Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:131

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
20-002031-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3530, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten ontploffen van zwaar vuurwerk aan de voordeur van een woning in Uden en een poging daartoe bij het raam van diezelfde woning. De verdachte had klaarblijkelijk een motief: hij kreeg nog geld van de zoon van het echtpaar dat in het huis woonde en wilde met zijn handelen zijn financiële eisen kracht bij zetten.

Onder vernietiging van het vonnis van de rechtbank legt het hof een zwaardere straf op dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002031-17

Uitspraak : 17 januari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 29 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-879112-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1982,

wonende te [woonadres verdachte] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ en ‘poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat tevens bewezen zal worden verklaard dat als gevolg van de poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen gemeen gevaar voor een in de nabijheid van de woning geparkeerde personenauto te duchten was.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank van het telkens ten laste gelegde delictsbestanddeel ‘terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning verblijvende [aangeefster] te duchten was’. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak een beschermde vrijspraak is.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 januari 2017 te Uden, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (zwaar) stuk vuurwerk (een zogenaamde Cobra), althans enig explosief, aan de (voor)deur van een woning (locatie [adres plaats delict] te Uden) te bevestigen en/of dit stuk vuurwerk, althans explosief, middels (open) vuur te ontsteken, ten gevolge waarvan dit stuk vuurwerk, althans dit explosief, explodeerde, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel en/of de in de nabijheid van de woning geparkeerde personenauto's te duchten was

en/of

hij op of omstreeks 19 januari 2017 te Uden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, een (zwaar) stuk illegaal vuurwerk, althans enig explosief, (met behulp van kauwgom) aan een (keuken)raam van een woning (locatie [adres plaats delict] te Uden) heeft bevestigd en/of de lont van dit stuk vuurwerk, althans explosief, heeft aangestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel en/of de in de nabijheid van die woning geparkeerde personenauto's te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 januari 2017 te Uden, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (zwaar) stuk vuurwerk (een zogenaamde Cobra) aan de voordeur van een woning (locatie [adres plaats delict] te Uden) te ontsteken, ten gevolge waarvan dit stuk vuurwerk explodeerde, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel en de in de nabijheid van de woning geparkeerde personenauto te duchten was

en

hij op 19 januari 2017 te Uden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, een (zwaar) stuk illegaal vuurwerk, met behulp van kauwgom aan een keukenraam van een woning (locatie [adres plaats delict] te Uden) heeft bevestigd en de lont van dit stuk vuurwerk heeft aangestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel en de in de nabijheid van die woning geparkeerde personenauto te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, onderzoeksnummer OB1R017009, mutatienummer 2017012605, afgesloten d.d. 9 mei 2017, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-119, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , agent van politie, dossierpagina’s 16-17, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [aangeefster] :

Op donderdag 19 januari 2017 was ik samen met mijn man [naam echtgenoot] en mijn zoon [zoon aangeefster] [het hof begrijpt: [zoon aangeefster] ] in onze woning aan de [adres plaats delict] te Uden. Ik ben rond 00.00 uur in slaap gevallen op de bank in de woonkamer op de begane grond. (…) Op donderdag 19 januari 2017 tussen 03.00 uur en 03.10 uur werd ik wakker van gepiep van mijn hond. Daarna hoorde ik dat onze hond begon te grommen. Ik riep tegen de hond: ‘Ben is stil’. Meteen daarna begon de hond te blaffen en voor dat ik het wist hoorde ik een enorme knal. Ik schrok mij rot en wist totaal niet wat mij overkwam, het was zo’n harde klap. (…) Ik stond op en liep naar de gang toe. Ik zag dat de hele gangdeur uit het kozijn was geblazen. Ik zag overal glas en stukken deur op de grond liggen. (…) Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk brigadier van politie en buitengewoon opsporingsambtenaar domein generieke opsporing, dossierpagina’s 32-35, voor zover inhoudende het relaas van voormelde verbalisanten:

