Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1299

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.205.142_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling eenvoudige gemeenschap ex-samenwoners

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.205.142/01

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. R.B. Ester te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 november 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 augustus 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/299803 / HA ZA 15-714)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlating 12 producties van de man;

  • -

    de akte uitlating, alsmede verzoek bepalen mondelinge behandeling van de vrouw.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben van oktober 2009 tot 24 april 2014 een affectieve relatie gehad. Zij hebben op 23 september 2011 bij notarieel verleden akte een samenlevingsovereenkomst gesloten.

3.1.2.

De samenlevingsovereenkomst bepaalt, voor zover in hoger beroep relevant, het hiernavolgende.

Artikel 2

Inkomen

Waar in deze overeenkomst gesproken wordt over “inkomen” wordt daaronder verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van inkomen. Inkomsten uit vermogen vallen niet onder dit begrip inkomen.

(…)

KOSTEN VAN DE HUISHOUDING

Artikel 3

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door partijen gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen, de kosten van gezamenlijke vakanties, de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning, de rente en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning en van de gezamenlijke goederen, alsmede de kosten van dagelijks onderhoud van de hiervoor bedoelde woning en goederen.

3. Tot de kosten van de huishouding behoren ook de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die feitelijk door partijen worden verzorgd en opgevoed. Deze kosten worden verminderd met hetgeen een partij ten behoeve van die kinderen ontvangt van degene die jegens die kinderen gehouden is tot een bijdrage in het levensonderhoud.

4. Een partij die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan die partij op grond van het bepaalde in dit artikel moet dragen, heeft het recht die meerdere van de andere partij na afloop van het kalenderjaar terug te vorderen. Deze vordering vervalt een jaar na het einde van deze overeenkomst.

5. Indien een vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.”

3.1.2.

Partijen hebben, samen met de minderjarige kinderen van de vrouw, vanaf 24 november 2012 in een aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende woning samengewoond.

3.1.3.

De relatie en de samenwoning van partijen is op 24 april 2014 verbroken. De man heeft op 25 april 2014 de samenlevingsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

3.1.4.

De vrouw is vervolgens met haar kinderen in de woning van partijen blijven wonen tot de levering daarvan aan derden.

3.1.5.

In geschil is de (financiële) afwikkeling van de verbroken samenleving.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft de man in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, samengevat, de verdeling van de inboedel (waaronder een boekenkast), verrekening van de kosten van de huishouding na 25 april 2014 en verrekening van de kosten van de tuinaanleg gevorderd.

De vrouw heeft de vorderingen weersproken. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.2.

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – de inboedel (de bank, de poef en de televisie) verdeeld. Daarbij heeft de rechtbank de waarde van de bestanddelen in 2016 geschat. De vrouw is wegens overbedeling veroordeeld aan de man € 2.650,-- te voldoen. Verder heeft de rechtbank de boekenkast aan de man toegedeeld en overwogen dat aangenomen kan worden dat de boekenkast haar waarde van (afgerond) € 1.716,-- heeft behouden. De man is daarom veroordeeld wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 858,-- te voldoen. Voor de gemeentelijke belastingen 2015, is de vrouw veroordeeld aan de man € 279,44 te voldoen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

3.3.

De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover dit betreft:

a) de verdeling van de inboedel (althans het halveren van de bedragen door de rechtbank);

b) de beslissing dat de man voor de toedeling van de boekenkast € 858,-- aan de vrouw moet voldoen;

c) de verrekening van de kosten van de huishouding voor zover die ziet op de periode na 25 april 2014;

d) de vordering voor de aanleg van de tuin.

De man heeft gevorderd, opnieuw rechtdoende, en kosten rechtens, veroordeling van de vrouw om aan hem te betalen:

  1. voor de verdeling van de inboedel een bedrag van € 7.126,20;

  2. voor de toedeling van de boekenkast aan de vrouw een bedrag van € 1.716,80;

  3. voor de verdeling van de kosten over de periode na 24 april 2014 een bedrag van € 1.176,22 aan de man;

  4. voor de door de man betaalde kosten voor de aanleg van de tuin een bedrag van € 6.199,88.

