Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
200.202.872_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure. Economische eigendom van een restaurant als grondslag voor nadere verklaring aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.202.872/01

arrest van 20 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. I. van Dijk-van Oosterhout te Veghel,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M.J. van Boxtel te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2016 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 11 augustus 2016 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4873174/rolnummer 16-2776)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 28 april 2016, alsmede naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 maart 2016 (zaak-rolnummer C/01/304051/HA ZA 16-107) waarbij de zaak naar de kantonrechter is verwezen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 2 november 2016;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 24 januari 2017 met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord van 7 maart 2017 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de twee grieven van [appellant] verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. [appellant] , [geïntimeerde] en de heer [derde 1] (verder: [derde 1] ) zijn in de loop van 2009 allen betrokken geweest bij een [restaurant] -restaurant aan de [adres] te [plaats] . [derde 1] is de partner van [geïntimeerde] (geweest).

  2. Het restaurant staat op naam van [geïntimeerde] als eenmanszaak.

  3. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de juridische eigendom van het restaurant bij [geïntimeerde] berust en dat de economische eigendom voor gelijke delen bij [derde 1] en hemzelf berustte, aan welke situatie wat hem betreft door een beëindigingsovereenkomst per 1 januari 2010 een einde is gekomen.

  4. Tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde] en [derde 1] anderzijds is over de afwikkeling van de door [appellant] gestelde samenwerking een procedure aanhangig geweest die heeft geleid tot een eindvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2012, waarbij de vordering van [appellant] tot betaling van € 9.010,= met rente en (incasso)kosten tegen [geïntimeerde] is afgewezen en tegen [derde 1] is toegewezen.

  5. In het hoger beroep tussen [appellant] en [derde 1] (zaaknummer HD 200.110.237/01) heeft dit hof bij eindarrest van 2 juni 2015 (onder meer) het vonnis van 30 mei 2012 bekrachtigd. Op 23 juli 2015 is dit arrest aan [derde 1] betekend en is onder [geïntimeerde] executoriaal derdenbeslag gelegd. Op 14 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] haar verklaring derdenbeslag geretourneerd aan de deurwaarder. [geïntimeerde] verklaart hierin dat zij uit hoofde van een dienstverband een bruto maandloon aan [derde 1] verschuldigd is van € 852,78 te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

  6. Op 1 oktober 2015 is onder [geïntimeerde] voor het bedrag van de veroordeling met rente en proceskosten in twee instanties, in totaal € 19.692,74, executoriaal derdenbeslag gelegd op alle vorderingen van [derde 1] op [geïntimeerde] uit hoofde van met name de economische eigendom van het [restaurant] -restaurant, waarvan de juridische eigendom berust bij [geïntimeerde] .

  7. [geïntimeerde] heeft, na aanmaningen, een verklaring d.d. 21 november 2015 verstrekt die op 7 december 2015 door de deurwaarder is ontvangen. Deze verklaring houdt in:

• Dhr. [derde 1] is mijn werknemer, die een paar uur per week in mijn

zaak werkzaam is op basis van een oproepcontract.

• Ik heb als eigenares van het [restaurant] Restaurant geen enkele vorderingen, op

welke vorm dan ook aan de heer [derde 1] .

• Dhr. [derde 1] heeft geen enkele vordering(en), op welke aard en vorm

dan ook op mij als persoonlijk of zakelijk.

• Behalve een werkcontract op oproepbasis zijn er geen enkele verhouding of contacten

tussen dhr. [derde 1] en mij.

• Er is geen sprake van een roerend of onroerende goederen van dhr. [derde 1] , die onder mijn naam berusten.

4.2

Bij dagvaarding van 19 januari 2016 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelde [appellant] in eerste aanleg primair dat [geïntimeerde] in gebreke is gebleven om (tijdig) verklaring te doen zodat zij dient te worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij daarvan zelf schuldenaar, en wel het bedrag van € 19.692,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015. Subsidiair stelde [appellant] dat de verklaring onjuist is omdat [derde 1] economisch eigenaar is van de onderneming en daarom het nodige van [geïntimeerde] te vorderen heeft, zodat - kort gezegd - [geïntimeerde] alsnog een verklaring dient af te leggen en hetgeen zij van [derde 1] onder zich heeft of aan [derde 1] verschuldigd is aan [appellant] dient af te dragen.

4.3

Bij tussenvonnis van 28 april 2016 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 13 juli 2016 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 11 augustus 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de situatie van artikel 477a lid 1 Rv zich niet voordoet aangezien [geïntimeerde] , zij het na aanmaning, een verklaring heeft afgelegd. Met betrekking tot de betwisting van de afgelegde verklaring, op de voet van artikel 477a lid 2 Rv, heeft de kantonrechter geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd dat [derde 1] economisch eigenaar is van de onderneming van [geïntimeerde] alsmede dat [derde 1] uit dien hoofde iets te vorderen zou (kunnen) hebben van [geïntimeerde] . Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van hem in de proceskosten.

4.4

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans vordert hetgeen hij in eerste aanleg subsidiair vorderde, met bepaling dat de afgelegde verklaring dient te worden aangevuld en met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling van het hof aan [appellant] zal blijken toe te komen en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met beslagkosten, nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten.

4.5

[geïntimeerde] heeft geen processueel bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Ook het hof ziet geen reden deze niet toelaatbaar te achten. Dat betekent dat verder uitgegaan wordt van de aldus gewijzigde eis.

