Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:130

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
20-002801-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5184, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake poging doodslag (slaan met een hamer op het hoofd) tot 43 maanden en zes dagen gevangenisstraf. Overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002801-15

Uitspraak: 17 januari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-849287-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest

Door de raadsman van verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering en met aanvulling van de bewijsmiddelen en bewijsvoering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] via een videoconference door de raadsheer-commissaris d.d. 23 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

“U vraagt mij of ik nog weet dat ik door de politie gehoord ben. Ja, dat weet ik nog. U vraagt mij of ik bij mijn verklaring van 28 april 2008 blijf. Ja. Ik heb toen naar waarheid verklaard.”

Aanvullende bewijsoverwegingen

I

In hoger beroep is – evenals in eerste aanleg – door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de door aangever [aangever] en getuige [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, aangezien de verdediging aangever [aangever] en getuige [getuige 2] niet in enig stadium van het geding heeft kunnen ondervragen. Daardoor heeft de verdediging de inhoud van die verklaringen niet kunnen toetsen, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM oplevert.

Ad I

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat van schending van het ondervragingsrecht van de verdediging geen sprake is en dat voornoemde verklaringen mitsdien niet van het bewijs behoeven te worden uitgesloten.

Het hof stelt vast dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzocht om het horen van de getuigen [aangever], [getuige 2] en [getuige 1], welk verzoek door het hof op 15 december 2015 is toegewezen. De getuige [getuige 1] is op 23 mei 2017 door middel van een videoconference met Polen door de raadsheer-commissaris in bijzijn van een raadsman gehoord. Met betrekking tot de getuigen [aangever] en [getuige 2] heeft de raadsheer-commissaris processen-verbaal van bevindingen opgemaakt, inhoudende dat deze twee getuigen niet traceerbaar zijn en dat niet te verwachten is dat zij binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.

Weliswaar is de verdediging door deze omstandigheden niet in de gelegenheid geweest de getuigen [aangever] en [getuige 2] te ondervragen, maar naar het oordeel van het hof is dit manco in voldoende mate gecompenseerd door het verhoor van de getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris. Het hof is daarnaast van oordeel dat de verklaringen van [aangever] en [getuige 2] bruikbaar zijn voor het bewijs nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [getuige 1], en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist.

II

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat in deze zaak objectief bewijs ontbreekt waaruit kan volgen dat verdachte aangever [aangever] met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen.

In de onderhavige zaak is niet uit te sluiten dat de getuigen naar aanleiding van het bij [aangever] waargenomen hoofdletsel hebben geconcludeerd dat dit letsel is ontstaan door het slaan met een hamer, terwijl zij dat niet feitelijk hebben waargenomen. Er is een alternatief scenario, waarin verdachte aangever heeft geslagen ten gevolge waarvan hij, aangever, met zijn hoofd op de grond of tegen een scherp voorwerp is gevallen en daardoor hoofdletsel heeft opgelopen. Nu nader onderzoek naar de aard van het geconstateerde hoofdletsel achterwege is gebleven, kan het opgeworpen alternatieve scenario niet worden uitgesloten, aldus de raadsman.

Ad II

Het hof gaat voorbij aan de ontkenning van de verdachte dat hij aangever met een hamer op/tegen het hoofd heeft geslagen en aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat aangever [aangever] hoofdletsel heeft opgelopen door een val op de grond dan wel tegen een voorwerp op de grond.
Het hof gaat in dit verband uit van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de (ook door de verdediging ondervraagde) getuige [getuige 1] en van de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 2], waaruit volgt dat zij hebben gezien dat verdachte aangever [aangever] meermalen met een hamer op/tegen zijn hoofd heeft geslagen. Deze verklaringen vinden steun in de verklaring van aangever, in zoverre, dat hij heeft gezien dat verdachte iets in zijn handen had waarmee hij sloeg. Voorts verklaarde de getuige [getuige 1] nog nadrukkelijk dat toen de aangever gewond op de bank in de woonkamer lag, verdachte opnieuw binnenkwam, de hamer van het tafeltje heeft gepakt en de aangever naar hij dacht met de hamer tegen zijn kaak aansloeg en op een van zijn benen. Er valt mitsdien niet te twijfelen aan de waarneming van de getuige.

Het in hoger beroep opgeworpen alternatieve scenario van de zijde van de verdediging dat aangever op andere wijze dan door het slaan met een hamer hoofdletsel heeft opgelopen, wordt door het hof als onaannemelijk ter zijde geschoven.

De door de raadsman gevoerde bewijsverweren leiden dan ook niet tot een ander oordeel en worden voldoende weerlegd door de in het beroepen vonnis en in dit arrest gebezigde bewijsmiddelen.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van het slachtoffer [aangever] door hem meermalen met een hamer tegen en/of op het hoofd te slaan.

Het slachtoffer heeft aan het handelen van verdachte een schedelbasisfractuur, diverse fracturen van zijn onderkaak, een grote wond en zwelling aan de linkerzijde van zijn hoofd en meerdere verwondingen in zijn aangezicht overgehouden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat het bewezen verklaarde geen verdergaand (dodelijk) letsel heeft veroorzaakt.

Verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever] en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daarvan vaak nog jarenlang last. Het hof rekent verdachte het bewezen verklaarde dan ook zwaar aan.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de vrijheidsbenemende straf acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval grosso modo vergelijkbaar zijn. Als uitgangspunt geldt dat het hof voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen lagere straf oplegt dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Aangezien in dit geval echter sprake is van een poging tot doodslag, waarbij niet kan worden vastgesteld dat sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer, maar waarbij wel is komen vast te staan dat verdachte meermalen heftig geweld heeft uitgeoefend op een kwetsbaar deel van het lichaam, kan het hof zich in beginsel vinden in de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De door de verdediging verzochte straf (met een duur waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest) doet – gelet op het voorgaande – onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

In dit verband overweegt het hof tevens dat de omstandigheid dat verdachte als ongewenste vreemdeling niet in aanmerking komt voor de VI-regeling geen onevenredige bestraffing oplevert in vergelijking met Nederlandse verdachten, nu ingevolge art. 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, onder (een) bepaalde voorwaarde(n) strafonderbreking voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden in beginsel passend en geboden is.

Het hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in hoger beroep is overschreden. Het vonnis van de eerste rechter dateert van
2 september 2015 en de verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 8 september 2015.

Het arrest van het hof wordt gewezen op 17 januari 2018.

Tussen het instellen van het hoger beroep op 8 september 2015 en het arrest van het hof op 17 januari 2018 is derhalve een periode van 2 jaar en ruim 4 maanden verstreken. Gelet op deze overschrijding van de behandeling van de zaak in hoger beroep zal het hof een strafkorting van 10% toepassen op de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden en zes dagen.

De tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 834 dagen, zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.

Het hof merkt in dit verband op dat verdachte geen 467 dagen in voorarrest heeft verbleven, zoals door de verdediging is berekend, maar 834 dagen, te weten van 24 september 2014 tot en met 5 januari 2017.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden en 6 (zes) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 17 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.