De man heeft hiertoe vier grieven aangevoerd. De vrouw heeft deze grieven weersproken.

3.4.

De grieven hebben betrekking op:

  • -

    het halveren van de waarde van de aan de man toekomende zaken (grief 1);

  • -

    de verdeling van de boekenkast (grief 2);

  • -

    de premies voor de [schadeverzekeringen] schadeverzekeringen (grief 3);

  • -

    de betalingen van de gemeentelijke belastingen (grief 3);

  • -

    de kosten van de tuinaanleg (grief 4).

Het hof zal de grieven 1 en 2 gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.

De waarde van de aan de man toegedeelde zaken (grief 1) en de boekenkast (grief 2)

3.5.1.

De man betoogt met zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de waarde van het bankstel (€ 4.600,--), de poef (€ 100,--) en televisie (€ 600,--) heeft vastgesteld op een totale waarde van € 5.300,-- en heeft geoordeeld dat de vrouw vanwege overbedeling (slechts) de helft van dit bedrag (€ 2.650,--) aan hem moet voldoen.

Met zijn tweede grief betoogt de man dat het onbegrijpelijk is dat hij voor de toedeling van de boekenkast aan hem, aan de vrouw een bedrag moet betalen.

De man voert ter onderbouwing van zijn grieven het volgende aan.

De man had op basis van de door hem opgestelde verdelingslijst geen recht op de helft van de waarde van de zaken, maar op “het hele bankstel, de hele poef, de hele televisie en de hele boekenkast”. Het door twee delen van de door de rechtbank aan deze zaken toegekende waarde is daarom onjuist.

Ook het door de rechtbank waarderen van de zaken op een andere waarde dan de waarde die partijen daaraan hadden toegekend, is onjuist. Partijen weten immers beter dan de rechtbank wat de waarde is van de te verdelen inboedelgoederen. Partijen zijn zelf een verdeling van de inboedelgoederen overeengekomen (“Definitieve Gezamenlijke Inboedellijst [adres] ” d.d. 19 augustus 2014). Bij deze verdeling hebben zij rekening gehouden met een eerlijke verdeling op basis van de nieuwwaarde.

Van een overbedeling kan alleen sprake zijn als de rechtbank de totale verdeling van de inboedel zou hebben vastgesteld. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Het ging hier slechts om de verdeling van inboedelgoederen die zich nog onder de vrouw bevonden.

De boekenkast diende volgens de tussen partijen overeengekomen verdeling zonder enige verrekening aan de man te worden toegedeeld. Voor het toekennen van een vergoeding bestaat geen grondslag. De vrouw weigert de boekenkast aan de man af te geven. Zij moet daarom de man de waarde van de boekenkast volledig (€ 1.716,80) vergoeden.

3.5.2.

De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij voert hiertoe het volgende aan.

De inboedellijst waarnaar de man verwijst, was er een in een reeks van lijsten. De man heeft zelf (productie 7 bij memorie van antwoord, e-mail man aan advocaat vrouw d.d. 21 december 2014) aangegeven dat de lijst waarnaar de man in zijn memorie van grieven verwijst, onjuist was.

Partijen waren het niet eens over de verdeling. Bij een verdeling moet niet worden uitgegaan van de nieuwwaarde maar van de marktwaarde. Ook de boekenkast vertegenwoordigt geen nieuwwaarde meer. Bovendien heeft de man meerdere inboedelgoederen (productie 8 bij memorie van antwoord) meegenomen. Met de betaling van het bedrag van € 2.650,-- en de afgifte van de “opgegeven goederen” is de man zeer overbedeeld.

