Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:132

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.163.833_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8014
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wilsovereenstemming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.163.833/01

arrest van 16 januari 2018

in de zaak van

Quality Company Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna genoemd: de holding,

advocaat: mr. H. van Dijk te Utrecht,

tegen

1 De Oranjecamping B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk genoemd: geïntimeerden en afzonderlijk achtereenvolgend: De Oranjecamping B.V , [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. R.P.E. Halfens te Nieuwegein,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest in het incident van 12 mei 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/273812/HAZA 13-937 gewezen vonnis van 19 november 2014. Hierna zullen de paragrafen worden doorgenummerd vanaf de nummering zoals gehanteerd in voormeld tussenarrest.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 mei 2015;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is in het incident de proceskostenveroordeling in het vonnis waarvan beroep alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van de holding.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 3.1. a. tot en met d. vastgestelde feiten, waartegen geen grief is ingebracht:

“a. Op 18 november 2011 is de vennootschap onder firma (hierna: vof) Oranjecamping Zomerspelen opgericht met als vennoten QCH Spelen BV en Oranjecamping Events BV. QCH Spelen BV is eveneens opgericht op 18 november 2011 en heeft QCH BV als bestuurder en enig aandeelhouder.

b. Op 21 november 2011 is de vof Oranjecamping Voetbal opgericht met als vennoten QCH Voetbal BV en OC Travel BV. QCH Voetbal BV is opgericht op 18 november 2011 en heeft QCH BV als bestuurder en enig aandeelhouder. OC Travel BV heeft (tevens) als handelsnaam Oranjecamping BV.

c. Beide vof’s drijven een onderneming gericht op de organisatie van camping gerelateerde activiteiten rondom respectievelijk de Olympische Spelen en het EK Voetbal. Op 25 mei 2012 zijn beide vennootschappen onder firma ontbonden waarna de bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet door Oranjecamping Events BV en Oranjecamping BV. Reden voor de ontbinding van de vof’s is de opzegging van QCH Spelen BV en QCH Voetbal BV.

d. QCH BV heeft op 30 mei 2012 een bedrag van € 40.000,- overgemaakt op de bankrekening van de vof Oranjecamping Voetbal.”

6.2.

De holding vordert, zoals weergegeven door de rechtbank in 2.1. van het vonnis waarvan beroep:

“veroordeling van De Oranjecamping BV c.s. hoofdelijk tot betaling van € 44.664,32, te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente over € 40.000,= vanaf 9 juli 2013, met veroordeling van De Oranjecamping BV c.s. hoofdelijk in de proceskosten en de nakosten”.

6.3.

De rechtbank heeft in 3.2. overwogen dat de holding aan haar vordering ten grondslag legt:

“dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat, waarvan zij nakoming vordert. Zij stelt dat zij een bedrag van € 40.000,= aan De Oranjecamping BV c.s. heeft uitgeleend omdat er op het moment van ontbinding van de vof Oranjecamping Voetbal te weinig geld in de onderneming aanwezig was om een aantal dringende zaken te betalen. QCH BV stelt dat De Oranjecamping BV c.s. hoofdelijk gehouden is tot terugbetaling van het geleende geldbedrag en dat De Oranjecamping BV c.s. dit ook heeft erkend maar dat terugbetaling tot op heden achterwege is gebleven. QCH BV vordert tevens rente en incassokosten.”

6.4.

Geïntimeerden hebben verweer gevoerd, zoals vermeld in 3.3. en 3.5. van het vonnis van 19 november 2014:

“De Oranjecamping c.s. voert allereerst als verweer dat De Oranjecamping BV (gedaagde 1) en Oranjecamping BV, dat de bedrijfsactiviteiten van vof Oranjecamping Voetbal heeft voortgezet, twee verschillende vennootschappen zijn. De Oranjecamping BV is opgericht op 28 augustus 2013, derhalve ruim een jaar na betaling van het geldbedrag, en kan reeds om die reden geen partij bij de overeenkomst zijn, aldus De Oranjecamping c.s.

De Oranjecamping BV c.s. heeft voorts betwist dat [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] partij zijn bij de gestelde overeenkomst van geldlening en betwist dat aan hen een geldbedrag door QCH BV is verstrekt – het geldbedrag is immers gestort op de bankrekening van de vof Oranjecamping Voetbal. Weliswaar heeft QCH BV voorstellen gedaan aan – onder meer – [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] omtrent het sluiten van een vaststellingsovereenkomst inzake de geldlening, maar deze voorstellen zijn door haar nimmer aanvaard. Subsidiair betwist De Oranjecamping BV c.s. dat de vordering opeisbaar is.”

6.5.

Bij vonnis van 5 februari 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen.

6.6.

In het bestreden eindvonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank de vorderingen van de holding afgewezen en haar in proceskosten van geïntimeerden veroordeeld.

