Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1303

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.224.878_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

opname in Extern Verwijzingsregister van Financiële instelling; het hebben van een hennepkwekerij kwalificeert als “’incident”’ in de zin van het register geen buitensporige hoge kosten als bedoeld in HvJ EU 27 september 2017 inzake Puskar, C.73/16, ECLI:EU:C:2017:725

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.224.878/01

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C. van der Ent te Breda,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.F.H. Mertens te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 augustus 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/332484 KG ZA 17-426)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte rectificatie, uitlating en overlegging producties van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) Door [geïntimeerde] is op 1 april 2008 aan [appellant] en zijn toenmalige partner [toenmalige partner van appellant] een hypothecaire geldlening van € 264.000,00 verstrekt voor de aankoop van de woning aan de [adres] te [plaats] . Op diezelfde datum is door [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] een recht van eerste hypotheekop de woning gevestigd.

(ii) In de kredietovereenkomst is opgenomen dat daarop de Algemene Voorwaarden

[geïntimeerde] Basis Hypotheek van 1 januari 2008 van toepassing zijn.

(iii) De Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de

Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland en de Stichting Fraudebestrijding

Hypotheken (SFH) hebben gezamenlijk een signaleringssysteem opgezet waarin

gedragingen van (rechts)personen worden vastgelegd die hebben geleid of kunnen leiden tot

benadeling van financiële instellingen (hierna: het Incidentenregister).

(iv) Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR)

gekoppeld. Het EVR kan door andere financiële instellingen worden geraadpleegd om te

toetsen of een (rechts)persoon in het EVR van een financiële instelling voorkomt.

( v) Op de verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is

het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 3 maart 2011 (hierna: het Protocol) van toepassing.

De preambule van dit Protocol vermeldt:

“Financiële instellingen worden voortdurend geconfronteerd met (rechts)personen die een Financiële instelling willen schaden of op oneigenlijke gronden gebruik maken van diensten van de Financiële instellingen. Dit vormt een gevaar voor de continuïteit en de integriteit van de financiële sector. Ook kunnen de belangen van een Financiële instelling en van cliënten en medewerkers van Financiële instellingen worden geschaad.

(..) Om er voor zorg te dragen dat de belangen van de Betrokkene op goede wijze worden beschermd, is opname in en raadpleging van het Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister alleen toegestaan onder de voorwaarden van dit Protocol met de daarbij behorende Annex. (..)”

Het Protocol luidt, voor zover thans van belang::

1 Overwegingen inzake het gerechtvaardigd belang van het incidentenwaarschuwingssysteem voor Financiële instellingen

1.1

Financiële instellingen worden voortdurend geconfronteerd met activiteiten van (rechts)personen die een Financiële instelling, haar medewerkers of cliënten op enigerlei wijze (dreigen te) schaden of voor onoorbare doeleinden gebruik maken van diensten van de Financiële instelling. Deze activiteiten kunnen een bedreiging vormen voor (I) de continuïteit en de integriteit van de financiële sector en/of de betreffende Financiële instelling(en), alsmede voor (II) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van Financiële instellingen en/of de Financiële instellingen zelf. Door het vastleggen van relevante gegevens over deze (rechts)personen en door het creëren van mogelijkheden om deze gegevens te raadplegen, kunnen de betreffende risico’s tijdig worden onderkend en verkleind en kunnen eventuele negatieve gevolgen worden beperkt.

1.2

Criminaliteitsbeheersing en risicomanagement vergen dat Financiële instellingen samenwerken, ondermeer door op basis van reciprociteit gegevens met betrekking tot (rechts)personen uit te wisselen.

1.3.

Het Openbaar Ministerie en andere (overheids)instanties verwachten dat Financiële instellingen de horizontale fraude zowel van binnenuit als van buitenaf gecoördineerd aanpakken ter ondersteuning van opsporing en vervolging. Zij dienen de noodzakelijke maatregelen te nemen om deze fraude aan te pakken.