3.5.3.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.3.1. In hoger beroep is, voor wat betreft inboedelgoederen nog slechts de verdeling van de bank, de poef, de televisie en de boekenkast aan de orde. De overige inboedelgoederen maken, geen deel uit van het geschil in hoger beroep. De man heeft zich erop beroepen dat er tussen partijen al overeenstemming bestaat over de verdeling van de bank, poef, televisie en boekenkast. Dat zou blijken uit de “Definitieve Gezamenlijke Inboedellijst [adres] ” d.d. 19 augustus 2014). Uit die lijst kan echter niet worden afgeleid dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. De man heeft zich na 19 augustus 2014 beroepen op twee andere lijsten (in zijn e-mail van 21 december 2014), waarin hij het volgende opmerkt; “Hopelijk kunnen we over bijgaand stuk [de twee andere inboedellijsten] zo spoedig mogelijk overeenstemming bereiken”. Van de door de man gestelde overeenstemming kan dus niet worden uitgegaan.

Bij de verdere beoordeling van de eerste twee grieven stelt het hof het volgende voorop. Tussen partijen bestaat, voor wat betreft de inboedel, een eenvoudige gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:166 BW. Op de (verdeling van de) eenvoudige gemeenschap zijn de bepalingen van titel 7 (“Gemeenschap”) van boek 3 BW van toepassing.

3.5.3.2. De vordering die thans ter beoordeling van het hof voorligt, is de vordering tot vaststelling van de verdeling door de rechter zelf (de adjudicatie dus) en niet een vordering de verdeling te gelasten (het bevel tot verdeling) zoals bedoeld in art. 3:185 BW. In dit artikel is het hiernavolgende bepaald:

“1. Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, (…) stelt hij [de rechter] zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

2. Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking:

a. toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten;

b. overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde;

c. verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht.

3. Zo nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden dat zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door hem bepaalde aard wordt gesteld.”

3.5.3.3. Krachtens vaste jurisprudentie (HR 12 oktober 2001 ECLI:NL:HR:2001:ZC3697) moet bij toepassing van art. 3:185 BW het volgende worden vooropgesteld (zie o.m. HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

De rechter, die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt, bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd (aldus ook de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 12 januari 2007, RvdW 2007, 88).

Bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen moet, ter bepaling van hun waarde, in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken.

3.6.

Met inachtneming van het voorgaande zal het hof, met inachtneming van de grieven, overgaan tot de vaststelling van de verdeling van de bank, de poef, de televisie en de boekenkast.

de bank en de poef

3.6.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de bank en de poef worden toegedeeld aan de vrouw nu zij onbetwist heeft gesteld dat de man reeds nieuw meubilair heeft aangeschaft. De televisie is aan de vrouw toegedeeld nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onbetwist heeft gesteld dat dit de enige televisie is die zij bezit en in redelijkheid mag worden aangenomen dat de man inmiddels over een andere televisie beschikt. Tegen die oordelen is geen grief gericht, zodat het hof daar van uit zal gaan.

Nu deze goederen aan de vrouw zijn toegedeeld, deze goederen een waarde vertegenwoordigen en die goederen niet tegelijk ook aan de man kunnen worden toegedeeld – het feitelijk “delen” van roerende zaken is immers niet praktisch noch wenselijk – dient een waarde aan die goederen te worden verbonden.

Uitgangspunt is, zoals reeds hiervóór is overwogen, dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Weliswaar heeft de man gesteld dat partijen waren overeengekomen bij de verdeling van de inboedel de nieuwwaarde te hanteren, maar die stelling heeft de vrouw betwist en uit de gedingstukken kan dit ook op geen enkele manier worden afgeleid. Gelet op de door tijdsverloop afnemende waarde van inboedelgoederen – hetgeen een feit van algemene bekendheid is – is het hanteren van een waarde van de bank en de poef ten tijde van de verdeling – die door de rechtbank is geschied – niet strijdig met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de door de rechtbank geschatte waarde van deze inboedelgoederen (bank € 4.600,--, poef € 100,-- en televisie € 600,--) onjuist is geweest.

De vrouw ontvangt derhalve een tweetal roerende zaken ter waarde van in totaal € 5.300,--. Gelet op de omstandigheid dat beide partijen – ieder voor een gelijk gedeelte – gerechtigd waren tot deze goederen (art. 3:166 BW) diende de vrouw daarom de helft van dit bedrag (€ 2.650,--) aan de man, wegens overbedeling, te vergoeden.

