Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.221.728_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 1:81 BW, kosten van de huishouding (art. 1:84),voortgezet en uitsluitend gebruik van de woning en draagplicht echtgenoten voor woonlasten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.221.728/01

arrest van 20 maart 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. H.K. Jap A Joe te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 mei 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5111776 CV EXPL 16-4164)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 18 augustus 1993 te Nador, Marokko, met elkaar gehuwd buiten gemeenschap van goederen.

3.1.2.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 augustus 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen deze echtscheidingsbeschikking bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij beschikking van 9 juni 2016 heeft het hof de echtscheidingsbeschikking bekrachtigd.

Op 21 november 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage en is het huwelijk van partijen ontbonden.

3.1.3.

De voormalige echtelijke woning van partijen is een huurwoning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Partijen hebben samen in deze woning gewoond. De man was de huurder, de vrouw was medehuurster. Partijen waren hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de huurtermijnen.

3.1.4.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2014 is het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van het echtscheidingsgeding aan de vrouw toegewezen. De vrouw verblijft sindsdien met de kinderen van partijen in de woning.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 12 augustus 2015 is bepaald dat de vrouw vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woning.

3.1.5.

De man heeft in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 de volgende lasten voldaan.

  • -

    woonlasten juli 2014 – december 2014 € 3.550,44

  • -

    gemeentelijke belastingen 2014 € 263,67

  • -

    woonlasten eerste helft 2015 € 3.550,44

  • -

    huur juli 2015 € 471,83

  • -

    gemeentelijke belastingen 2015 € 286,60

  • -

    verhoogde voorschotten Essent april 2015-juni 2015 € 276,00

  • -

    afrekening Essent maart 2015 € 1.053,37

Totaal € 9.452,35

De vrouw heeft aan deze lasten (hierna: de woonlasten) niet meebetaald. Het inkomen van beide partijen was in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 vergelijkbaar met een bijstandsuitkering.

3.2.1.

De man heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 9.452,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en compensatie van de proceskosten.

De man heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd. De vrouw woont sinds eind augustus 2014 alleen met de kinderen in de woning, zodat de woonlasten vanaf dat moment volledig voor haar rekening komen. De man heeft in de periode vanaf juli 2014 tot en met september 2015 deze lasten voldaan, zodat de vrouw ten koste van de man met een bedrag van € 9.452,35 is verrijkt. Subsidiair stelt de man dat hij een regresvordering heeft op de vrouw. De vrouw is in de interne rechtsverhouding van partijen vanwege het voortgezet gebruik volledig draagplichtig voor de door de man voldane woonlasten.

3.2.2.

De vrouw heeft de vordering weersproken en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Zij heeft de ongerechtvaardigde verrijking betwist. De man heeft met de betaling van de woonlasten voldaan aan de wettelijke verplichting van echtgenoten om elkaar het nodige te verschaffen. De vrouw heeft betwist dat zij (volledig) draagplichtig is voor de door de man gestelde betalingen.

3.2.3.

De kantonrechter heeft – samengevat – geoordeeld dat de man de lasten gedurende het huwelijk heeft betaald. Hij was hiertoe krachtens art. 1:81 BW gehouden zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is. De betaling van de woonlasten moet worden aangemerkt als voldoening van de kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW. In de interne verhouding was de vrouw voor de helft draagplichtig voor deze door de man betaalde lasten. Voor zover de man meer dan de helft daarvan heeft voldaan, heeft hij regres op de vrouw. Niet in geschil is dat de man de lasten volledig heeft voldaan, zodat de vrouw hem de helft daarvan € 4.726,17 (€ 9,452,35 / 2) moet voldoen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

3.3.1.

De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de man. De vrouw heeft hiertoe één grief aangevoerd.

3.3.2.

De man heeft de grief weersproken. Voorts heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering in eerste aanleg. De man heeft hiertoe twee grieven aangevoerd.

3.3.

Het hof zal de grieven in het principaal appel en incidenteel appel gezamenlijk behandelen. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. De vrouw heeft in haar grief aangevoerd dat de man bij dagvaarding feiten heeft gesteld maar daarbij geen rechtsgrondslag heeft aangegeven voor zijn vordering en dat de kantonrechter niet ambtshalve de rechtsgrond kon aanvullen. Dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 25 Rv bepaalt immers dat de rechter verplicht is ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. In zoverre faalt de grief van de vrouw.

Het gaat in deze zaak om twee vragen: i) is de vrouw ongerechtvaardigd verrijkt doordat de man de woonlasten heeft betaald en ii) wie van partijen is draagplichtig voor deze woonlasten.

ongerechtvaardigde verrijking

3.4.1.

Het hof stelt vast dat in de periode waarin de man de woonlasten heeft voldaan partijen nog gehuwd waren. Weliswaar leefden zij feitelijk gescheiden maar hun huwelijk was nog niet ontbonden. Een huwelijk is pas ontbonden op het moment waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand (art. 1:163 BW). Dit betekent dat het huwelijk van partijen is geëindigd op 21 november 2016.

3.4.2.

Gedurende het huwelijk is titel 6 van boek 1 van het BW (“Rechten en verplichtingen van echtgenoten”) van toepassing. Daarbij is niet van belang welk huwelijksvermogensrechtelijk regime tussen partijen geldend is.