Op donderdag 19 januari 2017 te 05.00 uur werd door ons, beiden als senior technisch rechercheur werkzaam bij de afdeling Forensische Opsporing, op verzoek van de politie-eenheid Oost-Brabant een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een explosie die had plaatsgevonden op donderdag 19 januari 2017 omstreeks 03.10 uur. Het feit deed zich voor aan de [adres plaats delict] te Uden. (…) Het pand is midden in een woonwijk gelegen. De voordeur van het pand bevond zich in de zijgevel. De personenauto van de bewoner stond dwars voor de voordeur geparkeerd ( [kenteken auto] ). Staande voor het pand en kijkend naar de voordeur bevond zich aan de linkerzijde een laagbouw waarin zich onder andere de keuken bevond. Deze keuken had een raam dat direct aan de openbare weg grensde. Direct voor dit raam stond een personenauto geparkeerd. De raampartij waarin zich het keukenraam bevond, was tot een hoogte van circa 1 meter voorzien van houten plaatwerk. Boven het plaatwerk bevond zich een ruit. Wij zagen op de overgang van het houtwerk en daar waar de onderzijde van de ruit begon een zwarte brandplek op de ruit [hof: van het keukenraam]. Wij zagen dat op de bodem onder het raam een zwarte Cobra 6 lag. Het is ons ambtshalve bekend dat de Cobra 6 een zwaar stuk illegaal vuurwerk betreft dat grote schade kan veroorzaken. Wij zagen dat het lont van deze Cobra deels zwart was en kennelijk had gebrand. Wij zagen dat op deze Cobra een stuk witkleurige kauwgom was geplakt. Kennelijk was de Cobra middels deze kauwgom op het raam geplakt geweest. Mogelijk dat door het vochtige en koude weer die nacht, de Cobra met kauwgom onvoldoende heeft gehecht op de ruit en op de bodem was gevallen en gedoofd. De aangetroffen Cobra werd door mij, [verbalisant 3] , voor nader forensisch onderzoek veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAEY3170NL.

Bij verder onderzoek zagen wij dat de kunststof voordeur van de woning aan de [adres plaats delict] te Uden zwaar beschadigd was ter hoogte van de brievenbus. Wij zagen dat er een gat was geslagen in de deur aan de onderzijde van de brievenbus. Wij zagen dat door rondvliegende stukken kunststof van de voordeur het bijrijdersportier van de personenauto ( [kenteken auto] ) was beschadigd. Wij zagen dat de klep van de brievenbus op de deurmat lag. Wij zagen verder op de deurmat een blauw kunststof dopje liggen dat wij herkenden als de onderzijde van een Cobra 6. (…) Wij zagen dat in de voordeur een smalle verticale ruit aanwezig was. Deze ruit was vernield en lag grotendeels op de deurmat in de hal. Wij zagen dat achter de voordeur een kleine hal was die middels een binnendeur was gesloten. Wij zagen dat deze binnendeur compleet uit de scharnieren was geblazen door de explosie. Wij zagen dat deze binnendeur voorzien was geweest van glas. Wij zagen dat de houten deur in stukken op de vloer lag en dat het glas op de vloer verspreid lag tot in de woonkamer. Wij zagen aan de binnenzijde van de deur een zwart patroon rondom de brievenbus dat ontstaat bij het gebruik van kruit. Wij zagen op de vloer in de hal diverse stukken karton en papier liggen die door ons werden veiliggesteld. Wij zagen dat deze stukken karton en papier qua kleuren en stukken tekst overeen kwam met de andere, niet ontplofte Cobra. Bij beide Cobra’s was sprake van Duitstalige opschriften.

Bij nader onderzoek van de aangetroffen Cobra (SIN-nummer AAEY3170NL) zag ik, [verbalisant 3] , dat in de kauwgom die op de Cobra was geplakt, duidelijke dactyloscopische lijnen aanwezig waren. Dit dactyloscopische spoor werd door mij, [verbalisant 3] , fotografisch vastgelegd en voorzien van SIN-nummer AAJH5361NL. Dit spoor werd ingezonden naar de HAVANK-databank (Het automatische vingerafdrukkensysteem Nederlandse kollektie) ingezonden.

