Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1172

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.225.150_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5785, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

geen belang bij hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.225.150/01

arrest van 20 maart 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E. Cekic te Zaandam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 19 december 2017 op het bij exploot van dagvaarding van 3 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het onder zaaknummer C/02/334542 KG ZA 17-555 gewezen vonnis van 6 september 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

5 Het vervolg van de procedure

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof partijen op verzoek gelegenheid geboden voor pleidooi. Ter gelegenheid van de vervolgens gehouden pleidooien zijn door partijen pleitnotities overgelegd. Bij brief van 22 februari 2018 is door [appellante] een productie toegezonden, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken in hoger beroep gewisseld en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan - voor zover nog van belang - worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) Op 1 augustus 2017 is op verzoek van [derde 1] (hierna [derde 1] ) en [derde 2] (hierna: [derde 2] ) en ten laste van [derde 3] (hierna: [derde 3] ) executoriaal beslag gelegd op onder meer de paarden [paard 1] en [paard 2] (hierna: de paarden) alsmede op de daarbij behorende paspoorten.

(ii) De paarden bevonden zich ten tijde van de beslaglegging in de Manege [manege] te [plaats] .

(iii) Blijkens het beslagexploit is dit beslag gelegd door “[gerechtsdeurwaarder] , als gerechtsdeurwaarder gevestigd in de gemeente [gemeente] en kantoorhoudende in die gemeente aan de [weg] te [kantoorplaats]”.

(iv) Op 8 augustus 2017 heeft “[gerechtsdeurwaarder] , als gerechtsdeurwaarder gevestigd in de gemeente [gemeente] en kantoorhoudende in die gemeente aan de [weg] te [kantoorplaats] ” op verzoek van [derde 1] en [derde 2] en in tegenwoordigheid van acht in het proces-verbaal genoemde getuigen onder andere de genoemde paarden in gerechtelijke bewaring gegeven aan [de vennootschap 2]

( v) Bij - kennelijk per e-mail, afkomstig van [paralegal] , paralegal bij het advocatenkantoor Schelstraete verzonden - brief 10 augustus 2017, gericht aan “[de vennootschap 1] t.a.v. mevrouw [gerechtsdeurwaarder]” heeft mr. Schelstraete namens [geïntimeerde] onder meer bericht dat de paarden eigendom zijn van [geïntimeerde] en dat het beslag jegens [geïntimeerde] onrechtmatig is omdat het zijn eigendomsrechten aantast. Mr Schelstraete schrijft voorts: “Namens cliënt verzoek en sommeer ik u qq om betreffende beslag nog vandaag op te heffen”.

(vi) Middels een antwoord-email van 10 augustus 2017 aan [paralegal] voornoemd heeft [de vennootschap 1] aan mr. Schelstraete bericht dat het beslag is gelegd uit kracht van een vonnis van 21 juni 2017 van de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Bergen op Zoom ten laste van [derde 3] en dat een redelijk vermoeden bestaat dat [derde 3] bezitter is van de inbeslaggenomen paarden. Vooralsnog bleef het beslag gehandhaafd.

(vii) Hierop is nog enige correspondentie heen en weer gevolgd.

(ix) Na het kort geding vonnis, waarvan thans beroep, heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] op 29 september 2017 aan [de vennootschap 1] , t.a.v. mw. [gerechtsdeurwaarder] , geschreven dat hij zowel het kantoor [appellante] als [gerechtsdeurwaarder] in privé aansprakelijk houdt voor alle schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het gelegde beslag en worden [appellante] en [gerechtsdeurwaarder] gesommeerd tot betaling binnen een week van € 17.859,87, bij gebreke waarvan [geïntimeerde] zich vrij acht over te gaan tot het starten van een gerechtelijke procedure.

6.2.1.

[geïntimeerde] heeft [derde 1] , [derde 2] , [derde 3] en [appellante] in kort geding betrokken en als voorlopige voorziening, samengevat, gevorderd

primair opheffing van het executoriale beslag op de paarden en de daarbij behorende paspoorten, en opheffing van de gerechtelijke bewaring en een gebod aan [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” om [geïntimeerde] feitelijk in het bezit te stellen van de paarden en de paspoorten, zulks op straffe van een dwangsom;

subsidiair [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” te gebieden het executoriaal beslag op de paarden en de daarbij behorende paspoorten, alsmede de gerechtelijke bewaring, op te heffen en [geïntimeerde] feitelijk in het bezit te stellen van de paarden en de paspoorten, zulks op straffe van een dwangsom;

meer subsidiair: de getroffen executiemaatregelen met betrekking tot de paarden en de paspoorten te schorsen en geschorst te houden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist;

en [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

6.2.2.

[derde 3] heeft verstek laten gaan.

6.2.3.

[derde 1] en [derde 2] hebben gezamenlijk - inhoudelijk - verweer gevoerd, dat er kort gezegd op neer komt dat [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij enig eigendomsrecht op de in beslaggenomen en in bewaring gegeven paarden had.

6.2.4.

[appellante] heeft, zo blijkt uit het overgelegde procesdossier, ter zitting een “Verklaring aan de Voorzieningenrechter” overgelegd, waarin zij aangeeft dat [geïntimeerde] niet ontvankelijk moet worden verklaard jegens de besloten vennootschap [appellante] , omdat kort gezegd alleen de gerechtsdeurwaarder als natuurlijk persoon het ambt uitvoert, en ook als enige daarop kan worden aangesproken. Zij heeft geen materieel verweer gevoerd.

6.3.1.

De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen ten aanzien van [derde 3] , omdat de vorderingen niet tegen haar gericht zijn en zij bovendien geen beslaglegger is en niet bij machte om het gelegde beslag en gerechtelijke bewaring te doen opheffen.

