Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:124

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.199.697_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:2615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.697/01

arrest van 16 januari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 juni 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/302443 / HA ZA 15-876)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van grieven tevens akte aanvulling en nadere onderbouwing van de gronden tevens vermeerdering van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel;

  • -

    de akte van de zijde van de man in principaal appel en memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in het principaal en het incidenteel appel

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 25 januari 1999 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Op 17 januari 2012 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank heeft op 6 juli 2012 de echtscheiding van partijen uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is op 21 september 2012 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.1.2.

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de verdeling van de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen ten overstaan van de notaris, “met dien verstande dat voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en de waardering van de daartoe behorende vermogensbestanddelen als peildatum 31 juli 2010 dient te worden aangehouden”.

3.1.3.

Tot de huwelijksgemeenschap behoort onder meer de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen te [plaats] , aan de [adres] (hierna: de woning). Op deze woning rustten twee hypotheken voor in totaal een bedrag van € 227.500,--. De eerste hypotheek is gevestigd voor een bedrag van € 165.000,-- en de tweede hypotheek voor een bedrag van € 62.500,--. Dit laatste leningdeel is verstrekt ten behoeve van een lening aan de dochter van de vrouw, [de dochter] (hierna: de dochter).

De woning is inmiddels verkocht en op 27 maart 2017 geleverd aan een derde.

3.1.4.

Tijdens de behandeling van een door de man aanhangig gemaakt kort geding op 25 juli 2013 hebben partijen over de woning en de daaraan verbonden hypotheken, voor zover relevant, de volgende afspraken gemaakt:

“1. [appellant] en [geïntimeerde] zullen overgaan tot verkoop van de gezamenlijke woning, [adres] te [plaats] .

(…)

2. [appellant] zal gedurende de periode 1 augustus 2013 tot het moment dat de onder 1 bedoelde woning verkocht en geleverd is een gebruiksvergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn van € 241,00 per maand. Deze gebruiksvergoeding is eerst opeisbaar zodra de woning verkocht en geleverd is.

3. [de dochter] zal vanaf heden haar verplichtingen voortvloeiende uit de met [appellant] en [geïntimeerde] aangegane geldlening bevrijdend kunnen betalen aan [geïntimeerde] .

4. [geïntimeerde] neemt de verplichting op zich om de lopende lasten die verband houden met de verhoging van de aangegane hypothecaire schuld van € 62.500,-- te voldoen. Dit bedrag bedraagt € 193,58 en zij zal dit bedrag overmaken naar het haar bekend zijnde rekeningnummer van [appellant] , waarna [appellant] zich jegens [geïntimeerde] verplicht het betaalde bedrag onverwijld door te betalen aan de Rabobank, zijnde de hypotheekverstrekker. [geïntimeerde] zal iedere maandelijkse verplichting uiterlijk de 29e van die maand aan [appellant] voldoen.

5. [appellant] zal de overige maandelijkse hypothecaire lasten blijven voldoen.”

3.1.5.

Daarna heeft de vrouw de man in rechte betrokken en zijn door partijen over de woning nog een tweetal procedures gevoerd (vonnis in kort geding rechtbank Oost-Brabant 16 september 2014, zaaknummer C/01/278440 /KG ZA 14-289 en beschikking rechtbank Oost-Brabant 4 april 2016, zaaknummer C/01/299099 EX RK 15-181).

3.1.6.

De man heeft op 8 april 2016 de dochter gedagvaard (zaaknummer C/01/308795 / HA ZA 16-393). De man heeft, samengevat, de veroordeling van de dochter gevorderd tot betaling aan hem van € 62.500,-- vermeerderd met de wettelijke rente. De dochter heeft verweer gevoerd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de vordering tot terugbetaling van die lening deel uitmaakt van de nog onverdeelde huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw. De rechtbank overweegt vervolgens:

“Het beheer van een (ontbonden huwelijksgoederen) gemeenschap geschiedt in beginsel door de deelgenoten tezamen (artikel 3:170 BW), waarbij heeft te gelden dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (artikel 3:171 BW). Eventuele vorderingen tegen schuldenaren van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap kunnen dan ook alleen namens de gemeenschap worden ingesteld. Betaling aan zichzelf kan [appellant] dan ook niet vorderen, omdat de gemeenschap (…) moet worden betaald.”