De eerste grief treft daarom geen doel en het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd. De vordering sub 1) wordt afgewezen.

de boekenkast

3.6.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de boekenkast aan de man zal worden toegedeeld omdat de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk had gemaakt dat de man al vier grote boekenkasten had meegenomen. Tegen dit oordeel is geen grief gericht, zodat het hof ook uit zal gaan van toedeling van de boekenkast aan de man.

In geschil is of en zo ja welke vergoeding de man ter zake aan de vrouw moet betalen. Onder verwijzing naar rov. 3.6.1. hiervóór is het hof van oordeel dat de man de helft van de gehele waarde – die niet in geschil is (afgerond € 1.716,--) – aan de vrouw dient te vergoeden. De tweede grief slaagt mitsdien ook niet en het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd. De vordering sub 2) wordt afgewezen.

de kosten over de periode na 24 april 2014 (grief 3)

3.7.1.

De derde grief van de man komt er in de kern genomen op neer dat de rechtbank in rov. 4.16. ten onrechte heeft overwogen dat de man zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, “bedoelde kosten” onvoldoende heeft gespecificeerd en niet kan worden beoordeeld of en in hoeverre de kosten betrekking hebben op de periode na 24 april 2014, die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en door beide partijen moeten worden gedragen.

De man beperkt de omvang van zijn hoger beroep tot de kosten voor:

- premies [schadeverzekeringen] schadeverzekeringen;

- gemeentelijke belastingen.

De man voert ter onderbouwing van deze grief het volgende aan.

premies [schadeverzekeringen] schadeverzekeringen (hierna: premies)

Uit de door de man overgelegde afschriften van zijn betaalrekening blijkt het totaal van de door hem aan de verzekeraar maandelijks betaalde premies voor de opstal- en inboedel-verzekering (productie 1 bij memorie van grieven). Het gaat om een bedrag van € 910,18. De vrouw dient de helft hiervan (€ 455,09) aan de man te betalen.

gemeentelijke belastingen

Uit de door de man bij memorie van grieven overgelegde productie 2 blijkt dat de man ná 24 april 2014 in totaal € 1.624,50 aan gemeentelijke belastingen heeft voldaan. Deze belastingen hadden betrekking op de gemeenschappelijke woning van partijen. Bij de overdracht van de woning is door de notaris, bij de eindafrekening (productie 3 bij dagvaarding), aan partijen een bedrag van € 365,12 voldaan c.q. verrekend. In totaal strekt (aldus de man) derhalve € 182,25 (€ 365,12 / 2) in mindering op het door de man aan de gemeente betaalde bedrag. Hij heeft derhalve € 1.442,25 (€ 1.624,50 -/- € 182,25) uit privégelden voldaan ten behoeve van de gemeenschappelijke woning. De vrouw moet de helft hiervan (€ 721,13) aan de man betalen.

3.7.2.

De vrouw heeft de grief weersproken. Zij stelt het hiernavolgende.

De premies zijn tot oktober 2014 verrekend na overleg via de advocaat van de man door betaling door de vrouw op 16 september 2014 van € 1.103,-- (productie 9 bij memorie van antwoord). Betalingen van deze premies zijn daarna verrekend met de betaling door de vrouw van premies voor de Reaal levensverzekering van € 57,56 per maand (productie 10 bij memorie van antwoord).

De vrouw heeft voor de gemeentelijke belastingen na het bestreden vonnis een bedrag van € 279,44, tot betaling waarvan zij was veroordeeld, aan de man voldaan. De aanslag OZB (productie 11 bij memorie van antwoord) bedroeg in 2015 € 924,-- zodat het uitgangspunt in eerste aanleg juist was.

In haar (antwoord)akte stelt de vrouw dat thans (meer dan een jaar later dan het jaar waarop de kosten betrekking hebben) geen deelverrekeningen van de huishoudkosten kunnen plaatsvinden.

Gelet op het bepaalde in art. 3 van de samenlevingsovereenkomst is de vrouw de man geen bedragen meer verschuldigd.

3.7.3.