(..)

2 Begripsbepalingen

In dit Protocol wordt verstaan onder:

(..)

Incident een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

(..)

4.1

Doel Incidentenregister

4.1.1

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

• op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

(..)

5.2

Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1

De deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). (..)

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

In het Annex bij het Protocol is onder “Aanleiding” opgenomen:

“Financiële instellingen, (..) hebben er belang bij dat fraude en criminaliteit die tegen hen zijn gericht tijdig worden ontdekt en bestreden (..)”

Voorts staat onder het hoofdje “Werkwijze” in deze Annex onder meer vermeld:

“Als incidenten kunnen bijvoorbeeld voorkomen het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding. (..)”

(vi) [geïntimeerde] is aangesloten bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH).

(vii) In de kredietovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] (en [toenmalige partner van appellant] ) is onder het kopje “Algemene informatie” vermeld :

“Deze offerte wordt gedaan onder voorbehoud dat alle door ons opgevraagde en overige relevante informatie aangaande het onderpand en de aanvrager(s) geheel tot ons genoegen is. (..) Indien blijkt dat de aanvrager(s), in welke vorm dan ook, fraude pleegt (plegen) of tracht(en) te plegen, (..), worden de gegevens van de aanvrager/fraudeur(s) in het SHERIFF-systeem [Stichting Hypotheeknemers Eenheid voor Registratie van Incidenten en/of Fraude Feiten, hof] en/of in het SFH-systeem [Stichting Fraudebestrijding Hypotheken, hof] geregistreerd als een zogenaamde persoonsregistratie, mede ten behoeve van derden.

Voorts staat vermeld:

“In het Externe Verwijzingsregister (EVR) van het SFH-systeem kunnen hypotheekverstrekkers verwijzingsgegevens van (rechts)personen opnemen die hebben gefraudeerd of anderszins een criminaliteitsrisico vormen. Collega-hypotheekverstrekkers toetsen tijdens het cliëntacceptatie (..)proces of een (rechts)persoon voorkomt in dit register. (..). Een registratie blijft maximaal acht jaar staan.”

(viii) Op 5 april 2016 heeft de politie Zeeland-West-Brabant in de woning van [appellant]

een in werking zijnde hennepdrogerij aangetroffen en ontmanteld.

(ix) Bij brief van 15 februari 2017 heeft [geïntimeerde] de kredietovereenkomst met [appellant]

opgezegd en [appellant] een half jaar de tijd gegeven om de woning onderhands te verkopen.

Over de reden van opzegging staat in deze brief onder meer het volgende geschreven:

“Als hypotheekhouder van het onderpand [adres] [plaats] hebben wij op 10 mei 2016 bericht ontvangen van de gemeente [gemeente] over het aantreffen van een hennepdrogerij in de woning. Tevens heeft [geïntimeerde] nu ook begrepen dat er in 2013 ook al een hennepplantage is opgerold in ons onderpand.

(..)

Op uw lening zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden [geïntimeerde] Basis Hypotheek 1 januari 2008.

U heeft onder andere in strijd gehandeld met artikel 2 sub 1 waarin wordt bepaald dat u, als hypotheekgevers, het onderpand behoorlijk en in overeenstemming met de wettelijke voorschriften dienen te gebruiken en met artikel 2 sub 8 waarin wordt bepaald dat u, als hypotheekgevers, de geldgever terstond in kennis moet stellen van iedere omstandigheid van feitelijke of juridische aard die tot uitwinning van liet onderpand kan leiden, waardoor de zekerheidswaarde van het onderpand kan verminderen, of die voor geldgever in verband met haar hypotheekrecht van belang kan zijn”.

( x) Daarnaast heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat aangifte is gedaan bij de justitiële autoriteiten en dat de gegevens van [appellant] zijn geregistreerd in de database van SFH.