De man is daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.

3.2.1.1. Tussen partijen is de verdeling van de huwelijksgemeenschap in geschil. Op 7 december 2015 heeft de man in dat kader de vrouw gedagvaard. Hij heeft gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven, om:

  1. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verdeling van de onverdeelde huwelijksgemeenschap;

  2. te bepalen dat deze verdeling aldus dient te geschieden dat de woning aan hem wordt toegedeeld, terwijl de vrouw vanwege overbedeling en verrekening aan hem een bedrag moet voldoen van € 28.552,--, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, met de bepaling dat de man de hypotheken die op de woning rusten voor zijn rekening zal nemen en met de bepaling dat de dochter van de vrouw de aflossingen van het voor haar voorgeschoten bedrag van € 62.500,-- (€ 193,58 per maand) rechtstreeks aan de man moet voldoen met de verplichting voor de vrouw om de dochter hiervan op de hoogte te stellen en te regelen dat deze aflossingen op die wijze zullen geschieden;

  3. (subsidiair) de verdeling tussen partijen vast te stellen op de door de man voorgestelde wijze, althans zodanig wijze als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.2.1.2. De man heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat naast de voormalige echtelijke woning nog een aantal andere bestanddelen tot de huwelijksgemeenschap behoren die nog verdeeld dienen te worden.

Tijdens het huwelijk van partijen is een bedrag van € 3.500,-- verstrekt aan [de zoon] (hierna: [de zoon] ), de zoon van de vrouw. Verder heeft [zoon] (hierna: [zoon] ), een andere zoon van de vrouw, gedurende een periode van vijf jaren bij partijen gewoond en kostgeld betaald van € 300,-- per maand. In totaal heeft [zoon] € 18.000,-- kostgeld betaald.

3.2.2.

De vrouw heeft de vorderingen weersproken.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van de man afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3.4.1.

De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het opnieuw vaststellen van de verdeling met inachtneming van de door de man aangevoerde grieven, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. De man heeft vijf grieven aangevoerd. Deze grieven hebben betrekking op:

  • -

    de gebruiksvergoeding (grief I)

  • -

    het kostgeld van [zoon] (grief II)

  • -

    de geldlening aan [de zoon] (grief III)

De grieven IV (geen billijke verdeling vastgesteld) en V (de verdeling heeft al plaatsgevonden) missen naast voornoemde grieven zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen afzonderlijke bespreking.

3.4.2.

De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij heeft daarnaast voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Voor zover het hof oordeelt dat de huwelijksgemeenschap van partijen nog moet worden verdeeld, vordert de vrouw betaling door de man aan haar van € 7.125 (€ 5.125,-- vanwege de voertuigen van de gemeenschap en € 2.000,-- vanwege de spaarrekening), met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.4.3.

De man heeft het voorwaardelijk incidenteel appel weersproken.

3.4.4.

Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de (voorwaardelijke) vorderingen van partijen toewijsbaar zijn. Het hof zal daarbij geen acht slaan op de inhoud van de akte in principaal appel van de zijde van de man voor zover deze ziet op de grieven in het principaal appel. Het hof heeft de man geen toestemming gegeven voor het nemen van deze akte en ook overigens is deze akte in strijd met de twee conclusieregel. Van uitzonderingen daarop is niet gebleken.

de gebruiksvergoeding (grief I)

3.5.

In geschil is de vraag of de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding is verschuldigd.

3.5.1.

De rechtbank heeft over de gebruiksvergoeding in rov. 4.4. als volgt overwogen:

“De vordering van [appellant] , ertoe strekkende dat [geïntimeerde] nog een bedrag van € 17.000,-- (…) dient te voldoen aan [appellant] zal eveneens worden afgewezen. Deze vordering staat haaks op de door partijen tijdens het kort geding van 23 juli 2013 gemaakte afspraak dat [appellant] , behoudens een bedrag van € 193,58 verband houdende met de hypothecaire schuld van € 62.500,--, de overige maandelijkse hypothecaire lasten zal blijven voldoen alsmede de afspraak dat [appellant] aan [geïntimeerde] een gebruiksvergoeding schuldig is van € 241,00 per maand. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van deze gemaakte afspraken.”

3.5.2.