Artikel 1:81 BW bepaalt dat echtgenoten verplicht zijn elkaar tijdens het huwelijk het nodige te verschaffen. Dit artikel leidt tot onder meer financiële wederkerige verplichtingen van echtgenoten.

De omstandigheid dat aan de vrouw door de rechter het uitsluitend gebruik en later, bij de echtscheidingsbeschikking, het voortgezet gebruik van de woning is toegekend, doet aan de wederkerige verplichtingen die uit art. 1:81 BW voortvloeien niet af. Partijen waren in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 immers nog steeds gehuwd en bleven dus verplicht elkaar in die periode het nodige te verschaffen.

Ordemaatregelen zoals het toekennen van het uitsluitend gebruik van de woning gedurende de echtscheidingsperiode kunnen daarom, ook mede gelet op de uit het huwelijk ontstane lotsverbondenheid van partijen, niet afdoen aan de in de wet vastgelegde verplichtingen die uit het huwelijk voortvloeien.

Dit heeft ook te gelden voor het aan de vrouw toegekende voortgezet gebruik van de woning. Krachtens art. 1:165 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is tot bewoning en het gebruik van die woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het aan de vrouw toegekende voortgezet gebruik van de woning heeft derhalve betrekking op de periode vanaf 21 november 2016 (en dus na het huwelijk) en dan daarom ook niet afdoen aan het bepaalde in art. 1:81 BW.

Ook van een verplichting tot overdracht van vermogen van de ene echtgenoot naar de andere echtgenoot zoals door de man is aangevoerd, is geen sprake. De man heeft immers de woonlasten aan een derde betaald. Daarmee is geen vermogen van hem naar het vermogen van de vrouw gevloeid.

3.4.3.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de man krachtens art. 1:81 BW gehouden was bij te dragen in de woonlasten. Van ongerechtvaardigde verrijking kan reeds daarom geen sprake zijn omdat voor betaling van de woonlasten een redelijke grond (art. 1:81 BW) aanwezig was.

draagplicht

3.5.1.

Artikel 1:84 BW is een nadere uitwerking van art. 1:81 BW. Het artikel regelt de draag- en fourneerplicht voor de kosten van de huishouding. De woonlasten moeten naar het oordeel van het hof worden begrepen als kosten van de huishouding zoals bedoeld in dit artikel. Het begrip “kosten van de huishouding” betreft de kosten die betrekking hebben op het “gemeenschappelijk belang” (TM, Parl. Gesch. BW Boek 1, p 242). Tot de kosten van de huishouding behoren ook de rentebetalingen voor een hypothecaire geldlening (HR 27 januari 2006 NJ 2008, 564) evenals huurpenningen en de overige aan de huur van een woning verbonden kosten zoals gemeentelijke heffingen en energielasten.

3.5.2.

Kosten van de huishouding komen krachtens art. 1:84 BW allereerst ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van partijen en vervolgens, indien dat gemeenschappelijk inkomen ontoereikend is, ten laste van privé-inkomens naar evenredigheid. Voor zover het inkomen ontoereikend is, komen de kosten van de huishouding ten laste van het vermogen van partijen. Nu (ook) in hoger beroep als vaststaand dient te worden aangenomen dat de hoogte van het inkomen van ieder der partijen in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 vergelijkbaar was met een bijstandsuitkering, is de vrouw - gelet op de in art. 1:84 BW neergelegde maatstaf - in de interne verhouding van partijen draagplichtig voor de helft van de door de man betaalde huurtermijnen. Deze verdelingsmaatstaf geldt niet wanneer bijzondere omstandigheden zich tegen toepassing daarvan verzetten. De wetgever heeft daarbij gedacht aan situaties waarin toepassing van de verdelingsmaatstaf tot sprekende onrechtvaardigheid zou leiden (MvT, Parl. Gesch. Invw 1, p. 1144).

In deze zaak is van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake. Het uitsluitend gebruik en/of voortgezet gebruik levert in ieder geval niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op gelet op de aard van die voorzieningen. Het hof verwijst daarbij naar zijn rov. 3.4.2. hiervóór. Voorts zijn geen andere feiten noch omstandigheden gesteld of gebleken die moeten worden gekwalificeerd als “bijzondere omstandigheden” en die nopen tot afwijking van een draagplicht bij helfte.

3.5.3.

Het voorgaande betekent dat beide partijen in hun onderlinge rechtsverhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de door de man betaalde woonlasten van € 9.452,35, waartoe zij hoofdelijk verbonden waren. Vaststaat dat de man dit volledige bedrag heeft voldaan. De man heeft daarmee meer dan de helft van het deel dat hem aangaat betaald, zodat hij krachtens het bepaalde in art. 6:10 lid 2 BW regres heeft op de vrouw ter grootte van dat meerdere. De vrouw is derhalve terecht en op goede gronden door de rechtbank veroordeeld tot betaling van de helft van dit bedrag (€ 4.726,17 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding) aan de man. De grieven in het principaal en incidenteel appel falen derhalve. Het hof zal daarom het beroepen vonnis bekrachtigen.

proceskosten

3.6.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten in beide instanties draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg van 10 mei 2017;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 maart 2018.

griffier rolraadsheer