Op 21 maart 2017 ontving ik, [verbalisant 3] , een e-mailbericht van de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking (DLOS) van de Nationale Politie met daarin een rapportage omtrent het onderzoek naar de ingezonden dactyloscopische sporen. Hieruit bleek dat de aangetroffen vingerafdruk in de kauwgom ‘mogelijk afkomstig was van de potentiële donor’. Als potentiële donor werd aangemerkt: [verdachte] , geboren te Uden op [geboortedatum] 1982.

De kauwgom werd door mij, [verbalisant 3] , separaat veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAKK7607NL. In opdracht van de officier van justitie werd de kauwgom voor nader DNA-onderzoek ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Op 22 maart 2017 ontving ik, [verbalisant 3] , van het NFI een rapportage met de uitslag van het DNA-onderzoek aan de ingezonden kauwgom met SIN-nummer AAKK7607NL. Hieruit bleek dat het DNA-profiel dat werd aangetroffen in de kauwgom een match opleverde in de DNA-databank voor strafzaken met: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982.

Door ons wordt opgemerkt dat het ons ambtshalve bekend is dat het gebruik van dit soort Cobra’s, zoals bij dit incident, (zeer) ernstig(e) letsel/schade kunnen veroorzaken aan personen en/of goederen. Door de kracht van de explosie waren glas- en houtdelen in de woning terecht gekomen die aanmerkelijk letsel en/of schade konden veroorzaken. Er waren op het moment van het incident personen in de woning aanwezig.

3.

Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 januari 2018, voor zover inhoudende de eigen waarneming van het gerechtshof:

De voorzitter houdt de foto’s 7 en 8 op pagina 39 van het procesdossier voor. Het hof neemt op foto 7 waar dat de personenauto dicht bij de voordeur van de woning aan de [adres plaats delict] te Uden geparkeerd staat en dat er diverse stukken puin en splinters – vermoedelijk bestaande uit glas-, hout- en kunststofdelen – op de grond liggen. Op foto 8 neemt het hof waar dat de personenauto beschadigd is, kennelijk doordat (onder)delen die bij de explosie zijn losgekomen tegen de auto zijn gekomen.

De voorzitter houdt de foto’s 9 en 10 op pagina 40 en foto’s 11 en 12 op pagina 41 van het procesdossier voor. Het hof neemt op deze foto’s waar dat in de gang van de woning aan de [adres plaats delict] te Uden diverse goederen staan, zoals een tafeltje met andere goederen daarop en een kapstok waar jassen althans soortgelijke voorwerpen aan hingen. In de gang liggen diverse glassplinters en een kapotte deur op de grond.

De oudste raadsheer merkt op dat zij waarneemt dat de verdachte krullend haar heeft. De overige leden van het hof onderschrijven dat.

4.

Het rapport van dr. [naam deskundige] , werkzaam als deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut en ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen voor het deskundigheidsgebied DNA-analyse en -interpretatie, d.d. 21 maart 2017, voor zover inhoudende als conclusie van voornoemde rapporteur:

Eén van de twee delen kauwgom met SIN-nummer AAKK7607NL is onderworpen aan een DNA-onderzoek. Het celmateriaal kan op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig zijn van een man, te weten [verdachte] , met een matchkans van het DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard.

5.

De brief van [naam specialist] , operationeel specialist biometrie, werkzaam bij HAVANK, d.d. 21 maart 2017, voor zover inhoudende als conclusie van een dactyloscopisch onderzoek:

Het spoor met kenmerk AAJH5361NL is mogelijk afkomstig van de potentiële donor [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te Uden. Deze conclusie komt voort uit afzonderlijk en onafhankelijk onderzoek door drie gecertificeerde dactyloscopisch experts, conform de meervoudige procedure. Het spoor met SIN AAJH5361NL en de referentieafdruk vertonen dactyloscopische verschillen, maar er is onvoldoende kwaliteit en kwantiteit om tot individualisatie te komen. De vergeleken persoon is daarmee niet uit te sluiten als donor van het spoor.

6.