De man betoogt met zijn eerste grief dat de op 25 juli 2013 gemaakte afspraken reeds lang zijn uitgewerkt en vervangen door nadere, daarna komende regelingen.

De woning is inmiddels verkocht, zodat de vergoedingsplicht van de man ter zake van de gebruiksvergoeding dient te vervallen.

Bovendien is de verplichting van de man om € 241,-- per maand aan de vrouw te betalen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vrouw was slechts formeel mede-eigenaar van de woning, maar de lasten van de woning, inclusief de onderhoudskosten, zijn volledig gedragen door de man.

3.5.3.

De vrouw stelt dat de in het proces-verbaal van de zitting van 25 juli 2013 vastgelegde afspraken bindend en onherroepelijk zijn. De rechtbank heeft in haar beschikking van 4 april 2016 in de zaak met zaaknummer C/01/299099 EX RK 15-181 de gebruiksvergoeding bekrachtigd.

Bovendien is een gebruiksvergoeding redelijk. De vrouw wijst hierbij op de volgende omstandigheden. De man had het gebruiksgenot van de woning en zou de hieraan verbonden hypothecaire lasten voldoen. Hij had nauwelijks woonlasten en was weigerachtig mee te werken aan – overeengekomen – verkoop van de woning. Het was bovendien de vrouw die de rente voor de lening aan de dochter feitelijk voldeed op de bankrekening van de man.

De man is aan de vrouw een gebruiksvergoeding tot de datum van levering van de woning aan een derde (27 maart 2017).

3.5.4.

Het hof stelt vast dat partijen op 25 juli 2013 een minnelijke regeling zijn overeengekomen. Deze minnelijke regeling van partijen moet, gelet op de strekking daarvan (zie HR 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AU7728)) naar het oordeel van het hof als een vaststellingovereenkomst tussen partijen worden beschouwd.

Een vaststellingsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst in de zin van artikel 6:213 BW (http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005289/article=213), ook indien ingevolge het bepaalde in artikel 7:901 BW (http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005290/article=901) voor het tot stand komen van de vaststelling geen nadere (uitvoerings)handelingen zouden zijn vereist (Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 36). Een essentiale van de vaststellingsovereenkomst is dat zij wordt gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil tussen partijen. Hiervan is in deze zaak sprake; tussen partijen was immers een verdelingskwestie in geschil. Ter beslechting van dit geschil zijn partijen de in rov. 3.1.4. van dit arrest genoemde minnelijke regeling overeengekomen.

Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand (art. 7:900 BW).

3.5.5.

De vraag die door het hof dient te worden beantwoord is of de man gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst en in het bijzonder of hij het bepaalde onder punt 2 van de vaststellingsovereenkomst (het betalen van een gebruiksvergoeding van € 241,-- per maand die opeisbaar is zodra de woning is verkocht en geleverd aan een derde) dient na te komen.

3.5.6.

Het hof is van oordeel dat de man gebonden moet worden geacht aan die bepaling van de vaststellingsovereenkomst en derhalve gehouden is aan vrouw de in de vaststellingsovereenkomst genoemde gebruiksvergoeding te voldoen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

3.5.6.1. De stelling van de man dat de “afspraken van 25 juli 2013” reeds lang zijn uitgewerkt omdat partijen van deze afspraken zijn “afgestapt omdat het huis niet verkocht kon worden” is door de vrouw weersproken. Weliswaar is sprake van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst op 25 juli 2013 en de levering van de woning aan een derde op 27 maart 2017, maar enkel dit tijdsverloop – dat blijkens de overgelegde uitspraken in de door de vrouw geëntameerde gerechtelijke procedures (vonnis in kort geding rechtbank Oost-Brabant 16 september 2014, zaaknummer C/01/278440 /KG ZA 14-289 en beschikking rechtbank Oost-Brabant 4 april 2016, zaaknummer C/01/299099 EX RK 15-181) mede aan de man was te wijten – betekent niet dat de vaststellingsovereenkomst niet (meer) rechtsgeldig zou zijn. Andere feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de vaststellingsovereenkomst (voor wat betreft de gebruiksvergoeding) niet meer rechtsgeldig zou zijn, heeft de man niet aan zijn grief ten grondslag gelegd.