In zijn reactie op de door de vrouw overgelegde producties 9, 10 en 11 stelt de man het hiernavolgende. De betalingen waarover door de accountant in productie 10 wordt gesproken, hebben betrekking op de premie voor de levensverzekering. Er heeft dus nog geen verrekening van de premie plaatsgevonden.

De vordering van de man inzake de gemeentelijke belastingen heeft niet alleen betrekking op 2015, maar ook op de periode van april 2014 tot en met december 2014.

3.7.4.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.4.1. De vraag die thans moet worden beantwoord is welke kosten tot de kosten van de huishouding moeten worden gerekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gemeentelijke belastingen niet behoren tot de kosten van de huishouding (rov. 4.11.). Tegen dat oordeel is geen grief gericht, zodat het hof daar van uit zal gaan.

Niet in geschil is dat de premies betrekking hadden op de opstal- en inboedelverzekering ten behoeve van de woning van partijen. Gelet op het bepaalde in art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst, worden die premies begrepen onder de kosten van de huishouding (“premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen”). De vordering voor wat betreft die premies is derhalve te laat ingesteld. In zoverre faalt grief 3.

gemeentelijke belastingen

3.7.4.2. Voor de vordering van de man terzake van de gemeentelijke belastingen heeft het hiernavolgende te gelden.

Tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeentelijke belastingen niet tot de kosten van de huishouding behoorden, is geen grief gericht, zodat het hof daar van uit zal gaan. Daarvoor geldt derhalve niet de evenredigheidsmaatstaf, maar een gelijke draagplicht van partijen (ieder voor de helft). Slechts voor zover de man meer dan het gedeelte van die lasten dat hem aangaat heeft voldaan, heeft hij een regresvordering op de vrouw.

3.7.4.3. Vastgesteld dient derhalve te worden of de man meer dan het gedeelte dat hem aangaat heeft voldaan. Uit de door de man overgelegde rekeningafschriften blijkt dat hij een bedrag van € 116,75 aan de gemeente heeft voldaan op respectievelijk 30 mei 2014, 8 augustus 2014 en 1 september 2014. Op 7 juni 2015 is door de man € 115,50 betaald. Op 8 juli 2015 heeft de man € 350,25 voldaan en op 29 juli 2015 € 808,50. Deze laatste betaling heeft betrekking op het jaar 2015.

De vrouw heeft niet weersproken dat de man voornoemde bedragen heeft voldaan. Daarmee is de vordering van de man toewijsbaar. De vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van de helft (€ 812,25) van het door de man betaalde bedrag (€ 1.624,50 ) aan hem. De derde grief slaagt in zoverre en de vordering sub 3 (minus de reeds door de vrouw aan de man betaalde € 279,44) zal voor dat gedeelte worden toegewezen. Het bestreden vonnis wordt in zoverre vernietigd.

de tuinaanleg (grief 4)

3.8.1.

De man betoogt met zijn laatste grief dat de rechtbank in rov. 4.19. ten onrechte heeft overwogen dat de kosten voor de tuinaanleg behoren tot de kosten van de huishouding en de vordering, vanwege de vervaltermijn in de samenlevingsovereenkomst, is vervallen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. De vordering is ten onrechte afgewezen.

De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.

De kosten van de aanleg van de tuin behoren niet tot de kosten van de huishouding. Het zijn geen kosten in verband met de aanschaf of onderhoud van de gemeenschappelijke woning. De kosten voor het aanleggen van de tuin vallen ook niet onder de omschrijving “gezamenlijke goederen”.

De door de vrouw betaalde kosten voor de aanleg van de tuin zijn geheel verrekend tussen partijen. De tuinaanleg heeft bovendien invloed gehad op de verkoopwaarde van de woning. De vrouw is ongerechtvaardigd verrijkt als de investering van de man in de tuin niet wordt vergoed of verrekend.

De eerste factuur (een voorschotnota € 9.075,--) (productie 4 vrouw eerste aanleg) is door de vrouw voldaan. Deze is vervolgens tussen partijen verrekend zodat de man de helft van deze kosten heeft gedragen. De tweede factuur (€ 12.399,77) is door de man voldaan.