6.7.

De holding heeft in haar memorie van grieven gevorderd het vonnis van 14 november 2014 te vernietigen en alle vorderingen van haar alsnog toe te wijzen met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties. De holding heeft hiertoe vijf grieven voorgedragen.

6.8.

Geïntimeerden concluderen tot niet-ontvankelijk, althans ongegrondverklaring van het hoger beroep en veroordeling van de holding in de kosten van beide instanties met inbegrip van nakosten en rente indien de kosten niet binnen zeven dagen na datum van het arrest zijn voldaan.

6.9.

Het hof merkt allereerst op dat de holding geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de holding jegens De Oranjecamping B.V. zal worden afgewezen. Aangezien de holding in haar memorie van grieven vordert om alle vorderingen van haar toe te wijzen –dus ook tegen die De Oranjecamping B.V. - zal de holding in die vordering bij gebreke van grieven tegen voormeld oordeel van de rechtbank niet kunnen worden ontvangen.

Grief 1: aansprakelijkheid [geïntimeerde 3] ?

6.10.

De eerste grief van de holding richt zich tegen de overweging van de rechtbank onder 3.9. van het bestreden vonnis. In haar toelichting voert de holding aan dat uit emailberichten blijkt dat [geïntimeerde 3] persoonlijk heeft erkend aansprakelijk te zijn voor terugbetaling van de geldlening van € 40.000,-.

6.11.

De holding onderbouwt haar stelling, dat [geïntimeerde 3] aansprakelijkheid voor de terugbetaling van de lening heeft erkend, door te wijzen op de navolgende delen van mails:

- 3 december 2012:“Welke zekerheid wil je voor die 40K meer dan mijn woord dat ik je koste wat kost retour betaal?” (onderdeel van productie G, in eerste aanleg overgelegd bij brief van 14 maart 2014 van de raadsman van de holding).

- 1 februari 2013: “Indien Project Brazilië geen 40K oplevert krijg je alle door jouw gewenste zekerheden tot ik aan dat bedrag voldaan heb.” (productie A bij voormelde brief van 14 maart 2014).

- 29 maart 2013: “Ik moet mijn huis te koop gaan zetten en ga dit doen” en “om in 1x af te kunnen lossen”(onderdeel van productie E bij voormelde brief van 14 maart 2014).

- 4 april 2013: “Heb jij een voorbeeld van een tweede hypotheekakte?” (onderdeel van voormelde productie E).

- 1 augustus 2013: “In het kader van een man een man een woord een woord”. (onderdeel van productie G voornoemd).

6.12.

Voormelde zinsneden uit de hierboven genoemde mails in samenhang bezien acht het hof onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat [geïntimeerde 3] zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld tot terugbetaling aan de holding van de geldlening.

6.12.1.

Immers in de mail van 1 februari 2013 is er slechts sprake van een voorstel (aanhef: …hierbij het volgende voorstel:”). Niet is gesteld of gebleken dat dit voorstel is aanvaard.

6.12.2.

Hier komt bij dat in een mail van 21 maart 2013 (onderdeel van productie E voornoemd) van [betrokkene] aan onder meer [geïntimeerde 3] door eerstgenoemde wordt geconstateerd dat het al een tijdje stil is geweest en dat hij, [betrokkene] , bijgaand stuurt zijn laatste inspanning om snel een en ander tussen hen, [betrokkene] en [geïntimeerde 3] , af te ronden, zodat zij beiden verder kunnen, dat hij van harte hoopt dat [geïntimeerde 3] zich in het eindvoorstel kan vinden en dat er geen ruimte meer is voor onderhandeling en uitstel. In voormelde bijlage (onderdeel van productie 4 bij inleidende dagvaarding) worden aan [geïntimeerde 3] een drietal eisen gesteld over rente, aflossing en zekerheid. In die bijlage constateert [betrokkene] zelf dat het rentepercentage anders is dan in het voorstel van [geïntimeerde 3] . Ook voorgaande mail en bijlage duiden er dus op dat er op dat moment geen wilsovereenstemming tussen partijen was en dat [betrokkene] zich hiervan bewust was.

6.12.3.