(xi) In de periode daarna hebben partijen gecorrespondeerd over de registratie in het

SFH-register. Bij schrijven van 12 mei 2017 heeft [geïntimeerde] meegedeeld dat de registratie

gehandhaafd blijft.

(xii) Tussen partijen staat voorshands vast dat [appellant] ook in 2013 een hennepkwekerij in de woning aanwezig heeft gehad.

3.2.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd, kort samengevat dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot uitvoerbaar bij voorraad:

1. verwijdering van de op [appellant] betrekking hebbende (persoons)gegevens uit het

Incidentenregister, daaronder ook begrepen het Externe Verwijzingsregister (EVR),

2. bevestiging binnen twee dagen daarna aan [appellant] dat de registratie in het Incidentenregister en het EVR ongedaan is gemaakt en de gegevens daaruit zijn verwijderd,

alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en de nakosten.

[appellant] heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat [geïntimeerde] met de registratie van zijn persoonsgegevens onrechtmatig jegens hem handelt.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen omdat, kort gezegd, de reikwijdte van het Protocol niet is beperkt tot hypotheekfraude, en het gaat om de registratie van incidenten die in algemene zin de belangen van de financiële instelling en de branche waarvan deze instelling deel uitmaakt betreffen. Voldoende aannemelijk is dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van [appellant] raakt aan de financiële belangen van [geïntimeerde] en een incident vormt als bedoeld in artikel 2 van het Protocol. Het belang van [appellant] bij verwijdering van de registratie uit het Incidentenregister en met name uit het EVR prevaleert niet boven het belang van handhaving daarvan, welk belang in dit concrete geval is gelegen in het voorkomen van nieuwe gedragingen van [appellant] die kunnen leiden tot benadeling van andere financiële instellingen, aldus de voorzieningenrechter. [appellant] is, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg.

3.2.3.

[appellant] heeft tegen dit vonnis vijf grieven gericht.

3.3.

Uit de stukken blijkt dat het spoedeisend belang van [appellant] thans nog gelegen is in het feit dat [appellant] op korte termijn de hypothecaire lening bij [geïntimeerde] dient af te lossen. Naast de opbrengst van de (onderhandse) verkoop en levering van de woning, zal [appellant] daartoe aanvullende financiering behoeven. [appellant] heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat andere financiële instellingen hem geen (voldoende) financiering willen verschaffen, althans daarop een meer dan reëel risico bestaat, conform de doelstelling van de registratie, zolang zijn gegevens in het Externe Verwijzingsregister zijn opgenomen.

3.4.1.

In deze hoger beroepsprocedure dient het hof te beoordelen of voorshands voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure komt vast te staan dat in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden voor opname van de gegevens van [appellant] in het Incidentenregister en met name in het daaraan gekoppelde Externe Verwijzingsregister.

3.4.2.

Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat het geval op grond van de navolgende overwegingen.

3.5.1.

[appellant] stelt allereerst, kort gezegd, dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat het begrip “incident” in het Protocol een ruimere strekking heeft dan (hypotheek)fraude, niet strookt met zijn stellingen en ook overigens onjuist is. In zijn toelichting geeft [appellant] aan dat waar het om gaat is, dat in zijn visie het hebben (of exploiteren) van een hennepplantage in een woning niet onder het begrip ‘incident”, als gedefinieerd in het Protocol, valt. De toepasselijkheid van het Protocol wordt aldus ook door [appellant] tot uitgangspunt genomen.

3.5.2.