4.6

Het hof stelt vast dat de oorspronkelijke primaire vordering, gebaseerd op het niet (tijdig) doen van een verklaring als bedoeld in artikel 477a lid 1 Rv, niet langer aan de orde is. De vorderingen van [appellant] zijn in hoger beroep nog uitsluitend gebaseerd op het doen van een onjuiste/onvolledige verklaring als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv. De onderliggende stelling van [appellant] hiervoor is dat [derde 1] economisch eigenaar is van het [restaurant] -restaurant van [geïntimeerde] en dat [derde 1] op grond daarvan vorderingen op [geïntimeerde] zal hebben die [geïntimeerde] in haar verklaring had moeten melden. Op de verwerping van deze stelling door de kantonrechter hebben de beide grieven van [appellant] betrekking. Deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover [appellant] meent dat hem in eerste aanleg onvoldoende gelegenheid is geboden om zijn standpunt kenbaar te maken, is die gelegenheid met dit hoger beroep in ieder geval gegeven.

4.7

Het hof stelt het volgende voorop. Het begrip economische eigendom moet in het burgerlijk recht worden opgevat als een samenvattende benaming zonder zelfstandige betekenis van de rechtsverhouding tussen partijen. Het gaat hierbij om een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen tot een zaak die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. In dit geval is de invulling die [appellant] aan het begrip geeft dat [geïntimeerde] weliswaar de eigenaar is van het [restaurant] -restaurant maar dat de economische waarde ervan aanvankelijk bij [appellant] en [derde 1] ieder voor de helft berustte en na het sluiten van de beëindigingsbijeenkomst bij [derde 1] alleen.

4.8

In de toelichting op zijn grieven voert [appellant] aan dat in het arrest van dit hof van 2 juni 2015 in het hoger beroep tussen [appellant] en [derde 1] , hiervoor in 4.1 onder e) vermeld, is vastgesteld dat de handtekening van [derde 1] onder de beëindigingsovereenkomst echt is en er tussen [appellant] en [derde 1] een rechtsgeldige beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen (r.o. 13.3.9). Daaruit blijkt volgens [appellant] dat ook vaststaat dat [derde 1] economisch eigenaar is van de onderneming. Dit argument gaat niet op, aangezien die consequentie nu juist niet uit het arrest is af te leiden. [appellant] heeft in die procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [derde 1] economisch eigenaar was van het [restaurant] -restaurant. Het hof heeft geoordeeld dat dit onvoldoende was komen vast te staan (r.o. 13.3.10) en die verklaring voor recht daarom afgewezen. Het oordeel van het hof over de echtheid van de handtekening en de rechtsgeldigheid van de beëindigingsovereenkomst brengt daarom niet mee dat wat [derde 1] betreft de economische eigendom van het [restaurant] -restaurant vaststaat. Afgezien daarvan betekent het feit dat [appellant] en [derde 1] een beëindigingsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan waarin sprake is van economische eigendom niet dat zij jegens [geïntimeerde] hebben te gelden als economisch eigenaar van haar onderneming. In de eerder gevoerde procedure tussen [appellant] als eiser en [derde 1] en [geïntimeerde] als gedaagden is niet bewezen geacht dat [geïntimeerde] partij was bij de beëindigingsovereenkomst. Voor het overige heeft [appellant] in dit verband geen argumenten aangevoerd die niet reeds in die andere procedure aan bod zijn geweest.

4.9

Overigens gaat [appellant] eraan voorbij dat hij niet kan volstaan met de stelling dat sprake is van economisch eigendom aan de kant van [derde 1] en dat [derde 1] daarom ‘het nodige te vorderen zal hebben’ van [geïntimeerde] . Zoals hiervoor in 4.7 vermeld, is dit begrip een samenvattende benaming zonder zelfstandige betekenis van de rechtsverhouding tussen partijen. Waar het om gaat, is of de rechtsverhouding tussen [derde 1] en [geïntimeerde] op het moment van het beslag meebrengt dat [derde 1] vorderingen op [geïntimeerde] heeft of zal krijgen en of roerende zaken van [derde 1] onder [geïntimeerde] berusten, zoals het executoriaal beslag vermeldt. Het is aan [appellant] om daartoe voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen.

4.10

Met betrekking tot roerende zaken die [geïntimeerde] in verband met het [restaurant] -restaurant ten tijde van de beslaglegging onder zich had heeft [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] in onvoldoende mate dergelijke feiten en omstandigheden gesteld, zodat hij wat dat betreft niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Met betrekking tot eventuele vorderingen van [derde 1] op [geïntimeerde] vermeldt [appellant] een lening van € 8.000,- van de heer [derde 2] , die volgens de daarvan opgemaakte overeenkomst op 1 februari 2009 door hem aan [derde 1] is verstrekt ten behoeve van de oprichting van het [restaurant] -restaurant van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft [derde 1] vervolgens € 8.100,- naar [geïntimeerde] overgeboekt. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat de lening aan haarzelf is verstrekt en dat deze inmiddels door haar aan [derde 2] is terugbetaald. In dit verband verwijst zij (onder meer) naar een stuk gedateerd januari 2013, waarin [derde 2] verklaart dat hij ‘het bedrag van € 8.100,-’ van [geïntimeerde] ontvangen heeft. Dit stuk heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg als productie 1 overgelegd. De inhoud ervan heeft [appellant] niet betwist, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat [derde 1] uit hoofde van deze lening ten tijde van de beslaglegging geen vordering op [geïntimeerde] (meer) had.

4.11

Een en ander voert tot de slotsom dat de grieven van [appellant] geen doel treffen zodat het eindvonnis van 11 augustus 2016 in stand blijft, het meer of anders gevorderde wordt afgewezen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van 11 augustus 2016 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,= aan griffierecht en op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 maart 2018.

griffier rolraadsheer