Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1290

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
20-001301-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak plofkraak en bedreiging met de dood. Veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001301-17

Uitspraak : 27 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 april 2017, met parketnummer 02-700097-13, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf (parketnummer 20-001647-12), in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1978,

thans uit anderen hoofde [gedetineerd] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

 feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, in vereniging gepleegd;

 feit 2: poging tot diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

 feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, in vereniging gepleegd;

 feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

 feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

 feit 7: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van voorarrest. Van feit 6 is verdachte vrijgesproken. Voorts zijn beslissingen genomen over het beslag en is de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ van 21 april 2017 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld. Dit hoger beroep is niet beperkt door een partiële intrekking.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve, mede gelet op het bepaalde in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, verdachte ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen ten aanzien van:

 de bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste gelegde feiten;

 de beslissing op het beslag en

 de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf,

en het vonnis zal vernietigen ten aanzien van de strafoplegging en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak van de onder 1, 2, 3, 5 en 7 ten laste gelegde feiten bepleit. Verdachte heeft het onder 4 ten laste gelegde feit bekend; in zoverre heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. In geval van een veroordeling heeft de verdediging verzocht om de door de advocaat-generaal gevorderde straf te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door enig explosief (middel) en/of een explosieve lading op/aan een geldautomaat (gevestigd aan de Alvarezlaan te Terneuzen) vast te maken/aan te brengen en/of dit (vervolgens) te ontsteken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander(en) te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig(e) bankbiljet(ten), geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank Terneuzen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld tegen een geldautomaat (gelegen aan de Alvarezlaan te Terneuzen), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen zich naar bovengenoemde geldautomaat heeft begeven, en/of enig explosief (middel) en/of een explosieve lading op bovengenoemde geldautomaat heeft vastgemaakt/aangebracht en/of tot ontsteking heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een geldautomaat (gevestigd aan de Alvarezlaan), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank Terneuzen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.
hij op of omstreeks 12 maart 2013 te [pleegplaats 1] , een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Arminius, model HW1S randvuur in het kaliber .22), en/of munitie van categorie III, te weten 21 stuks rand vuur patronen (te weten vijf stuks scherpe patronen van het merk CCI en/of zestien .22 LR (Long Rifle) patronen), voorhanden heeft gehad;

5.
hij op of omstreeks 18 juni 2012 te [pleegplaats 2] , één of meer perso(o)n(en) in, althans in de nabijheid van de [straat] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen geschoten in de richting, althans in de nabijheid en/of aanwezigheid van voornoemde (onbekende) perso(o)n(en) (parketnummer 02/688070-15);

7.
hij, als Nederlander, op of omstreeks 24 juli 2012 te [pleegplaats 3] , in elk geval in België, een of meer wapens van categorie III, te weten

 een vuurwapen in de vorm van een pistool (merk Colt, kaliber .32) en/of

 twee, althans een patroonmagazijn(en), zijnde een onderdeel van een vuurwapen,

en/of munitie van categorie III, te weten 16, althans een aantal scherpe (volmantel)patronen, voorhanden heeft gehad (parketnummer 02/688070-15).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraken

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan integraal zal worden vrijgesproken.

Het hof overweegt ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 als volgt.

In de nacht van 12 maart 2013 heeft een zogenaamde plofkraak van een geldautomaat van de Rabobank in Terneuzen, gelegen in winkelcentrum Zuidpolder, plaatsgevonden. [verbalisant 1] heeft omstreeks 02.30 uur een doffe knal gehoord en hij heeft toen een aantal personen, minimaal drie, op het trottoir zien staan in de directe nabijheid van de geldautomaat. Hij heeft gezien dat de drie personen vervolgens bij de woning aan de [straat] rechtsaf de hoek omliepen en na ongeveer 50 meter linksaf de bosschage inliepen. Daarna heeft [verbalisant 1] de drie personen niet meer gezien. Hij zag dat de personen een muts of pet op het hoofd droegen (één betrof een rood/oranje muts en één een gebreide muts met klep). Hij kon verder geen signalement geven van de personen.

Aangezien het die nacht flink sneeuwde is door de politie gezocht naar in de sneeuw achtergelaten sporen. Collega’s van [verbalisant 1] , verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hebben een spoor, bestaande uit schoensporen van twee personen en één (fiets)bandenspoor, gevolgd vanaf de parking van de pinautomaat bij winkelcentrum Zuidpolder, aan de kant van de [straat] . Dit spoor heeft hen geleid tot de achtertuin van de woning [adres] , alwaar verdachte verbleef. Voorts heeft [verbalisant 4] ter hoogte van de hoekwoning [straat] op de rijbaan (stukken van) twee plastic handschoenen aangetroffen, die nadien door de forensische opsporing zijn veiliggesteld en aan de binnenzijde zijn bemonsterd.