6.3.2.

Het verweer dat ten onrechte het deurwaarderskantoor [appellante] is gedagvaard is verworpen: Onweersproken is dat het deurwaarderskantoor de opdracht heeft gekregen om beslag te leggen. Namens het deurwaarderskantoor heeft gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder] de ambtelijke diensten verleend. Vervolgens is herhaaldelijk gecorrespondeerd tussen (de advocaat van) [geïntimeerde] en het deurwaarderskantoor. Daarin heeft het kantoor nimmer aangegeven dat [geïntimeerde] zich tot [gerechtsdeurwaarder] als gerechtsdeurwaarder diende te wenden. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat het deurwaarderskantoor de macht heeft om het beslag te doen opheffen.

6.3.3.

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat vast staat dat door [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” geen enkel document is overgelegd waaruit enig eigendomsrecht van [derde 3] blijkt en ook overigens geen enkele (valide) aanwijzing bestaat dat [derde 3] eigenaar is van de paarden. Door [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” is allerminst aannemelijk gemaakt dat [derde 3] de eigendom heeft van de paarden, terwijl [geïntimeerde] dat ten aanzien van het door hem gestelde eigendomsrecht wel heeft gedaan.

De primaire vorderingen worden toegewezen ten aanzien van [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder”, met hun veroordeling in de proceskosten.

6.3.4.

De voorzieningenrechter heeft het gelegde beslag en de gerechtelijke bewaring vervolgens opgeheven en [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” geboden om [geïntimeerde] feitelijk in het bezit te stellen van de paarden en de paspoorten, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [derde 1] , [derde 2] en “de deurwaarder” in de proceskosten en de nakosten.

6.4.1.

In dit hoger beroep zijn [derde 1] en [derde 2] niet meer betrokken.
[appellante] is tegen het vonnis opgekomen met zeven grieven. Daarnaast heeft zij tijdens het pleidooi een stelling betrokken, die door haarzelf werd aangemerkt als verduidelijking van dan wel aanvulling op haar eerder geformuleerde grieven, maar welke door [geïntimeerde] werd geduid als een nieuwe grief, waartegen [geïntimeerde] bezwaar heeft gemaakt. Het hof laat deze kwestie thans in het midden.

6.4.2.

De grieven komen erop neer dat [appellante] stelt dat zij ten onrechte in het geding is betrokken, omdat zij - het deurwaarderskantoor - feitelijk niet in staat is beslag te leggen of op te heffen. Dat is [gerechtsdeurwaarder] , de deurwaarder, een openbaar ambtenaar, die in deze als lasthebber heeft gehandeld voor rekening en risico van [derde 1] en [derde 2] . De tegen het deurwaarderskantoor [appellante] ingestelde vordering had niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

Door de voorzieningenrechter is een rechtens onjuiste maatstaf gehanteerd en [appellante] , het deurwaarderskantoor, heeft er belang bij dat dit in hoger beroep wordt gecorrigeerd, temeer nu na het vonnis [appellante] aansprakelijk is gesteld door [geïntimeerde] vcoor zijn gesteld geleden schade, aldus [appellante]

6.5.1.

Het hof heeft reeds geconstateerd dat de gelegde beslagen en de gerechtelijke bewaring door de voorzieningenrechter zijn opgeheven. De paarden (en de paspoorten) zijn door de bewaarder teruggebracht naar [geïntimeerde] , zo hebben partijen ter zitting meegedeeld.

[appellante] heeft niet gegriefd tegen de opheffing van het beslag en de bewaring. Hierin kan geen belang voor [appellante] bij het onderhavige hoger beroep zijn gelegen.

De proceskosten van [geïntimeerde] - tot betaling waarvan [appellante] mede was veroordeeld - zijn betaald door [derde 2] (niet door [appellante] ). Over haar eigen proceskosten heeft zij niets gesteld, het is het hof overigens bekend dat zij in persoon is verschenen bij de zitting in eerste aanleg. Het kort geding vonnis kan dus niet meer ten uitvoer gelegd worden tegen [appellante] Hierin is dus thans geen (processueel) belang gelegen.

6.5.2.

Door [appellante] is desgevraagd gesteld dat haar belang bij dit hoger beroep daarin gelegen is, dat het vonnis van de voorzieningenrechter voor [geïntimeerde] aanleiding is geweest om [appellante] (en [gerechtsdeurwaarder] ) aansprakelijk te stellen voor de gesteld door hem geleden schade als gevolg van het beslag en de aankondiging te doen van een mogelijk jegens [appellante] (en [gerechtsdeurwaarder] ) te entameren procedure tot het verkrijgen van schadevergoeding.

6.5.3.

In de onderhavige procedure speelt die schadevergoedingsvordering echter niet, deze procedure handelde in eerste aanleg alleen over de opheffing van het beslag en de bewaring. Nu het vonnis van de voorzieningenrechter slechts een voorziening bij voorraad bevat – een ordemaatregel – en niet de strekking heeft de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen, kan in het feit dat na en naar aanleiding van dit vonnis aan [appellante] (en [gerechtsdeurwaarder] ) een aansprakelijkheidsstelling door [geïntimeerde] is gezonden, evenmin een rechtens relevant belang bij het onderhavige hoger beroep worden gevonden.

6.5.4.

Het hoger beroep strandt reeds hierom en het vonnis zal worden bekrachtigd.

De vorderingen van [appellante] worden afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten, inclusief nasalaris en wettelijke rente hierover. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 6 september 2017, voor zover tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 313,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde,

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, H.A.G. Fikkers en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 maart 2018.

griffier rolraadsheer