] , [derde] en [indirect bestuurder 2 van appellante] , dagvaarding in eerste aanleg producties 7, 8 en 9). [geïntimeerde] heeft in hoger beroep niet weersproken dat is gevraagd naar de staat van de auto, maar volgens haar is, en wordt, nooit gezegd dat een auto in originele staat verkeert of schadevrij is.
Wat hier ook van zij, [geïntimeerde] heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat, ook als niet zou zijn gesproken over de vraag of wel of niet sprake was van een schadevrije auto, [appellante] daarvan had mogen uitgaan gelet op de jonge leeftijd, het geringe aantal kilometers en de markconforme prijs van de auto. Het had in dit geval op de weg van [geïntimeerde] als professionele verkoper van tweedehands auto’s, in samenhang bezien met haar uitlating op internet dat een auto in perfecte staat wordt afgeleverd, gelegen om te onderzoeken of de geïmporteerde auto een schadeverleden had of kon hebben en zo ja, om hierover aan [appellante] mededelingen te doen.
Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] dit op enigerlei wijze in voldoende mate heeft gedaan.

3.15.

[geïntimeerde] heeft verder niet weersproken dat als [appellante] met het schadeverleden van de auto bekend was geweest, zij de auto niet zou hebben gekocht. Het enkele feit dat de auto nu de door [de vennootschap 5] geconstateerde krassen en deuken en een slecht sluitend portier zou hebben, brengt in de gegeven omstandigheden niet mee dat de dwaling voor rekening van [appellante] komt.

3.16.

Nu er op grond van het voorgaande vanuit moet worden gegaan dat ten tijde van de koop sprake was van een schadeauto, heeft [appellante] de koopovereenkomst op goede gronden wegens dwaling buitengerechtelijk vernietigd. De grieven van [geïntimeerde] falen.

principaal hoger beroep

3.17.

De vernietiging van de koopovereenkomst werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (art. 3:53 BW). Dat betekent dat de geldigheid van de voor de levering van de auto benodigde titel met terugwerkende kracht is vervallen, waardoor geen levering heeft plaatsgevonden en de eigendom van de auto achteraf bij [geïntimeerde] is gebleven.

[appellante] heeft daarom (in beginsel) recht op terugbetaling van de koopprijs van € 32.500,-.

terugbetaling koopprijs

3.18.

Grief 1 van [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de restitutie van de koopprijs moet worden verminderd met een bedrag aan afschrijving van € 11.180,- (de door [geïntimeerde] berekende afschrijfwaarde van 20% in het eerste jaar en 18% in het tweede jaar).
Volgens [appellante] was de auto op de dag van aankoop van geen enkele waarde, zodat ook geen sprake is van een afschrijving die in mindering kan worden gebracht op de koopsom.

3.19.

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] vanaf 31 augustus 2013 (de koop) tot februari 2015 (pech in Frankrijk) ongeveer 60.000 km met de auto heeft gereden. Dat betekent dat [appellante] de auto niet meer in de staat kan teruggeven waarin de auto zich op het moment van de koop bevond. [appellante] schiet derhalve tekort in de nakoming van haar verbintenis tot teruggave of ongedaanmaking (art. 6:74 BW).
Het hof kan [appellante] niet volgen in haar betoog dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden. De rechter dient ambtshalve rechtsgronden aan te vullen indien daartoe voldoende is aangevoerd.
[geïntimeerde] heeft, zo begrijpt het hof haar verweer, haar schade als gevolg van het tekortschieten van [appellante] begroot op € 11.180,- en een beroep gedaan op verrekening van deze schade met de vordering van [appellante] tot terugbetaling van de koopprijs.

3.20.

[appellante] heeft betwist dat [geïntimeerde] een schade zou hebben geleden van € 11.180,-. Volgens [appellante] is geen sprake van schade aan de kant van [geïntimeerde] , omdat de waarde van de auto op de dag van de koop nihil zou zijn, althans dat de koopprijs van € 32.500,- geen reële waarde vertegenwoordigde. Sprake was immers van een schadeauto.

[appellante] heeft haar betoog op geen enkele wijze onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de auto op het moment van de koop een schadeauto was, betekent niet dat de auto geen (enkele reële) waarde zou vertegenwoordigen. Zelfs al zou moeten worden uitgegaan van een lagere waarde van de auto, dan nog heeft [appellante] geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt wat de (reële) waarde dan wel zou zijn geweest. Het hof gaat daarom, gelet op de onvoldoende weersproken berekening van [geïntimeerde] , voorbij aan het betoog van [appellante] . Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 21.320,- (de koopprijs van € 32.500,- minus een afschrijving van € 11.180,-) kan in stand blijven.


huurkosten

3.21.

Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellante] tot vergoeding van de huurkosten van vervangend vervoer slechts is toegewezen tot een bedrag van € 2.446,62, terwijl de huurkosten in totaal € 7.747,33 hebben bedragen.

