Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.228.502_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen een tussenarrest waarin is beslist op een incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/265
JERF 2018/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.228.502/01

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerden,

advocaat: mr. B.A.H.M. Boelens te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 19 december 2017 in het hoger beroep van het onder zaaknummer C/02/330659 / HA ZA 17-329 gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 6 september 2017.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 19 december 2017;

  • -

    de akte van appellante;

  • -

    de antwoordakte met één productie van geïntimeerden.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij genoemde rolbeslissing van 19 december 2017 is appellante in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.

2.2.

In haar akte voert appellante aan dat bij het incidenteel vonnis waarvan zij in hoger beroep is gekomen feitelijk een einde is gemaakt aan een deel van het geding, namelijk dat met betrekking tot het (in het kader van de voorlopige voorziening) afgeven van administratie van erflater en met betrekking tot afgifte van administratie van appellante zelf. Volgens appellante is in dat kader sprake van een gedeeltelijk eindvonnis. Weliswaar erkent zij dat in eerdere jurisprudentie aan de orde is geweest dat een beslissing louter en alleen op grond van artikel 843a Rv in beginsel, zonder toestemming van de rechtbank, niet appellabel is, maar in casu zijn er in de visie van appellante twee redenen die rechtvaardigen dat het incidenteel vonnis wel appellabel is. Allereerst omdat geen sprake is van een beslissing uitsluitend op grond van artikel 843a Rv nu het niet alleen gaat om afgifte van bewijs, maar (ook ten dele) om afgifte van administratie van erflater die bij geïntimeerden thuis hoort. En daarnaast omdat volgens appellante sprake is van een veroordeling onder last van dwangsom waarvan inmiddels zeker is dat zij daaraan niet helemaal zal kunnen voldoen.

2.3.

Geïntimeerden stellen zich in hun antwoordakte kort gezegd op het standpunt dat appellante niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep en dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld.

2.4.

Het tussenvonnis van 6 september 2017 betreft de beslissing van de rechtbank op twee incidentele vorderingen: de incidentele vordering van appellante tot nietigverklaring van de dagvaarding en de incidentele vordering ex artikel 843a Rv van geïntimeerden. Uit de appeldagvaarding blijkt dat het hoger beroep betrekking heeft op de – door de rechtbank toegewezen – vordering ex artikel 843a Rv van geïntimeerden.

2.5.

Ingevolge het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv is tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis, niet zijnde een provisioneel vonnis, uitgesloten, tenzij de rechter die de uitspraak heeft gedaan anders heeft bepaald.

2.6.

In zijn arrest van 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de uitzondering die in artikel 337 lid 1 Rv voor een provisioneel vonnis wordt gegeven voor uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, aldus dient te worden opgevat, dat daaronder niet vallen beslissingen die de rechter geeft in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak.

2.7.

Uit het overgelegde tussenvonnis van 6 september 2017 blijkt dat geïntimeerden als grondslag voor hun vordering ex artikel 843a Rv hebben gesteld dat zij om tot afwikkeling van de tussen erflater en appellante gesloten huwelijkse voorwaarden, alsmede tot een onderbouwing van hun vorderingen als erfgenamen te kunnen komen, inzage moeten hebben in de bankafschriften en de andere stukken waarvan zij afgifte vorderen. Geïntimeerden hebben toegelicht dat zij willen kunnen vaststellen of en zo ja voor welke hoogte er vergoedingsrechten bestaan uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden en dat zij hun vermoeden dat appellante als (voormalig) executeur in strijd met het bepaalde in de artikel 4:7 lid 2 BW heeft gehandeld, willen onderbouwen.

Gezien deze gestelde grondslag en de op grond daarvan door de rechtbank genomen beslissing, is het hof van oordeel dat de door geïntimeerden in eerste aanleg gevorderde afgifte van stukken en de beslissing van de rechtbank de instructie van de zaak betreffen als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van Hoge Raad van 22 januari 2010, zodat ingevolge dit arrest de vordering en de beslissing van de rechtbank geen betrekking hebben op het verkrijgen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 337 lid 1 Rv.

2.8.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarin de rechtbank op de incidentele vordering van geïntimeerden heeft beslist, moet worden beschouwd als een (gewoon) tussenvonnis waarop het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv van toepassing is en niet als een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding. Onder het gevorderde in deze zin is immers te verstaan de

rechtsvordering die inzet van het geding is en daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende vorderingen, zoals is beslist in het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2010.

2.9.

Nu gesteld noch gebleken is dat de rechtbank – in het bestreden vonnis of bij latere beslissing op een tijdig door een van partijen daartoe gedaan verzoek – van het vonnis van 6 september 2017 tussentijds hoger beroep heeft opengesteld, dient appellante in het door haar ingestelde appel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De stelling van appellante dat sprake is van een veroordeling onder last van dwangsom waarvan inmiddels zeker is dat zij daaraan niet helemaal zal kunnen voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals geïntimeerden terecht hebben aangevoerd, is het niet aan de appelrechter om een uitzondering te maken op het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv (vgl. Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3018).

2.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten.

3 De uitspraak

Het hof:

verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 6 september 2017;

veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 313,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 maart 2018.

griffier rolraadsheer