Het proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier van politie en [verbalisant 6] , hoofdagent van politie, dossierpagina’s 52- 55, inhoudende het relaas van voornoemde verbalisanten:

Op 19 januari 2017, omstreeks 03.35 uur, kregen wij, verbalisanten, telefonisch de melding te gaan naar de adressen [adressen appartementencomplex] te Uden. Bewoners van beide adressen zouden allebei melding hebben gemaakt van een harde knal. (…) Op donderdag 19 januari 2017, omstreeks 03.51 uur bevonden wij, verbalisanten, ons ter plaatse. (…) Een man kwam ons tegemoet gestapt. Een andere man stelde zich voor als de bewoner van [woonadres getuige 1] .

De eerste man zou bezoek betreffen. Wij werden in de woning van de man uitgenodigd.

In de woning bleken de mannen volledig te zijn genaamd:

[getuige 1] , wonende [woonadres getuige 1] te Uden en [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1982 te Uden, wonende onbekend te België.

7.

Het proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2017 met als bijlage drie kaarten, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , hoofdagenten van politie, dossierpagina’s 56-58, inhoudende het relaas van voornoemde verbalisanten:

De hierna volgende bevindingen beschrijven de afstand en de reistijd tussen woningen aan de [adressen appartementencomplex] en [adres plaats delict] te Uden. Dit proces-verbaal van bevindingen is voorzien van een bijlage met daarop 3 kaarten afkomstig van Google-Maps. Op genoemde kaarten worden de woningen weergegeven en de mogelijke route die de dader heeft afgelegd te voet, op de fiets en/of per personenauto. (…) Op kaart nummer 1 wordt de route weergegeven met een personenauto. De afstand bedraagt 1,2 kilometer en de reistijd bedraagt 3 minuten. Op de kaart met nummer 2 wordt de route te voet weergegeven. De afstand bedraagt 1,2 kilometer en de reistijd 15 minuten. Op de kaart nummer 3 wordt de route weergegeven per fietsverplaatsing. De afstand bedraagt 1,2 kilometer en de reistijd bedraagt 4 minuten. Tussen de tijdstippen 03.11 uur (de explosie aan de [adres plaats delict] ) en 03.35 uur zit een tijdsverschil van 24 minuten. Gezien de bovenstaande reistijden en afstand tussen de woningen [adres plaats delict] en de [adressen appartementencomplex] is het mogelijk de afstand in 24 minuten te bereizen.

8.

Het proces-verbaal van verhoor aangever van 29 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 7] , hoofdagenten van politie, dossierpagina’s 21-24, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [aangeefster] :

Wat ik heb gehoord van [zoon aangeefster] [het hof: zoon van aangeefster, zoals blijkt uit bewijsmiddel 1] is dat er een akkefietje is geweest tussen [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ] en [zoon aangeefster] . (…) [zoon aangeefster] en hij [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ] zijn toen samen opgepakt en uiteindelijk is [zoon aangeefster] vrij gelaten omdat hij er niets mee te maken zou hebben. Dit neemt [verdachte] hem blijkbaar kwalijk. (…) Nu moest er geld betaald worden. (…) [zoon aangeefster] heeft betaald. Hij heeft geld gekregen van zijn vader en ik ben het daar niet mee eens. (…) [zoon aangeefster] heeft inderdaad 5000 euro gekregen. Ik ben samen met [zoon aangeefster] dit gaan betalen. Dit was vrij kort nadat het [het hof begrijpt: de explosie van 19 januari 2017] gebeurd was. Ik wilde het zelf afgeven. Ik ben samen met [zoon aangeefster] naar een flatje gereden van een jongen. Die jongen is een vriend van die [verdachte] en ook een maatje van [zoon aangeefster] . (…) Het was in ieder geval in de wijk van Morenen, maar ik weet het niet meer precies. Ik heb 5 enveloppen gemaakt met in iedere enveloppe 1000 euro. Het waren allemaal briefjes van 50,-.

9.

Het tapgesprek van 19 januari 2017, dossierpagina 66:

Datum: 19-01-2017 14:34:56

Duur: 00:01:41

Beller: [telefoonnummer 1]

Naam: 9006

Tnv: [aangeefster]

Gebelde: [telefoonnummer 2]

Naam: 4297

Tnv: [aangeefster]

9006 NN man belt uit naar 4297 NN vrouw

NN vrouw:1

NN man: 2 (wordt later in het gesprek [zoon aangeefster] genoemd door vrouw)

2. Ik weet zeker dat het die jongen was.

1. Weet je het zeker?

2. Ja omdat ik die gesproken heb.

1. [verdachte] ?