Hoewel zich in het dossier aanwijzingen bevinden dat verdachte, al dan niet tezamen met de eveneens in de woning verblijvende medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , betrokken is geweest bij de plofkraak, zijn die aanwijzingen onvoldoende om zonder twijfel vast te kunnen stellen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft gepleegd dan wel heeft medegepleegd. Daartoe overweegt het hof dat het in deze zaak ontbreekt aan technisch bewijs. Zo zijn de afgenomen schiethandensets en de bemonsteringen van de vingers van de verdachten, de in de keuken (van de woning [adres] ) en op de geldautomaat aangetroffen tape, de in de keuken aangetroffen blauwe latex handschoenen en zwarte handschoenen en de op de verwarming aangetroffen mutsen niet nader forensisch en vergelijkend onderzocht. Voorts overweegt het hof dat er geen duidelijk signalement van de daders is en dat ook over de in de sneeuw aangetroffen sporen (bij gebreke van bijvoorbeeld foto’s of een beschrijving van individualiseerbare kenmerken) onduidelijkheid bestaat. Niet is met zekerheid vast te stellen dat de gevolgde sporen de dadersporen zijn, te meer nu één van die sporen een (fiets)bandenspoor betreft, terwijl [verbalisant 1] geen persoon met of op een fiets heeft waargenomen. Bovendien is onduidelijk welke personen zich allemaal in de woning [adres] bevonden en of er personen zijn die de woning wellicht via de voorzijde hebben verlaten, nu uit het dossier niet blijkt van een sluitende observatie van de woning. Ten slotte is niet gebleken dat in de woning [adres] explosief materiaal of sporen daarvan zijn aangetroffen.

Hoewel uit forensisch onderzoek is gebleken dat op één van de in de sneeuw achtergelaten handschoenen DNA van verdachte is aangetroffen, is dit naar het oordeel van het hof onvoldoende om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte één van de daders van de plofkraak is geweest, laat staan wat zijn rol in het geheel was, nu het gaat om een DNA-mengprofiel van drie personen. Naast het DNA van verdachte bestond het mengprofiel namelijk tevens uit DNA van de eveneens in de woning [adres] aanwezige [persoon 1] (zijnde de vriendin van verdachte) en een DNA-hoofdprofiel van de verdachte bekende [persoon 2] .

De omstandigheid dat uit onderzoek is gebleken dat met behulp van een op het bed van de [medeverdachte 1] , zijnde de zoon van [persoon 1] , aangetroffen laptop (met een account op naam van [persoon 3] , één van de broers van [medeverdachte 1] ) kort na het tijdstip van de plofkraak is gezocht op daaraan gerelateerde onderwerpen op Google en YouTube (zoals: “hoe zit een pinautomaat elkaar”, “geld la” en “blauwdrukken pinautomaat”), is naar het oordeel van het hof onvoldoende om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte één van de daders van de plofkraak is geweest, laat staan wat zijn rol in het geheel was.

Het hof is derhalve van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte op voornoemde gronden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt ten aanzien van feit 5 als volgt.

Op 18 juni 2012, omstreeks 20.56 uur, kregen de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] de melding dat er geschoten werd in de [pleegplaats 2] en zijn zij direct ter plaatse gegaan. In eerste instantie troffen zij niemand aan in de [pleegplaats 2] , maar toen zij opnieuw door de straat reden, zagen zij twee vrouwelijke personen in de deuropening van het pand aan de [adres 2] staan. De verbalisanten hebben contact met hen gezocht en het bleek te gaan om: [getuige 1] en [getuige 2] . Op de vraag van de verbalisanten wat er was gebeurd, hebben zij onder meer geantwoord dat zij hadden gezien dat [verdachte] op twee personen had geschoten, dat zij [verdachte] kennen, dat zij schoten hebben gehoord en dat de personen die beschoten waren, de brandgang in waren gerend. [getuige 1] en [getuige 2] wilden hieromtrent echter geen officiële verklaring (het hof begrijpt: als getuige) afleggen.