[appellant] wijst daarbij onder meer op de in artikel 2 van het Protocol genoemde gebeurtenissen, die alle op fraude betrekking hebben. [appellant] stelt dat hij geen fraude heeft gepleegd en ook overigens met zijn gedragingen het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector (als bedoeld artikel 4.1.1. van het Protocol) geen geweld heeft aangedaan. [appellant] wijst daarbij in het bijzonder op de hierboven geciteerde aanvang van de preambule van het Protocol, artikel 1.3., de aanvang van de Aanleiding in het Annex bij het Protocol en de aangifte door [geïntimeerde] , waarin staat dat het Protocol regelt dat een Financiële instelling zoals [geïntimeerde] een melding doet jegens een partij die verdacht wordt van het plegen van fraude. Uit dit alles leidt [appellant] af dat het signaleringssysteem slechts is opgezet ter bestrijding van fraude (en alles wat daarmee samenhangt) en dat zijn gedragingen niet gelden als “incident” en dus niet vallen onder datgene wat de financiële instellingen met het signaleringssysteem willen bestrijden.

3.5.3.

[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.

3.5.4.

Bij de uitleg van het Protocol, en het begrip “incident” in dat Protocol, dient in deze voorlopige beoordeling te worden uitgegaan van de algemene Haviltex-norm, waarbij evenwel meer nadruk kan worden gelegd op de objectief kenbare tekst van het Protocol, de context waarin dit Protocol is opgesteld en de toelichting daarbij. Dit nu over het Protocol niet is onderhandeld tussen partijen en het de bedoeling daarvan is dat de belangen van grote groepen derden op uniforme wijze worden geregeld.

Het signaleringssysteem, waarvan het Extern Verwijzingsregister onderdeel uitmaakt, is onder meer opgezet omdat financiële instellingen geconfronteerd worden met activiteiten die een financiële instelling (dreigen te) schaden, zo blijkt uit het Protocol, dat in artikel 1 toelichtende overwegingen omtrent het gerechtvaardigd belang van het systeem bevat. Met het vastleggen van gegevens over (rechts)personen die deze activiteiten verrichten, kunnen risico’s tijdig worden onderkend. Het gaat daarbij om zowel criminaliteitsbeheersing als risicomanagement (vgl. die hiervoor onder 3.1. (v) geciteerde passages uit het Protocol). Vanuit deze achtergrond bezien, is het naar het voorlopig oordeel van het hof duidelijk dat het signaleringssysteem bedoeld is voor alle soorten van activiteiten die de financiële instellingen schaden, of dreigen te schaden of kunnen schaden. In artikel 4 wordt het doel van de registratie nader uiteengezet, dat onder meer bestaat uit het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de financiële instelling. Deze gehanteerde bewoordingen zijn zeer algemeen en niet slechts beperkt tot wat wel genoemd wordt “witte boorden criminaliteit”, maar zien daarentegen op alle activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor de financiële instelling. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan dit ook niet anders worden begrepen. De voorbeelden die bij de definiëring van “incident” zijn gegeven spelen zich inderdaad slechts af in de fraudesfeer, maar naar het voorlopig oordeel van het hof blijkt uit het geheel van de bepalingen van het Protocol en de toelichtende stukken daarop – die tezamen en in onderling verband moeten worden gelezen en hierboven voor het meest relevante deel zijn geciteerd - voldoende duidelijk dat het hier niet om een limitatieve opsomming gaat. Zo staat bijvoorbeeld ook in de “Werkwijze” vermeld dat als “incidenten” bijvoorbeeld kunnen voorkomen (onderstr. hof) het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.5.3.

Door [geïntimeerde] is voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat het hebben van een hennepdrogerij en/of kwekerij in een woning een activiteit is die een financiële instelling zoals zij (die aan de woningeigenaar een hypothecaire lening heeft verstrekt waarbij de woning zelf als primair onderpand dient) kan schaden. Voorshands is voldoende aannemelijk gemaakt door [geïntimeerde] dat het risico op brand in een woning wanneer zich daarin hennepdrogerijen/kwekerijen bevinden, groter is dan wanneer dergelijke – illegale - installaties zich niet in een woning bevinden, en dat verzekeringsmaatschappijen niet geneigd zijn om bij branden veroorzaakt door hennepkwekerijen/drogerijen uitkeringen te doen aan de woningeigenaar. Dit omdat – naar de ervaring leert - alsdan sprake is van risicoverzwaring die tengevolge van polisvoorwaarden tot verlies van dekking leidt. Dit maakt dat de financiële instelling bij een verhypothekeerde woning waarin zich een hennepkwekerij/drogerij bevindt, minder (stellige) zekerheid voor de verstrekte lening kan ontlenen aan het onderpand – via de werking van artikel 3: 229 BW, zaaksvervanging - dan in het geval een dergelijke activiteit niet wordt ontplooid. Daar doet niet aan af dat zonnebanken en sauna’s e.d. ook brandgevaarlijk zouden zijn, zoals [appellant] stelt, nu dergelijke installaties niet illegaal zijn en het uit een oogpunt van criminaliteitsbeheersing in ieder geval niet nodig is om tegen dergelijke installaties te ageren.