2. Ja.

1. Heb jij hem zelf gesproken?

2. Ja

1. En nou?

2. En nou… ik moet dat gewoon met hem oplossen.

10.

Het tapgesprek van 21 januari 2017, dossierpagina 67:

Datum: 21-01-2017 1:15:41
Duur: 00:00:39

Beller: [telefoonnummer 3]
Naam: nnman

Gebelde: [telefoonnummer 1]
Naam: [zoon aangeefster] [het hof begrijpt: [zoon aangeefster] ]

Samenvatting:
nnman: ik moest even [verdachte] ophalen en weg brengen, zal ik jou daarna op komen halen
[zoon aangeefster] : ja dat is goed
(…)
nnman: goed ik bel wel als ik er ben
: is goed, maar zeg maar tegen die jongen die bij jou is dat het dinsdag zeker is
nnman: ja is goed is goed
: want het is al geregeld, dinsdag is het zeker dan betaal ik hem in één keer af

11.

Het tapgesprek van 23 januari 2017, dossierpagina 71:

Datum: 23-01-2017 15:34:40
Duur: 00:01:19

Beller: [telefoonnummer 1]
Naam: [getuige 1]

Gebelde: [telefoonnummer 3]
Naam: nnman ( [zoon aangeefster] [het hof begrijpt: [zoon aangeefster] ])

[getuige 1] is ziek thuis

nnman vraagt of hij de krullenbol nog heeft gesproken
[getuige 1] : ja ja was goed
nnman: oké kun je aan hem vragen hoe laat we morgen kunnen afspreken want ons mam wil dat ik het persoonlijk aan hem overhandig, weet je wel want anders denkt ze dat ik het zelf in mijn zak steek.

[getuige 1] : ja hij wil, euh, hij is niet hier. Hij wil weten
nnman: ja
: dat jij het aan mij geeft en ik moet het naar die moeder brengen
nnman: oké. Oh dat ik ook goed. Dan rij je gewoon met ons mam mee naar die moeder, weet je wel. Dan gooi je het daar effe af dan ziet ons mam dat ook
: ja is goed

12.
Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 januari 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] :

Het is mij bekend dat Cobra zwaar vuurwerk is. Met dat vuurwerk kun je dingen vernielen.

Ik steek geregeld Cobra’s af. In januari 2017 heb ik in Uden ook Cobra’s afgestoken. Die had ik nog over van Oud en Nieuw. Ik steek vaker Cobra’s af. Dat gebeurt rond de jaarwisseling, maar ook gedurende het jaar buiten de officiële feestdagen. Het gebeurt regelmatig dat een Cobra niet afgaat. Als een Cobra niet afgaat, dan ga ik niet naar die Cobra terug, dat is te gevaarlijk.

Als ik Cobra’s afsteek, dan gebeurt dat regelmatig met kauwgom erop. Ik doe dan de kauwgom op de Cobra om deze ergens op te bevestigen. Dan wordt het effect beter. Ik kauw eerst de kauwgom in mijn mond en plak deze vervolgens op de Cobra.

Ik betwist niet dat het mijn kauwgom is geweest en mijn Cobra’s zouden kunnen zijn. Als ik het dossier zo lees, moet dat wel het geval zijn.

Het klopt dat [zoon aangeefster] in het verleden een voor mij belastende verklaring heeft afgelegd. Ik ben opgedraaid voor zijn daden. Daar ben ik heel boos over geweest.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Daarnaast zijn voorwaardelijke getuigenverzoeken gedaan. Aan het pleidooi is in de kern het volgende ten grondslag gelegd.