De mail van 29 maart 2013 van [geïntimeerde 3] kan niet zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, worden gelezen als een aanvaarding van het aanbod van [betrokkene] van 21 maart 2013. In voormelde mail van [geïntimeerde 3] wordt namelijk slechts medegedeeld dat hij, [geïntimeerde 3] , en [betrokkene] in dezelfde richting denken, maar dat hij, [geïntimeerde 3] , de oplossing van [betrokkene] van een tweede hypotheek bij ABN niet mogelijk acht en dat hij een herfinanciering van meer schulden heeft aangevraagd bij ING. Ook [betrokkene] beschouwt de mail van 29 maart 2013 kennelijk niet als een aanvaarding van zijn aanbod, gezien de mail van [betrokkene] aan [geïntimeerde 3] van 3 april 2013 (onderdeel van productie E voornoemd). In laatstgenoemde mail deelt [betrokkene] namelijk mee dat indien er de maandag volgend op 3 april niet is betaald, zijn, [betrokkene] ’s, aanbod vervalt. Vast staat dat er niet is betaald, zodat het hof, nu daaromtrent niets anders is gesteld of gebleken, ervan uitgaat dat het aanbod is vervallen en er dus geen sprake kan zijn van een overeenkomst tussen partijen waarbij [geïntimeerde 3] de verplichting op zich heeft genomen om de lening aan de holding terug te betalen.

6.12.4.

Voorts is van belang dat [betrokkene] in zijn mail aan [geïntimeerde 3] van 3 september 2013 schrijft dat hij, [betrokkene] , bijgaand een laatste poging doet om met [geïntimeerde 3] mee te denken en dat hij, [betrokkene] , uiterlijk 5 september hoort of [geïntimeerde 3] hiermee akkoord gaat (onderdeel productie B). Hieruit volgt dat er tot dan toe ook naar de mening van [betrokkene] geen overeenstemming tussen partijen was over de betaling door [geïntimeerde 3] privé. [geïntimeerde 3] bevestigt dit ook in zijn mail van 5 september 2013, waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is in privé te tekenen (onderdeel productie B).

6.12.5.

Deze grief faalt op grond van het voorgaande.

Grief 2: aansprakelijkheid [de vennootschap 2] ?

6.13.

Deze grief richt zich tegen overweging 3.10. van het bestreden vonnis. In zijn toelichting stelt de holding zich op het standpunt dat [de vennootschap 2] aansprakelijkheid heeft erkend voor terugbetaling aan de holding van de lening.

6.14.

Ter onderbouwing van haar standpunt voert de holding aan dat in de e-mail van 5 september 2013 [geïntimeerde 3] schrijft: “Ik ben bereid te tekenen op OC BV en [de vennootschap 2] ” en dat dit wordt herhaald in de e-mail van 9 oktober 2014 (onderdeel van productie B).

6.14.1.

Het hof acht deze onderbouwing onvoldoende om te kunnen oordelen dat [de vennootschap 2] zich jegens de holding heeft verbonden om de geldlening aan de holding terug te betalen. Immers in de mail van 5 september 2013 wordt weliswaar bereidheid getoond om te tekenen op [de vennootschap 2] , maar in die mail worden ook een aantal voorwaarden gesteld door [geïntimeerde 3] , namelijk dat hij enkel op 31/12 van ieder jaar rente kan betalen en dat in de vaststellingsovereenkomst dient te worden omschreven dat er verder geen enkel bedrag meer te vorderen is vanuit de holding. Het hof neemt aan dat productie 6 bij inleidende dagvaarding, gezien de datering op “..september 2013” de bijlage is die bedoeld wordt in de mail van [betrokkene] van 3 september 2013. Uit dat voorstel van [betrokkene] blijkt dat maandelijks rente zou moeten worden voldaan en dat daarin geen bepaling is opgenomen dat de holding verder niets meer te vorderen heeft. Voormelde verschillen tussen het voorstel van [betrokkene] en de mail van [geïntimeerde 3] van 5 september 2013 acht het hof zodanig wezenlijk dat op dat moment niet van wilsovereenstemming tussen partijen kan worden gesproken. Niet is gesteld of gebleken dat na 5 september 2013 een overeenkomst tussen partijen is aangegaan.

Op voormelde gronden wordt ook deze grief verworpen.

Bewijs.

6.15.

Het bewijsaanbod van de holding wordt gepasseerd omdat het, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dienend is.

Slotsom.

6.16.

De slotsom is dat de overige grieven, gezien de beslissing ter zake van de grieven 1 en 2, eveneens worden verworpen, het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en dat de holding als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in hoger beroep van geïntimeerden zal moeten dragen. Die proceskosten worden begroot zoals in de beslissing hierna bepaald. De advocaatkosten worden als volgt gespecificeerd: tarief IV=€ 1.631,- in hoger beroep x memorie van antwoord=1 punt.

De holding zal tevens als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, die worden begroot op € 632,00 aan advocaatkosten.

7 De uitspraak

Het hof:

verklaart de holding niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van haar vordering jegens De Oranjecamping B.V. ;

bekrachtigt voor het overige het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de holding in de proceskosten van het incident, welke worden begroot op € 632,- en in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 1.937,- aan griffierecht en op € 1.631,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, welke betalingstermijn in redelijkheid aan de holding moet worden gegund, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.J. Verhoeven en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 januari 2018.

griffier rolraadsheer