Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:120

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.192.976_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen grieven; proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.192.976/01

arrest van 16 januari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: aanvankelijk mr. D.H.S. Donk te Amsterdam,

thans geen,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

beiden in hun hoedanigheid van erfgenaam

van wijlen [erflater] ( [erflater] ),

hierna aan te duiden als de erfgenamen,

advocaat: mr. A. Schmidt te Herten,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 juli 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/100888 HA ZA 10-355 gewezen vonnis van 2 maart 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 26 juli 2016, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2016, waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 22 november 2016 voor het nemen van de memorie van grieven;

- de advocaat van [appellant] heeft op de rolzitting van 22 november 2016 gedesisteerd, waarna zich voor [appellant] geen nieuwe procesvertegenwoordiger heeft gesteld, waardoor niet van grieven is gediend;

- de akte van de erven.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

[appellant] heeft tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven aangevoerd. Dit brengt mee dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

6.2.

In hoger beroep stellen de erven zich bij akte op het standpunt dat het optreden van [appellant] in eerste aanleg als in hoger beroep moet worden gekwalificeerd als misbruik van procesrecht omdat hij vanaf medio 2013 in ieder geval voor wat betreft de erfrechtelijke kanten van de zaak van de hoed en de rand wist, zodat hij dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep.

6.3.

Het hof stelt voorop dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

6.4.

[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding van 22 april 2010 zijn vorderingen ingesteld tegen [erflater] De erven van de op 9 april 2013 overleden [erflater] stellen dat [appellant] pas vanaf medio 2013 voor wat betreft de erfrechtelijke kant van de zaak van de hoed en rand wist. Deze stelling rechtvaardigt echter niet de conclusie dat [appellant] zijn vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, zodat hij het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, achterwege had behoren te blijven. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij.

6.5.

Aangezien partijen in eerste aanleg over en weer in het ongelijk zijn gesteld en de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk zijn toegewezen, is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

6.6.

[appellant] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. In de appeldagvaarding heeft [appellant] gevorderd het beroepen vonnis te vernietigen en zijn vorderingen alsnog toe te wijzen. Aangezien [appellant] in eerste aanleg onder meer de vereffening en de verdeling heeft gevorderd van de tussen partijen bestaande gemeenschap zal het hof, gelet op het belang van de zaak, aansluiten bij tarief II van het liquidatietarief (vorderingen van onbepaalde waarde).

7 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de erven op € 718,- aan griffierecht en op € 1.341,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.A.M. van Oorschot en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 januari 2018.

griffier rolraadsheer