Verder heeft de man ook zijn stelling dat de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken tussen partijen zouden zijn vervangen door andere regelingen niet onderbouwd. Zo heeft de man niet gesteld om welke andere regelingen het zou gaan, hetgeen overigens ook niet anderszins is gebleken uit de gedingstukken. Voorts is gesteld noch gebleken is dat de uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen zouden zijn geëindigd omdat partijen die verbintenissen zouden zijn nagekomen.

Het hof kan gelet op het voorgaande dan ook niet vaststellen dat de vaststellingsovereenkomst – voor wat betreft de gebruiksvergoeding – niet meer geldig zou zijn of nadien is gewijzigd.

3.5.6.2. De stelling van de man dat in de huidige situatie (door verkoop van de woning kan de huwelijksgemeenschap worden verdeeld) de gebruiksvergoeding dient te vervallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

De grondslag voor een gebruiksvergoeding is er immers in gelegen dat de man het genot van de tot de gemeenschap van goederen behorende woning heeft (gehad) en de vrouw dat genot niet heeft (gehad). Het hof verwijst hiervoor naar het bepaalde in de artt. 1:165 BW juncto art. 3:169 BW. Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter immers bepalen dat de gewezen echtgenoot, die de woning bewoont, gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking daarin mag blijven wonen tegen betaling van een redelijke vergoeding. De redelijke vergoeding kan ook worden gevraagd en vastgesteld voor het gebruik ná de periode van zes maanden. Zolang de verdeling van de woning niet heeft plaatsgevonden, blijft de mede-eigendom immers bestaan en zijn beide partijen in beginsel voor gelijke delen gerechtigd tot het genot en gebruik van de woning. Art. 3:169De redelijkheid kan in dat geval meebrengen dat de partij die niet het gebruik heeft van de woning desondanks van de andere deelgerechtigde een redelijke vergoeding kan bedingen (artikel 3:169 BW).

In dit geval zijn partijen zelf – in het kader van de vaststellingsovereenkomst – een gebruiksvergoeding overeengekomen. Ook deze door partijen overeengekomen gebruiksvergoeding moet naar het oordeel van het hof geacht worden te zijn gebaseerd op het bepaalde in bovengenoemde artikelen.

3.5.6.3. Ten slotte doet de man een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid. In hoeverre de nakoming van de man van de op hem rustende verbintenis tot het betalen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is door de man, anders dan door zijn stelling dat hij alle lasten voor de woning heeft voldaan, niet (nader) onderbouwd.

Die enkele stelling kan hem niet baten, nu, ook indien juist zou zijn dat de man alle (onderhouds)lasten verbonden aan de woning heeft voldaan (hetgeen door de vrouw is betwist), in het licht bezien van de aard en strekking van het bepaalde in de artt. 1:165 BW juncto 3:169 BW is, onvoldoende is om aan te nemen dat de vrouw voor de periode dat de man alleen, dus met uitsluiting van de vrouw, gebruik heeft gemaakt van de tot de huwelijksgemeenschap behorende woning, geen gebruiksvergoeding meer toe zou komen.

3.5.6.4. Gelet op het voorgaande is de man de overeengekomen gebruiksvergoeding aan de vrouw verschuldigd tot het moment van de levering van de woning aan de derde op 27 maart 2017. De eerste grief treft daarom geen doel.

het kostgeld (grief II) en de geldlening (grief III)

3.6.1.

De rechtbank heeft over de vordering die ziet op het kostgeld overwogen dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt

“dat dit geld is binnengekomen tijdens de huwelijkse periode en tijdens deze periode ook is gebruikt om met de inwoning samenhangende kosten te voldoen.”

Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 4.12. geoordeeld:

“ [appellant] heeft onvoldoende gesteld om tot een andere conclusie te kunnen komen”.

Over de geldlening heeft de rechtbank geoordeeld dat niet in geschil is dat gedurende het huwelijk van partijen aan [de zoon] € 3.500,-- is verstrekt. Onduidelijk is of dit bedrag tijdens het huwelijk is terugbetaald. Volgens de rechtbank heeft de man hieromtrent, hoewel door de vrouw is betwist dat zij nog iets aan hem verschuldigd is, geen nadere informatie gegeven. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.10. geoordeeld:

“Nu onweersproken door [geïntimeerde] is aangevoerd dat de op de peildatum aanwezige banksaldi zijn verdeeld, ziet de rechtbank geen reden om tot de conclusie te komen dat er op dit punt tussen partijen nog iets te verdelen valt.”