A.1

De steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen de verdachte bij het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit materieel te verwijten dat de verdachte het explosief op de voordeur zou hebben bevestigd en dit vervolgens zou hebben aangestoken. De rechtbank heeft daarvan slechts bewezen verklaard dat het explosief aan de voordeur is ontstoken. Dit behelst volgens de verdediging een andere gedraging dan die werd verweten. Daarom moet primair vrijspraak volgen. Subsidiair is als verweer aangevoerd dat hetgeen bewezen is verklaard niet langer begrijpelijk en om die reden niet te kwalificeren is, waardoor de verdachte bijgevolg zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

A.2

Met betrekking tot het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit is betoogd dat het dwingend ten laste gelegde scenario, inhoudende dat de Cobra aan het raam is bevestigd en vervolgens de lont is ontstoken, niet bewijsbaar is. Om die reden dient ook voor dit feit vrijspraak te volgen.

A.3

De verdachte heeft in eerste aanleg een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de kauwgom. Hij zou omstreeks de jaarwisseling van 2016 op 2017 kauwgom op een Cobra hebben bevestigd en deze Cobra ergens in de buurt van de woning aan de [adres plaats delict] in Uden hebben achtergelaten. Een derde zou de Cobra op het keukenraam hebben bevestigd. Volgens de verdediging is dit scenario, dat in hoger beroep nogmaals naar voren is gebracht, zeer wel mogelijk. De verdachte had voorts een alibi, nu hij de gehele avond en nacht (toen de ontploffing plaatsvond) bij [getuige 1] is geweest. Daarnaast zijn de verdachte en [getuige 1] enerzijds en buurman [buurman getuige 1] anderzijds in een conflict beland, dat zich heeft voltrokken in het tijdsbestek tussen de ontploffing om circa 3.10-3.15 uur en de melding van de meldkamer om 3.35 uur. In de visie van de verdediging maakt het voorgaande dat het daderschap van de verdachte ontbreekt.

A.4

Ten slotte heeft de raadsman ter terechtzitting van het hof op 3 januari 2018 een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van drie getuigen. De verdediging wenst verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] te horen indien het hof hun proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2017 (dossierpagina’s 52-54), voor zover daarin op pagina 52 is gerelateerd dat de verdachte 15 minuten voor hun komst in de woning van [getuige 1] is gekomen, tot het bewijs zal bezigen. De verdediging wenst de getuige [zoon aangeefster] te horen, indien het hof zijn belastende verklaring, zoals vervat in het proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2017 (dossierpagina’s 30-31), in bewijsrechtelijke zin zal gebruiken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 19 januari 2017 onder het keukenraam van de woning aan de [adres plaats delict] te Uden een zwarte Cobra 6 is aangetroffen. De lont van deze Cobra was deels zwart en had kennelijk gebrand, maar de Cobra was niet tot ontploffing gekomen. Op de onderzijde van het raam bevond zich een zwarte brandplek. Op deze Cobra was een stuk kauwgom geplakt. Voor de verdachte, die geregeld Cobra’s afsteekt en bekend is met de kracht en gevolgen van exploderend zwaar vuurwerk, is het een gebruikelijke manier om kauwgom op dergelijk vuurwerk te plakken. Dat doet hij om het vuurwerk ergens op te bevestigen, zodat de explosie een beter effect geeft. Uit het aantreffen van de brandplek op het raam, de aangetroffen kauwgom op de Cobra en de verklaring van de verdachte dat kauwgom een gebruikelijk bevestigingsmiddel is voor vuurwerk, leidt het hof af dat deze Cobra bij het aansteken op het raam bevestigd moet zijn geweest. Aldus faalt het onder A.2 aangevoerde verweer.

Naast de niet ontplofte Cobra die onder het keukenraam is aangetroffen, zijn delen van een ontplofte Cobra in de gang van de woning gevonden. De stukken karton en papier van de ontplofte Cobra kwamen qua kleuren en Duitstalige stukken tekst overeen met de niet ontplofte Cobra. Aangezien beide Cobra’s identieke kenmerken hebben en zij beide omstreeks hetzelfde tijdstip moeten zijn aangestoken nabij of tegen de woning aan de [adres plaats delict] te Uden, houdt het hof het ervoor dat sprake is geweest van één en dezelfde dader.

De vervolgvraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of het de verdachte is geweest die het vuurwerk tot ontploffing heeft gebracht dan wel de poging daartoe heeft ondernomen. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Op de kauwgom die aan de niet ontplofte Cobra was bevestigd, is het DNA van de verdachte aangetroffen. Daarbij komt dat de op de kauwgom aangetroffen vingerafdruk mogelijk afkomstig is van de verdachte. Deze aangetroffen sporen wijzen aldus in de richting van de verdachte als zijnde degene die het vuurwerk heeft aangestoken.

Het door de verdachte hiertegenover gestelde alternatieve scenario, zoals onder A.3 is weergegeven, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Nog daargelaten dat de verdachte dit scenario in eerste aanleg slechts als een mogelijkheid heeft gepresenteerd (p. 2 van het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2017) en ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard niet te weten waar en wanneer hij enige van zijn kauwgom voorziene Cobra’s tevergeefs zou hebben willen ontsteken en vervolgens onontploft heeft achtergelaten, heeft de verdediging zijn stelling niet nader onderbouwd.

Het door de verdachte opgeworpen scenario vindt bovendien op geen enkele wijze steun in het procesdossier. Nu evenmin is gebleken van de betrokkenheid van een andere persoon, faalt het dienaangaande onder A.3 gevoerde verweer.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, heeft de verdachte geen glashelder alibi. De verdachte stelt de gehele tijd, totdat de politie kwam, bij zijn vriend [getuige 1] te zijn geweest. De verdachte heeft echter wisselend verklaard over het tijdstip waarop hij bij [getuige 1] is gearriveerd. Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde de verdachte dat dit omstreeks 18.00 uur was. In hoger beroep heeft hij daarentegen verklaard dat hij in ieder geval na het avondeten en waarschijnlijk vóór ongeveer 22.00 uur moet zijn gearriveerd. Het gaat om grote tijdverschillen. Ter onderbouwing van het vermeende alibi van de verdachte heeft de verdediging in hoger beroep verzocht [getuige 1] als getuige te doen horen. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] op 10 oktober 2017 allereerst verklaard dat hij de woensdag voor de knal om een uur of 16.00 uur thuis is gekomen en dat het kan zijn dat zijn vrienden al vrij snel nadien gekomen zijn. Maar het kan ook later zijn geweest, aldus de getuige, want de vriendengroep komt praktisch iedere avond bij elkaar. In dat verhoor wordt de getuige daarop door de raadsheer-commissaris geconfronteerd met een handgeschreven verklaring van de getuige die in het dossier is gevoegd. In die verklaring is opgenomen dat de verdachte op 19 januari rond 9 à 10 uur ‘s avonds bij de getuige thuis is gekomen. Nadat de raadsheer-commissaris aan de getuige heeft voorgehouden dat wellicht 18 januari is bedoeld, verklaart de getuige dat hij eerlijk gezegd niet meer weet welke dag het is geweest. Aan het einde van het verhoor door de raadsheer-commissaris verklaart [getuige 1] – nadat hij eveneens geconfronteerd is met schriftelijke verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] , die ook verklaren over de avond van 19 januari – dat hij in zijn eerdere verklaring heeft bedoeld te schrijven dat de verdachte de avond voordat de politie bij hem aan de deur is geweest, tussen 21.00 en 22.00 uur is gearriveerd en al die tijd bij hem is gebleven, totdat de politie kwam. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 30 maart 2017 alsook in zijn handgeschreven verklaring wordt over dat laatste met geen woord gerept. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat aan de verklaring van [getuige 1] geen geloof kan worden gehecht. Deze verklaring stelt het hof daarom als onbetrouwbaar terzijde. Het hof ziet zich in zijn oordeel gesterkt doordat steeds wisselende verklaringen over het tijdstip waarop de verdachte is gearriveerd zijn afgelegd, waardoor het lijkt dat is geprobeerd om de verklaringen van de verdachte en getuige op elkaar af stemmen. Gelet op het vorenstaande gaat het hof eveneens voorbij aan de verklaring van de verdachte over de onafgebroken duur van zijn aanwezigheid bij [getuige 1] .