De [getuige 3] , wonende op de [adres 3] , heeft wel verklaringen afgelegd. Uit het proces-verbaal van het eerste verhoor van deze getuige d.d. 18 juni 2012, volgt dat [getuige 3] die avond in zijn woonkamer zat, met zicht op de [pleegplaats 2] , en dat hij, toen hij naar buiten keek, zag dat drie personen aan het vechten waren op de stoep. Hij zag vervolgens dat twee personen de brandgang inliepen en dat één persoon aan de voorzijde van de auto van [getuige 3] ging staan. [getuige 3] hoorde toen een knal en zag dat die persoon bij de auto een zwart vuurwapen in zijn hand had. Hij zag dat de man met het wapen daarna naar zijn auto liep en wegreed. De jongens die de brandgang in waren gerend, kwamen na tien minuten weer terug en vertrokken toen in een grijze Opel met het [kenteken] . Tijdens zijn tweede verhoor door de politie, op 19 juni 2012, heeft [getuige 3] verklaard dat hij heeft gezien dat de man met het wapen in de richting schoot van “de woning van die Turkse mensen, die daar op de hoek wonen” en dat de man dus niet in de richting van de jongens met wie hij had gevochten had geschoten.

In het dossier bevinden zich voorts nog diverse andere getuigenverklaringen. Deze personen hebben echter van elkaar afwijkende verklaringen afgelegd met betrekking tot de bij de schietpartij betrokken personen en voertuigen.

Aangezien door de twee jongens waarop zou zijn geschoten geen aangifte van bedreiging is gedaan, heeft de politie onderzoek gedaan naar de auto met [kenteken] . Uit de bevraging van de Rijksdienst van het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat de Opel sinds 14 mei 2012 op naam staat van [persoon 4] . Op 30 oktober 2012 is deze [persoon 4] door de politie verhoord. Hij heeft verklaard dat hij nooit in [pleegplaats 2] is geweest, niets van de schietpartij in [pleegplaats 2] af weet en dat de twee vrienden aan wie hij zijn auto wel eens uitleent ( [naam 1] en [naam 2] ), hem daarover ook niets hebben verteld.

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek volgt dat onderzoek is gedaan op de [pleegplaats 2] en dat in de brandgang, gelegen tussen de hoekwoningen aan de [adressen] , geen projectielen, bloed, hulzen of andere sporen die met het schietincident te maken zouden kunnen hebben zijn aangetroffen. Op het trottoir, in het verlengde van de rechtermuur van de hoekwoning aan de [adres 3] , is wel een huls aangetroffen. Het slaghoedje van de huls was ingedeukt en de huls was niet meer voorzien van een projectiel. Gelet hierop, kan worden gesteld dat deze huls is afgevuurd.

Voornoemde huls is onderzocht door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek te Leiden en daaruit volgt dat voor 7 van de 9 STRs het autosomale DNA-profiel van verdachte past binnen het complexe consensus DNA-mengprofiel. Voor 2 STRs past dit niet.

Gelet op met name de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , de verschoten huls en het daarop aangetroffen DNA-profiel dat grotendeels matcht met dat van verdachte, bevinden zich in het dossier aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte bij het schietincident. Echter, daartegenover staan de door [getuige 3] afgelegde verklaringen. Het hof hecht veel geloof aan diens verklaringen, nu [getuige 3] de schietpartij vanuit zijn woning goed en vanaf het begin heeft waargenomen. Uit zijn tweede verklaring volgt dat de persoon die heeft geschoten, niet op de twee jongens heeft gericht, maar op de woning aan [pleegplaats 2] van Turkse mensen, die op de hoek wonen. Nu voorts door niemand aangifte van bedreiging is gedaan en verdachte bovendien iedere betrokkenheid bij het schietincident heeft ontkend, schiet het bewijs te kort om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te kunnen komen.

Het hof spreekt verdachte derhalve vrij van het onder 5 ten laste gelegde feit.

Verzoek tot het horen van getuigen

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verzocht om het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en dit verzoek bij pleidooi herhaald. Het hof wijst dit verzoek af, nu verdachte – gelet op de gegeven vrijspraak van het feit – geen belang meer heeft bij het horen van die getuigen.

Partiële vrijspraak feit 7

Op 24 juli 2012 is de woning van [betrokkene] te [pleegplaats 3] doorzocht. In de slaapkamer van [betrokkene] hebben de verbalisanten op de commode, onder enkele knuffels, een pistool van het merk Colt aangetroffen. Dit pistool was voorzien van een lader met zeven patronen van het type 7.65. Voorts werd in een kast in de gang een houten sleuteldoosje aangetroffen, met daarin een lader met acht patronen, eveneens van het type 7.65. Ten slotte werd op het bed in de slaapkamer waarin verdachte verbleef een zogenaamde blunt wrap (hof: een soort vloeitjes van tabaksblad die gevuld kunnen worden met tabak en andere rookwaren) aangetroffen. In deze verpakking bevond zich één patroon van het type 7.65.