3.6.2.

De man stelt dat [zoon] het kostgeld (€ 18.000,--) op de betaalrekening van de vrouw (rekeningnummer [rekeningnummer] ) heeft voldaan. De vrouw dient daarom € 9.000,-- aan de man te voldoen. [de zoon] heeft de geldlening van € 3.500,-- tijdens het huwelijk van partijen afgelost. Hij heeft maandelijks € 50,-- op de betaalrekening van de vrouw voldaan. De vrouw dient daarom € 1.750,-- aan de man te voldoen.

De vrouw heeft de bankrekeningen met de rekeningnummers [betaalrekening] (betaalrekening) en [spaarrekening] (spaarrekening) (het hof begrijpt: het saldo van die rekeningen) buiten de verdeling gehouden. De saldi van die rekeningen zijn niet verdeeld.

De vrouw dient alsnog de rekeningoverzichten van haar bankrekeningen over de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2013 in het geding te brengen en aan de man € 10.750,-- te voldoen.

3.6.3.

De vrouw betwist dat zij gelden aan de gemeenschap heeft onttrokken. De saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw zijn inmiddels verdeeld. Het bedrag van € 3.500,-- is daarin verdisconteerd en het bedrag aan kostgeld is verbruikt en het saldo van de bankrekening waarop dit kostgeld is voldaan ( [rekeningnummer] ) is in de verdeling betrokken.

3.6.4.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat echtgenoten krachtens art. 1:83 BW elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden verschaffen. Met deze informatieplicht wordt niet beoogd een algemene verplichting in te voeren om rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur ter zake van tot de gemeenschap van goederen behorende vermogensbestanddelen (vergelijk HR 3 december 1971, NJ 1972, 338, met noot van E.A.A. Luijten). Voor zover de man zulks beoogt te stellen met zijn grieven, falen deze grieven.

3.6.5.

In geschil is of (i) de vrouw € 21.500,-- (€ 18.000,-- + € 3.500.--) opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden (art. 3:194 lid 2 BW) en – indien hiervan geen sprake is – of (ii) de saldi van de betaal- en spaarrekening ten name van de vrouw inmiddels zijn verdeeld.

opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van banksaldi

3.6.5.1. De man stelt dat de vrouw € 18.000,-- (en, als het hof de derde grief juist begrijpt, kennelijk ook een bedrag van € 3.500,--) aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken, maar de vrouw heeft dit betwist.

Het hof begrijpt deze stelling van de man aldus dat hij een beroep doet op het bepaalde in art. 3:194 lid 2 BW (“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”).

3.6.5.2. Artikel 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot – in dit geval de vrouw – de tot de gemeenschap behorende goederen (de banksaldi) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat – vanwege de aan art. 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie – zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307 zie ook HR 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565).

Op grond van het bepaalde in art. 3:189 BW geldt art. 3:194 lid 2 BW enkel voor de ontbonden huwelijksgemeenschap. Vanaf het moment dat de gemeenschap ontbonden is, volgt uit art. 3:194 BW dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt. De huwelijksgemeenschap van partijen is ontbonden door indiening van het echtscheidingsverzoek op 17 januari 2012.

Krachtens het bepaalde van art. 150 Rv rust op de man de stelplicht (en zo nodig ook de bewijslast) van het opzettelijk verzwijgen, zoek maken en/of verborgen houden van banksaldi. Aan die stelplicht heeft de man geenszins voldaan. De man heeft zijn enkele stelling dat de vrouw rekeningen heeft verborgen c.q verzwegen niet onderbouwd en zelfs niet van enige toelichting voorzien. Zo ontbreekt een toelichting waarom voldaan zou zijn aan het opzetvereiste en waarin het verborgen houden, verzwijgen dan wel zoek maken zou zijn gelegen. Verder heeft de man nagelaten te stellen dat de vrouw vanaf 17 januari 2012 de saldi van de bankrekeningen heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden en zulks volgt ook niet anderszins uit de gedingstukken. Aan het bewijsaanbod van de man – voor zover dit al voldoende gespecificeerd zou zijn – komt het hof reeds daarom niet toe.

