Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
17/00239
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1132, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 4.36 van de Wet IB 2001. Art. 4.25 van de Wet IB 2001.

Bij het beslissen op een verzoek om vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen hoeft de Inspecteur geen rekening te houden met de toekomstige en onzekere gebeurtenis dat een belastingplichtige in Nederland gaat wonen. De waarde in het economische verkeer van aandelen op een in de toekomst gelegen onbekend moment kan niet worden bepaald. De verkrijgingsprijs van aandelen is daarom terecht vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs. Belanghebbende kan na remigratie een nieuw verzoek om vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen indienen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 4.36
Wet inkomstenbelasting 2001 4.25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/990
Viditax (FutD), 04-05-2018
FutD 2018-1267 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/39.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/1396 met annotatie van mr. J.A.L. Heldens
Belastingadvies 2018/16-17.4
NLF 2018/1006 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00239

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 februari 2017, nummer BRE 16/4026, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 2 december 2015 aan belanghebbende een beschikking als bedoeld in artikel 4.36 van de Wet IB 2001 (hierna: de beschikking) gegeven, inhoudende de vaststelling van de verkrijgingsprijs van na te melden aandelen. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de beschikking bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2016 ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, mevrouw [A] en de [B] , gemachtigden van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, de heer [C] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende is sinds 2 oktober 2003 houder van alle aandelen in [D] B.V. (hierna: de aandelen), een naar Nederlands recht opgerichte en feitelijk in Nederland gevestigde vennootschap. De verkrijgingsprijs van de aandelen bedroeg € 18.600.

2.2.

Eind augustus 2009 is belanghebbende naar België geëmigreerd. De waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van emigratie bedroeg € 148.908. Vanaf het moment van emigratie is belanghebbende aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige. Aan hem is geen conserverende aanslag opgelegd.

2.3.

Belanghebbende is voornemens om terug te keren naar Nederland. In verband daarmee heeft hij op 16 juni 2015 verzocht om de beschikking. De waarde in het economische verkeer van de aandelen bedroeg ten tijde van de dagtekening van de beschikking (2 december 2015) € 678.086. Belanghebbende heeft verzocht de verkrijgingsprijs vast te stellen op € 547.178, te weten het verschil tussen het bedrag van € 678.086 en het bedrag van het bij de emigratieaangifte 2009 aangegeven vervreemdingsvoordeel van € 130.908.

2.4.

In afwijking van het verzoek is bij de beschikking de verkrijgingsprijs vastgesteld op € 18.600.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.5.

De historische verkrijgingsprijs van de aandelen bedraagt € 18.600. Ook staat vast dat in het verleden geen verhoging van de verkrijgingsprijs heeft plaatsgehad en dat er geen besmette handelingen hebben plaatsgevonden.

2.6.

Op 22 februari 2017 is belanghebbende van België naar Nederland verhuisd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen terecht op € 18.600 heeft vastgesteld.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben hun standpunt tijdens het onderzoek ter zitting toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking in dier voege dat de verkrijgingsprijs wordt vastgesteld op de, niet nader aangeduide, waarde in het economische verkeer per 22 februari 2017 minus het in de emigratieaangifte aangegeven vervreemdingsvoordeel van € 130.908. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In artikel 4.36 van de Wet IB 2001 is bepaald dat de verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking kan worden vastgesteld.

4.2.

In artikel 4.21, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.

4.3.

Ten aanzien van de verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht is in artikel 4.25 van de Wet IB 2001 het volgende bepaald:

‘1. Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap heeft, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of die winstbewijzen gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen of die winstbewijzen kan worden toegekend.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen.

3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap betreft.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het geval voordien artikel 7.5, zevende lid, is toegepast.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het verminderen van de aanslag bij de vaststelling waarvan artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, is toegepast, in geval van terugkeer van de belastingplichtige naar Nederland binnen tien jaren nadat hij is opgehouden in Nederland te wonen onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, is toegepast.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van aanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor situaties waarin de verkrijger van de aandelen in Nederland gaat wonen.’.

4.4.

Artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘1. Indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de vennootschap waarop het belang betrekking heeft in Nederland is gevestigd, de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5, zevende lid, van de wet met betrekking tot dat belang is toegepast, wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21 van de wet, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de volgende leden is aangegeven.

2. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover blijkt dat de belastingplichtige in verband met het gaan wonen in Nederland in het buitenland hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.

(…)

7. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de aanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van vier maal het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.’.

4.5.

Het Hof stelt voorop, dat het belanghebbende op grond van artikel 4.36 van de Wet IB 2001 op 16 juni 2015 vrijstond om de Inspecteur te verzoeken om vaststelling van de verkrijgingsprijs van de aandelen. De Inspecteur dient op een dergelijk verzoek te beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking, hetgeen de Inspecteur ook heeft gedaan.

4.6.

In het geval dat een belastingplichtige in Nederland gaat wonen dient bij de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen deze verkrijgingsprijs te worden vastgesteld met inachtneming van artikel 4.25 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.