[betrokkene] heeft verklaard dat het aangetroffen wapen van verdachte was. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel van het wapen af wist, maar dat dit niet van hem was, maar van de vriend van [betrokkene] , en dat de kamer van [betrokkene] was afgesloten. Het hof is van oordeel dat onder de voornoemde omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over het aangetroffen vuurwapen en over de twee laders met (in totaal 15) patronen, zodat hij van het ten laste gelegde voorhanden hebben van het pistool en deze munitie zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 en onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:


4.
hij op 12 maart 2013 te [pleegplaats 1] een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Arminius, model HW1S randvuur in het kaliber .22), en munitie van categorie III, te weten 21 stuks rand vuur patronen (te weten vijf stuks scherpe patronen van het merk CCI en zestien .22 LR (Long Rifle) patronen), voorhanden heeft gehad;

7.
hij, als Nederlander, op 24 juli 2012 te [pleegplaats 3] , munitie van categorie III, te weten 1 scherpe (volmantel)patroon, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof heeft hiervoor overwogen dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over het aangetroffen pistool en over de twee laders met (in totaal 15) patronen, zodat hij van het ten laste gelegde voorhanden hebben van het vuurwapen, de twee laders en deze munitie zal worden vrijgesproken.

Dit geldt evenwel niet voor de op het bed van verdachte in de ‘blunt wrap’ aangetroffen patroon van het type 7.65. Gelet op de vindplaats van dit patroon op zijn bed is het hof van oordeel dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het patroon. Hij had daar ook beschikkingsmacht over. Feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gebleken.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één scherpe (volmantel)patroon voorhanden heeft gehad.

Het hof overweegt in dat verband ambtshalve nog dat deze patroon in [pleegplaats 3] te België is aangetroffen. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Uit artikel 22, eerste lid, van de Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (ook wel Wapenwet genoemd) volgt dat in België particulieren die – kort gezegd – geen vuurwapen mogen hebben geen munitie daarvoor voorhanden mogen hebben. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat het verboden is om indringende, brandstichtende of ontploffende munitie, opensplijtende munitie voor pistolen en revolvers en projectielen voor deze munitie te vervaardigen, te verkopen, op te slaan of voorhanden te hebben. Uit artikel 23 van de Wapenwet volgt dat zij die de bepalingen van de Wapenwet overtreden worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van € 100 tot € 25.000, of één van deze straffen alleen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en, op meerdere tijdstippen, van munitie. Nu het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie veelal leidt tot het plegen van ernstige geweldsdelicten, dient daartegen streng te worden opgetreden.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij tevens gelet op:

 de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2018 reeds eerder onherroepelijk ter zake van onder meer soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

 de omstandigheid dat uit voornoemd Uittreksel volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is;

 de omstandigheid dat na het tijdstip waarop de twee bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken.

Het hof heeft voorts aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het enkele voorhanden hebben van een revolver een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als passend beschouwd. Als straf vermeerderende factor is genoemd een vuurwapen dat geladen is. Het revolver was geladen met vijf patronen. Nu verdachte ook tot tweemaal toe munitie voorhanden heeft gehad, acht het hof in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

Echter, gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg, ziet het hof aanleiding om voornoemde straf te matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven wapen, te weten een revolver van het merk Arminius (goednummer 262840), dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu is gebleken dat het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot dit wapen en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen voorwerpen met goednummers: 262830, 262835, 262839, 262869, 262876, 262877 en 262878. Dit betreft een aantal nog niet aan verdachte teruggegeven mutsen, petten en handschoenen.

Ten slotte zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de voorwerpen met goednummers: 314370, 314371, 314372 en 314373. Het gaat daarbij om vier dozen met stukken van overtuiging.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013 (met parketnummer 20-001647-12) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen. Deze vordering is

in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Immers, de door het hof bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte gepleegd vóór het wijzen van het arrest van 18 april 2013, te weten op 12 maart 2013 (feit 4) en 24 juli 2012 (feit 7). Verdachte heeft deze feiten derhalve niet in de proeftijd gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 ten laste gelegde feit.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 en onder 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 en onder 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: goednummer 262840 (zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: goednummers 262830, 262835, 262839, 262869, 262876, 262877 en 262878 (zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: goednummers 314370, 314371, 314372 en 314373 (zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst).

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Zeeland-West-Brabant van 21 januari 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2013, met parketnummer 20-001647-12, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen.

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 27 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.