Het hof kan zich dan ook geheel vinden in de rechtsoverwegingen 4.4. en 4.5. van het beroepen vonnis, nu het hof voorshands van oordeel is dat de kweek/het drogen van hennep in een woning kan worden beschouwd als een vorm van criminaliteit die (ook) tegen de hypotheekhouder/de financiële instelling is gericht omdat een aanzienlijk risico bestaat dat deze activiteiten de financiële instelling kunnen schaden, en die daarom kwalificeert als “incident” in de zin van het Protocol.

3.5.4.

Anders dan [appellant] aanvoert, is het hof voorlopig van oordeel dat de opname in het Incidentenregister (met het gekoppelde Externe Verwijzingsregister) als zodanig voldoende proportioneel is in de gegeven omstandigheden. [appellant] heeft, door tot twee maal toe in een (met hypotheek bezwaarde) woning een hennepkwekerij/drogerij te hebben gehad, er blijk van gegeven zich onvoldoende te bekreunen om de daarmee gemoeide risico’s voor de hypotheekhouder/geldverstrekker. Dit rechtvaardigt als zodanig opname in de registers, gezien de doelstellingen daarvan (criminaliteitsbeheersing en risicomanagement). Hieraan doet niet af, dat [appellant] zoals hij stelt, zich er niet van bewust was dat hij met het hebben van een hennepkwekerij/drogerij, de belangen van [geïntimeerde] kon schaden.
3.5.5. Of vervolgens registratie gedurende de volle maximale termijn van acht jaar – als in het artikel 5.3.2. van het PIFI voorzien - proportioneel moet worden geacht in de gegeven omstandigheden heeft [appellant] niet aan de orde gesteld. Overigens is een discussie over de duur van de registratie in beginsel, zeker nu deze pas vorig jaar is ingegaan, niet spoedeisend van aard en laat zich dat aspect van de registratie het best in een bodemprocedure beantwoorden.

3.6.1.

De slotsom is, dat de grieven 1 tot en met 4 falen, omdat de opname van de persoonsgegevens van [appellant] in het Incidentenregister (en het daaraan gekoppelde Externe Verwijzingsregister) niet onrechtmatig is jegens [appellant] .

3.6.2.

Daarmee is tevens gegeven dat grief 5, die gericht is tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt.

[appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, als gevorderd met nakosten en wettelijke rente. Het hof ziet geen aanleiding liquidatiepunten toe te kennen ter zake de akte.

Hierbij weegt het hof mee dat door [appellant] niet is aangevoerd dan wel anderszins is gebleken dat in het kader van de door artikel 237 lid 1 Rv voorgeschreven proceskostenveroordeling van [appellant] , toepassing van het gefixeerde liquidatietarief in de hier aan de orde zijnde omvang en toewijzing van het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht, in het onderhavige geval zou leiden tot “buitensporige hoge kosten” voor [appellant] als bedoeld in HvJ EU 27 september 2017 inzake Puskar, C.73/16, ECLI:EU:C:2017:725.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 716,00 aan verschotten en € 894,00 aan salaris advocaat;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, R.R.M. de Moor en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 maart 2018.

griffier rolraadsheer