4.7.

Uit artikel 4.25, eerste lid van de Wet IB 2001 volgt de hoofdregel dat de verkrijgingsprijs van aandelen dient te worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment dat een belastingplichtige in Nederland gaat wonen. Voor de toepassing van dit artikel moet derhalve bekend zijn wanneer de belastingplichtige in Nederland is gaan wonen. De waarde in het economische verkeer van aandelen is immers geen vaststaand gegeven. De waarde in het economische verkeer van aandelen is afhankelijk van het moment waarop een belastingplichtige in Nederland is gaan wonen.

4.8.

Belanghebbende heeft in eerste aanleg bepleit dat de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen had moeten vaststellen op de waarde in het economische verkeer van € 678.086 per de datum van de beschikking (2 december 2015) minus het in de emigratieaangifte aangegeven vervreemdingsvoordeel van € 130.908.

4.9.

Het Hof overweegt allereerst dat de stelling van belanghebbende onder 4.8 moet worden verworpen. Uit artikel 4.25 van de Wet IB 2001 volgt, dat het bij toepassing van dit artikel gaat om de verkrijgingsprijs op het moment dat een belastingplichtige in Nederland is gaan wonen en niet om het moment waarop de Inspecteur de beschikking geeft.

4.10.

Voorts overweegt het Hof dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat de regeling in artikel 4.25, eerste lid van de Wet IB 2001 niet kon worden toegepast, omdat belanghebbende ten tijde van het verzoek (16 juni 2015) noch ten tijde van de beschikking (2 december 2015) in Nederland was gaan wonen. Op deze momenten was niet bekend wanneer belanghebbende wel van België naar Nederland zou gaan verhuizen en was mitsdien de waarde in het economische verkeer van de aandelen niet te bepalen. Als ervan uit zou worden gegaan dat de Inspecteur, nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen de beschikking, rekening zou hebben moeten houden met een verhuizing naar Nederland na het geven van de beschikking dan geldt in het onderhavige geval dat ook ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar (14 mei 2016) belanghebbende nog niet in Nederland was gaan wonen. Ook ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar was het dus niet mogelijk de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van remigratie te bepalen.

4.11.

Uit hetgeen onder 4.10 is overwogen volgt, zoals de Rechtbank heeft overwogen, dat de verkrijgingsprijs van de aandelen door de Inspecteur terecht is vastgesteld zonder rekening te houden met, naar het Hof begrijpt, een mogelijke toekomstige remigratie naar Nederland en terecht is vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs van € 18.600.

4.12.

In hoger beroep is komen vast te staan dat belanghebbende op 22 februari 2017 van België naar Nederland is verhuisd.

4.13.

Het Hof is van oordeel, dat dit feit niet tot gevolg heeft dat de door de Inspecteur bij beschikking van 2 december 2015 vastgestelde verkrijgingsprijs van de aandelen alsnog onjuist wordt. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur bij het beslissen op een verzoek om vaststelling van een verkrijgingsprijs van aandelen alleen rekening hoeft te houden met de omstandigheid dat een belastingplichtige in Nederland is komen wonen als deze omstandigheid zich heeft voorgedaan voordat hij op het verzoek beslist. Immers, alleen dan kan de waarde in het economische verkeer van aandelen worden bepaald. Nog daargelaten dat belanghebbende niet heeft gesteld wat de waarde in het economische verkeer per 22 februari 2017 zou zijn, laat staan dat belanghebbende daaromtrent iets aannemelijk heeft gemaakt.

4.14.

Het vorenstaande laat onverlet dat belanghebbende op of na 22 februari 2017 wederom een verzoek om vaststelling van een verkrijgingsprijs van aandelen had kunnen doen. Het staat belanghebbende uiteraard vrij nu nog steeds een verzoek om vaststelling van een verkrijgingsprijs van aandelen te doen en daarbij te bepleiten dat de verkrijgingsprijs moet worden gesteld op de waarde in het economische verkeer per 22 februari 2017 (minus het in de emigratieaangifte aangegeven vervreemdingsvoordeel van € 130.908). Op een nieuw verzoek dient de Inspecteur wederom te beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat belanghebbende daartegen in bezwaar en beroep kan opkomen. Hierbij zij terzijde opgemerkt dat het aanbeveling verdient in de beschikking op te nemen op welke datum de vaststelling van de verkrijgingsprijs betrekking heeft.

4.15.

Ten overvloede merkt het Hof op dat het zich, evenals de Rechtbank, ervan bewust is dat belanghebbende met deze beslissing geen duidelijkheid krijgt over het door belanghebbende gewenste antwoord op de vraag of bij remigratie van belanghebbende een zogenoemde ‘step up’ moet worden verleend.

4.16.

Uit al vorenoverwogene volgt, dat de stellingen van belanghebbende voor het verlenen van een ‘step up’ niet behandeld kunnen worden.

Slotsom

4.17.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 30 maart 2018 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en S. Bosma, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door V.M. van Daalen-Mannaerts, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.