Partijen hadden afgesproken dat zij de kosten voor de tuinaanleg gezamenlijk, ieder bij helfte, zouden dragen. De man verwijst daartoe naar zijn e-mails van 27 juni 2013 en 25 april 2014 aan de vrouw en 8 mei 2015 aan de advocaat van de vrouw (bijlage 10 bij de brief van 24 maart 2016 aan de rechtbank) en een overzicht van 23 april 2014 verzonden door de man aan de vrouw (bijlage 17 bij brief van 24 maart 2016 aan de rechtbank). De betwisting van deze afspraak door de vrouw is ongeloofwaardig. Partijen hebben alle kosten in de periode van 26 juni tot en met 17 november 2013 met elkaar verrekend behalve het bedrag van € 12.399,77.

3.8.2.

De vrouw betwist het bestaan van een afspraak tussen partijen over de kosten van de tuinaanleg. Er is geen grond voor verrekening. De vrouw heeft € 9.075,-- voldaan. Dit bedrag is later verrekend met ander posten omdat de vrouw niets zou bijdragen aan de tuin. De man heeft geen nadere verrekening van zijn betaling voorgesteld.

3.8.3.

Het hof oordeelt als volgt.

3.8.3.1. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de man dat de kosten van de tuinaanleg niet tot de kosten van de huishouding of de aanschaf of onderhoud van de woning moeten worden gerekend noch vallen onder de omschrijving “gezamenlijke goederen”. Het zal daar aldus van uitgaan, zodat een beroep op de in de samenlevingsovereenkomst opgenomen vervaltermijn in hoger beroep niet aan de orde is.

3.8.3.2. De man voert een tweetal grondslagen aan voor zijn vordering, te weten i) het bestaan van een overeenkomst tussen partijen (“de afspraak”) en ii) de ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw.

Het hof zal als eerste de vraag beantwoorden of tussen partijen een overeenkomst bestond over de kosten van de tuinaanleg in die zin dat de man deze kosten volledig zou dragen. De man heeft verwezen naar een aantal gedingstukken. Uit die gedingstukken kan de door de man gestelde afspraak naar het oordeel van het hof evenwel niet worden afgeleid. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de e-mail van de man aan de vrouw van 27 juni 2013 schrijft de man:

“even een bijgewerkt overzicht van de door mij betaalde kosten voor het huis (april-juni).

(…)

Daar komen binnenkort de volgende kosten bij:

- (…)

- tuin ca 16.000,--

(…)

Eens?”

De vrouw heeft de man geantwoord:

“Als jij dit zo berekend hebt, dan is het vast goed. Ik vind het wel fijn als je vanaf nu de maandelijkse belastingteruggave op onze gezamenlijke rekening aangepast naar 1072 euro en dat alle vaste lasten ook vanaf nu automatisch worden afgeschreven van de gezamenlijke rekening. Dit betekent voor mij dat ik per maand flink meer moet gaan betalen. Ik wil daar graag zelf overzicht op houden, zodat ik weet wat ik per maand nog te besteden heb (ik heb nu geen buffer meer van wat ik te veel aan spaargeld betaald heb).

By the way: VI vergoed die kosten voor online toch?

Heb jij voor mij die lijst nog met het overzicht van alle kosten die jij en ik betaald hebben voor het huis?”

Het hof stelt vast dat de man in zijn e-mail aan de vrouw enkel schrijft “Daar komen binnenkort de volgende kosten bij” en de e-mail geen voorstel bevat aan de vrouw over de wijze waarop en door wie deze moeten worden gedragen. Dat volgt ook niet uit de e-mail van de man aan de vrouw van 25 april 2014. In deze laatste e-mail deelt de man aan de vrouw (slechts) het volgende mede:


“Ik zeg dus bij deze het samenlevingscontract op. Ik ga ervan uit dat we elkaars eigendommen respecteren en tot een eerlijke verdeling komen, mede in relatie tot alle spullen die ik ‘voor ons’ heb weggegooid en mbt de afspraak met [hoveniersbedrijf] (hof: hoveniersbedrijf) plus de vijf maanden achterstand op gezamenlijke woonlasten.”