3.22.

Het hof overweegt als volgt. Het slagen van het beroep van [appellante] op dwaling betekent niet dat [geïntimeerde] jegens haar schadeplichtig is. Daarvoor dient een specifieke rechtsgrond aanwezig te zijn (HR 11 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:CA3765). [appellante] heeft geen rechtsgrond aangevoerd en onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om ambtshalve het bestaan van een rechtsgrond vast te stellen.
Het hoger beroep mag, bij gebreke van incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] op dit punt, niet tot een voor [appellante] ongunstiger resultaat leiden. De veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van
€ 2.446,62 dient daarom in stand te blijven.

3.23.

Het beroep van [appellante] op de redelijkheid en billijkheid en de goede trouw is onvoldoende onderbouwd en maken het voorgaande niet anders. De grieven I en II falen.

wettelijke (handels)rente

3.24.

De grieven III en IV richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente met ingang van 18 juni 2015.
Volgens [appellante] had de rechtbank de wettelijke handelsrente moeten toekennen (grief III) met ingang van 31 augustus 2013 (grief IV).

3.25.

Het hof overweegt als volgt. In dit geval is wettelijke rente, en dus niet wettelijke handelsrente, verschuldigd. Het gaat immers om terugbetaling van de koopprijs, niet om vertragingsschade wegens niet nakoming van een handelsovereenkomst. Deze is verschuldigd vanaf het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is ten aanzien van de verbintenis tot terugbetaling van de koopsom (art. 6:119 BW).
[appellante] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt op grond waarvan de wettelijke rente per 31 augustus 2013 toewijsbaar zou zijn. Zij heeft niet gesteld dat of waarom [geïntimeerde] al op 31 augustus 2013 in verzuim is gekomen. Dat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, betekent niet zonder meer dat de wettelijke rente over de ongedaanmakingsverbintenissen ook vanaf dat moment verschuldigd is (HR 2 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1012).
De veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van wettelijke rente vanaf 18 juni 2015 dient daarom in stand te blijven. De grieven III en IV falen.

reparatiekosten

3.26.

[appellante] heeft in hoger beroep kosten van de reparatie van de stuurkolom gevorderd van
€ 1.479,59. Volgens [appellante] heeft zij deze kosten zonder goede gronden voldaan nu de koopovereenkomst is vernietigd.

Volgens [geïntimeerde] is het stuurhuis vervangen in november 2014, derhalve ruim een jaar en 51.000 km na de datum van aankoop van de auto. Onduidelijk is of het stuurhuis is vervangen omdat het een schadeauto betrof, of omdat er door een defect of andere omstandigheden aanleiding was om tot vervanging over te gaan. Het stuurhuis is een gevoelig onderdeel van de auto en kan om meerdere redenen worden vervangen. Daarbij komt dat het repareren van het stuurhuis ook een onderdeel van het gebruikersgenot van [appellante] is geweest, aldus [geïntimeerde] .

3.27.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft terecht een beroep gedaan op dwaling ex art. 6:228 lid 1 aanhef en sub b BW. Het hof begrijpt de stelling van [appellante] aldus dat zij de kosten van de reparatie van de stuurkolom vordert op grond van art. 6:207 BW.

De door [appellante] gemaakte reparatiekosten vallen in beginsel onder uitgaven die zij heeft gedaan in de periode waarin zij redelijkerwijze niet met een verplichting tot teruggave rekening behoefde te houden en die zouden zijn uitgebleven als zij de auto niet had ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] de auto te kwader trouw heeft aangenomen. Het hof is echter van oordeel dat de door [appellante] uitgegeven reparatiekosten niet leidt tot een binnen de grenzen van de redelijkheid vallend vergoedingsrecht in de zin van voornoemd artikel.
Uit de toelichting van [appellante] blijkt dat [de vennootschap 3] , de garage die de reparatie aan de stuurkolom heeft uitgevoerd, uit coulance een korting van 70% aan [appellante] heeft verstrekt. De door [appellante] aan [de vennootschap 3] voldane reparatiekosten van € 1.479,59 zijn dus aanzienlijk lager dan de kosten die zij zonder deze korting had moeten betalen. [appellante] heeft deze uitgaven verder gemaakt nadat zij de auto al een geruime tijd had gebruikt en daarmee 51.000 km had gereden. Tegenover de door [appellante] gedane uitgave staan dus veel gereden kilometers.

De vordering van [appellante] tot betaling van de reparatiekosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, zal daarom worden afgewezen.

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.27.

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep falen. Nu [appellante] en [geïntimeerde] over en weer (grotendeels) in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis;

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, M.E. Smorenburg en J.K. Six-Hummel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 april 2018.

griffier rolraadsheer