Gelet op het voorgaande kan het beroep van de man op het bepaalde in art. 3:194 lid 2 BW geen doel treffen.

de verdeling van de banksaldi

3.6.6.

Tussen partijen staat vast dat als peildatum voor de samenstelling en omvang van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap 13 juli 2010 moet worden gehanteerd. Per die datum dient de huwelijksgemeenschap, met inachtneming van het bepaalde in art. 1:100 BW te worden verdeeld.

De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord op de op de peildatum aanwezige banksaldi van de op naam van de vrouw gestelde spaar- en betaalrekening inmiddels zijn verdeeld.

de spaarrekening van de vrouw

3.6.6.1. Het betoog van de man dat de spaarrekening op naam van de vrouw niet is verdeeld, treft geen doel. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat op de man krachtens het bepaalde in art. 150 Rv de stelplicht

van feiten die de gronden van zijn vordering kunnen dragen (en indien hij aan die stelplicht heeft voldaan en zijn stellingen genoegzaam zijn betwist, ook de bewijslast) rust. Het hof stelt vast dat de man zijn stellingen over de spaarrekening evenwel niet heeft onderbouwd. Dat klemt temeer nu de man ter comparitie van de rechtbank op 25 april 2016 over de spaarrekening heeft verklaard:

“Er stond 8.000 euro op de spaarrekening. [geïntimeerde] heeft 4.000 gekregen. Het is juist dat de spaarrekening is verdeeld (curs. hof). Ik weet niet hoe dat bedrag in de vordering terecht is gekomen.”

Voorts is gesteld noch gebleken dat het saldo van de spaarrekening groter was van € 8.000,--Gelet hierop komt het hof tot het oordeel dat de spaarrekening van de vrouw inmiddels is verdeeld en dat van verzwijging van (het saldo) die spaarrekening geen sprake is. Voor zover de grieven van de man betrekking hebben op de spaarrekening van de vrouw, treffen deze geen doel.

de betaalrekening van de vrouw

3.6.6.2. Niet in geschil is dat het kostgeld (€ 18.000,--) en de terugbetaling van de geldlening € 3.500,--) op de betaalrekening ten name van de vrouw ( [rekeningnummer] ) zijn overgemaakt.

Uit de aard van de betalingen door [zoon] (het kostgeld) leidt het hof – zo ook als de vrouw heeft gesteld – dat die betalingen zijn verbruikt door partijen ten behoeve van de “kost en inwoning” van [zoon] in het huishouden van partijen. Zulks wordt ook bevestigd door het rekeningafschrift dat de vrouw van haar betaalrekening d.d. 16 augustus 2010 in het geding (productie 5 bij conclusie van antwoord) heeft gebracht. Kennelijk heeft de man, getuige de overweging van de rechtbank in het bestreden vonnis onder rov. 4.14. (“Het is bovendien niet aan de rechtbank om te gissen met welk doel en ten bewijze waarvan dit pakket bankafschriften [door de man – hof] in het geding is gebracht”), ook rekeningafschriften overgelegd waaruit, naar het hof uit de stellingen van de man afleidt het tegendeel zou moeten blijken, maar die stukken bevinden zich evenwel niet in het procesdossier (noch in het procesdossier eerste aanleg noch in het appelprocesdossier). Verder heeft de man in hoger beroep geen (andere) stukken overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen. Hieruit volgt dat grief II faalt en dat de vordering van de man tot betaling door de vrouw aan hem van € 9.000,-- zal worden afgewezen.

3.6.6.3. De man heeft gesteld dat de afbetaling van de geldlening is gerealiseerd voordat het huwelijk van partijen was ontbonden. Niet in geschil is dat die afbetaling heeft plaatsgevonden op de betaalrekening ten name van de vrouw. Nu niet is komen vast te staan dat de vrouw dit bedrag heeft verzwegen, verborgen of zoek gemaakt, gaat het hof er van uit dat dit bedrag is verdisconteerd in het saldo van de betaalrekening van de vrouw en dat deze aflossing derhalve in de verdeling is betrokken. Ook de derde grief van de man faalt mitsdien.

proceskosten

3.7.

Nu alle grieven in het principaal appel falen behoeft het incidenteel appel geen bespreking en zullen de vorderingen van de man worden afgewezen en . Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

Partijen zijn voormalige echtelieden. Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2016;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 januari 2018.

griffier rolraadsheer