De verdeling van de draagplicht van partijen voor de (tweede) factuur van het hoveniersbedrijf is ook in deze e-mail derhalve, anders dan de man stelt, niet aan de orde gekomen.

Op 8 mei 2015 refereert de man voor het eerst, althans voor het hof kenbaar, aan een tussen partijen gemaakte afspraak. Hij schrijft aan de advocaat van de vrouw:


“In de loop van het jaar 2013 heeft cliënte met mij de volgende afspraak gemaakt. Voor de aanleg van de tuin was een extra investering nodig van ruim 12.199 euro. Omdat uw cliënte op dat moment niet aan haar financiële verplichting wilde voldoen (namelijk betaling van de helft daarvan) kwamen cliënte en ik overeen dat ik het hele bedrag zou betalen en dat bij de verkoop van de woning de eerste 6.000 euro (exacte bedrag ligt iets hoger, zie rekening) aan mij zouden toekomen. Uw cliënte en ik hebben daarvoor een door ons beiden ondertekende verklaring op papier gezet die in het bezit is van uw cliënte. Ik heb geen kopie van die verklaring, wat achteraf dus dom is gebleken. Immers uw cliënte heeft bij herhaling het bestaan van deze afspraak ontkend.”

In het overzicht ten slotte waar de man naar verwijst (behorende bij een e-mail van de man aan zijn advocaat) verwijst de man opnieuw naar het bestaan van de door hem gestelde afspraak. In het overzicht is vermeld:


“Hierbij voor de vierde keer een update van de betalingsachterstand die jij (hof: de vrouw) nog hebt ten opzichte van mij en een nieuw verzoek deze met mij te verrekenen. Het betreft inmiddels de periode van december 2013 tot en met april 2014, een maand meer dus dan bij mijn vorige verzoek.

(…)

In het genoemde totaal is niet verrekend het bedrag dat ik aan [hoveniersbedrijf] heb betaald van ruim 12.000 euro en waarvan ik 6.000 terug zou krijgen bij eventuele verkoop van het huis, zoals we hebben afgesproken en vastgelegd in een notitie.”

Het hof overweegt dat de man in zijn twee e-mails aan de vrouw geen enkele duiding geeft van de volgens hem bestaande afspraken tussen partijen. In dat licht bezien kan aan zijn
e-mail aan de advocaat van de vrouw en het door hem opgestelde overzicht geen (voldoende) gewicht worden toegekend. Beide stukken zijn immers door de man zelf opgesteld, de eerste is niet gericht aan de vrouw en de documenten vormen slechts een weerslag van zijn eigen perceptie.

Het hof is gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat de man, op wie krachtens art. 150 Rv de stelplicht (en bewijslast) rust, tegenover de gemotiveerde stellingname van de vrouw dat partijen géén afspraken hebben gemaakt over de kosten van de tuinaanleg, met het voorgaande onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen vaststellen dat de vrouw krachtens een afspraak tussen partijen gehouden is aan de man een bedrag van € 6.199,88 te voldoen. Het beroep van de man op het bestaan van een afspraak tussen partijen faalt daarom.

3.8.3.3. De man heeft, naar het hof begrijpt subsidiair, een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking van de man. Dit subsidiaire standpunt behoeft geen bespreking nu enige vorm van onderbouwing van de cumulatieve vereisten die noodzakelijk zijn voor het aanwezig kunnen achten van ongerechtvaardigde verrijking, ontbreekt. Het beroep van de man op ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw faalt daarom.

3.8.4.

Gelet op het vorenstaande faalt grief 4 en zal de vordering sub 4 worden afgewezen.

resumé

3.9.

Slechts de derde grief slaagt gedeeltelijk. In zoverre zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Nu de overige falen zal het bestreden vonnis voor het overige worden bekrachtigd.

proceskosten

3.10.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige levensgezellen) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2016 doch uitsluitend voor zover dit betreft de veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 279,44 ter zake gemeentelijke belastingen 2015;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 812,25 aan de man verminderd met de reeds door haar aan de man betaalde € 279,44 ter zake de gemeentelijke belastingen;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 maart 2018.

griffier rolraadsheer