In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft betoogd – op de gronden zoals hiervoor onder A.3 is vermeld – sluit de omstandigheid dat de verdachte en [getuige 1] in de centrale hal van het adres [adressen appartementencomplex] te Uden na de knal en vóór de melding van 3.35 uur een conflict hadden met bovenbuurman [buurman getuige 1] , het daderschap van de verdachte niet uit. Volgens aangeefster [aangeefster] vond de explosie immers plaats omstreeks 03.10 uur. Van de plaats delict aan de [adres plaats delict] naar de [adressen appartementencomplex] is het, wanneer men zich zonder hulpmiddel en slechts te voet verplaatst, ongeveer 15 minuten lopen. In dat geval resteren nog ruim 10 minuten waarbinnen voornoemd conflict zich kan hebben voorgedaan. De verdachte kan aldus qua tijdsbestek na het arriveren bij [getuige 1] omstreeks 3.25 uur ook nog in conflict zijn geraakt met [buurman getuige 1] .

Ten slotte volgt uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen:

- dat [zoon aangeefster] de verdachte de dag van de explosie al heeft gesproken;

- dat daaruit duidelijk werd dat verdachte de dader was en dat [zoon aangeefster] “het met verdachte moest oplossen”;

- dat [zoon aangeefster] vervolgens kort daarna op 24 januari 2017 aan de verdachte € 5.000,00 heeft betaald vanwege het feit dat [zoon aangeefster] jaren geleden een belastende verklaring tegen de verdachte heeft afgelegd.

Aldus had de verdachte klaarblijkelijk een motief voor het ten laste gelegde handelen, namelijk om [zoon aangeefster] onder druk te zetten om tot betaling over te gaan.

C.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft begaan.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, zoals hiervoor onder A.1 is weergegeven, valt niet in te zien waarom het ‘aan de voordeur te ontsteken’ van een zwaar stuk vuurwerk een andere gedraging inhoudt dan is ten laste gelegd en waarom zulks niet langer begrijpelijk zou zijn. Bovendien was het, mede gezien tegen de achtergrond van het dossier, voor de verdachte duidelijk waarvan hij werd beschuldigd en waartegen hij zich diende te verdedigen. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep blijk van heeft gegeven te hebben begrepen wat ten laste is gelegd en waartegen hij zich moest verweren. Naar het oordeel van het hof is het bewezen verklaarde delictsbestanddeel aldus voldoende feitelijk. Deze bewezen verklaarde gedraging is strafbaar gesteld bij artikel 157 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De onder A.4 geformuleerde voorwaardelijke getuigenverzoeken behoeven geen bespreking, nu het hof de daaraan ten grondslag gelegde bestreden bewijsmiddelen niet tot het bewijs bezigt.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing met zwaar vuurwerk en een poging daartoe. Door die ontploffing zijn goederen vernield. Dit heeft grote schrik teweeggebracht bij de aangeefster. Door aldus te handelen heeft de verdachte de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van de woning op grove wijze geschonden. Het hof houdt bij de straftoemeting in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte kennelijk uit boosheid en om financiële eisen kracht bij te zetten heeft gehandeld. Eén van de bewoners zou hem immers nog geld verschuldigd zijn omdat hij de verdachte in het verleden zou hebben verraden. Het behoeft geen betoog dat het op een dergelijke manier handelen, met alle risico’s van dien, volstrekt verwerpelijk is. Het tot ontploffing brengen van zwaar vuurwerk gaat daarnaast gepaard met een grote geluidsintensiteit, hetgeen veel maatschappelijke onrust, angst en onveiligheid onder burgers teweeg brengt, temeer als een dergelijke ontploffing plaatsvindt in de nachtelijke uren.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 december 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen voor strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van de omstandigheid dat de verdachte geen werk heeft, samenwoont met zijn vriendin en een opleiding volgt voor ‘personal trainer’ op het gebied van sport, fitness en vechtsport.

Het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt doet geen recht aan de onderhavige zaak. Hoewel de rechtbank en de advocaat-generaal zulks eveneens hebben onderkend, komt in de door hen respectievelijk opgelegde en gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, de ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Al hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het telkens ten laste gelegde delictsbestanddeel ‘terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning verblijvende [aangeefster] te duchten was’;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 17 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.