Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1171

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
16/03827
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6473, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1998
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verkoopt in 2011 aanmerkelijk belangaandelen. Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar en oordeelt tevens dat de overdrachtsprijs, de verkrijgingsprijs en het vervreemdingsvoordeel door de Inspecteur juist zijn berekend. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 kan belanghebbende geen negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking nemen. Tenslotte oordeelt het Hof dat de navorderingsaanslag 2011 niet in stand kan blijven omdat er geen sprake is van kwade trouw of een kenbare fout en omdat een nieuw feit ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1070
Viditax (FutD), 24-05-2018
FutD 2018-1391 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/35.1.5
Viditax (FutD), 19-10-2018
NTFR 2018/1328
NLF 2018/1174 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03827

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2016, nummer BRE 15/1250 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag (hierna: de aanslag) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 4.747.273, bestaande uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 188.718, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.555.552 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.003, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] van Administratiekantoor [A] te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] . Ter zitting zijn de zaken met kenmerk 16/03827 tot en met 16/03830 en 17/00648 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en deze is door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij verstrekt. Door de Inspecteur is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Op 1 mei 2013 dient belanghebbende zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2011 in. De aanslag is met dagtekening 11 april 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.2.

Belanghebbende heeft door middel van zijn brief met dagtekening 28 juli 2014 bezwaar aangetekend tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar gedagtekend 9 februari 2015 verklaart de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslag. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De aanslag heeft als dagtekening 11 april 2014. Niet gesteld of gebleken is dat de aanslag later dan die datum is bekendgemaakt. De termijn voor het instellen van bezwaar ving derhalve aan op 12 april 2014 (artikel 6:8 van de Awb) en eindigde zes weken later op 23 mei 2014. Het bezwaarschrift, dat is gedagtekend 27 juli 2014 en door de Inspecteur is ontvangen op 31 juli 2014, is derhalve gelet op het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend.

4.2.

Van de termijn genoemd in artikel 6:7 van de Awb kan niet worden afgeweken, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende. Belanghebbende stelt dat er sprake is van een verschoonbare overschrijding van bedoelde termijn (hierna: verschoonbare termijnoverschrijding) en draagt daartoe de volgende argumenten aan:

  1. uit de correspondentie die in de periode december 2011 tot en met 23 mei 2014 is gewisseld tussen belanghebbende en de Inspecteur kan worden afgeleid dat belanghebbende bezwaar had tegen de aanslag;

  2. de Inspecteur had moeten begrijpen - gelet op de overdrachtsprijs van € 4.500.000 en een verkrijgingsprijs van € 75.328 - dat belanghebbende bezwaar wilde maken tegen de aanslag;

  3. omdat de Inspecteur een onjuist adres heeft vermeld in de rechtsmiddelenverwijzing, behorende bij de door de Inspecteur afgegeven beschikking verkrijgingsprijs, is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding;

  4. e relatie tussen belanghebbende en de Inspecteur wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid die besloten liggen in artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek. Nu het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2011 ontvankelijk is en handelt over het(de)zelfde geschilpunt(en) als die betreffende de aanslag, gebiedt de redelijkheid en billijkheid dat belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ontvankelijk wordt verklaard;

  5. door de Inspecteur is in december 2011 - ten tijde van het aanvragen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2011 - toegezegd dat op een later tijdstip teruggekomen mocht worden op de berekening van het vervreemdingsvoordeel;

  6. in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 25 maart 2016 meldt de Inspecteur: “Misschien is het een geruststelling dat de materiële kant van de zaak gewoon besproken wordt.”. Dit betreft een toezegging van de Inspecteur dat belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ontvankelijk wordt geacht, hetgeen ertoe leidt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.3.

Belanghebbende verwijst naar correspondentie, maar duidt niet nader aan welke correspondentie uit de periode december 2011 tot en met 23 mei 2014 wordt bedoeld noch licht belanghebbende toe waarom daaruit moet worden afgeleid dat hij bezwaar wilde maken tegen de aanslag. Naar ’s Hofs oordeel maakt belanghebbende hiermee - mede gelet op de betwisting door de Inspecteur van het bestaan van dergelijke correspondentie - niet aannemelijk dat hij in genoemde periode - al dan niet prematuur - bezwaar heeft willen maken tegen de aanslag. Ook kan naar ’s Hofs oordeel uit de door belanghebbende opgegeven overdrachtsprijs (€ 4.500.000) in combinatie met de door de Inspecteur berekende verkrijgingsprijs (€ 75.328) niet worden afgeleid dat belanghebbende bezwaar wilde maken tegen de aanslag noch dat van een verschoonbare termijnoverschrijding sprake is.

4.4.

Een foutieve vermelding van een adres in een rechtsmiddelenverwijzing leidt op zichzelf niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Nu bedoelde foutieve vermelding voorts betrekking heeft op de door de Inspecteur afgegeven beschikking verkrijgingsprijs, kan naar het oordeel van het Hof hierdoor bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat hij zijn bezwaar tegen de aanslag na 23 mei 2014 kon indienen.

4.5.

Nu de termijn genoemd in artikel 6:7 van de Awb in beginsel als fatale termijn kwalificeert en belanghebbendes bezwaar zich richtte tegen de aanslag, kan niet worden gezegd, dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2011 wel ontvankelijk is en voorts handelt over het(de)zelfde inhoudelijke geschilpunt(en) als die in onderhavige procedure. Het bezwaar tegen de aanslag staat los van bedoeld bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de redelijkheid en billijkheid die besloten liggen in artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek doen hier niet aan af.

4.6.

Verondersteld dat de stelling van belanghebbende klopt, dat door de Inspecteur in december 2011 is toegezegd dat op een later tijdstip teruggekomen mocht worden op de berekening van het vervreemdingsvoordeel, dan heeft een dergelijke toezegging betreffende de inhoudelijke kant van (de onderbouwing van) de aanmerkelijk belangwinst geen enkele relatie met de formele (wettelijke) termijn voor indiening (nota bene: na 11 april 2014) van een bezwaar tegen de aanslag, en behelst deze naar ’s Hofs oordeel geen toezegging aangaande de ontvankelijkheid van een nog in te dienen bezwaarschrift noch aangaande verschoonbaarheid van een eventuele termijnoverschrijding.

4.7.

Met hetgeen de Inspecteur tenslotte tijdens de zitting bij de Rechtbank heeft aangevoerd, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof slechts aangegeven dat de materiële kant van het geschil in ieder geval aan de orde komt in de zaak met nummer BRE 15/4155, zijnde het geschil betreffende de afwijzing van belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Het Hof vermag niet inzien dat de desbetreffende mededeling van de Inspecteur de toezegging inhoudt dat belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ontvankelijk wordt geacht omdat sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.8.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld doet aan het voorgaande niet af.

4.9.

De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb brengt voorts mee dat om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht.

4.10.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht bij het afhandelen van de procedure en dat het veel te lang heeft geduurd. Indien en voor zover de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen stelling moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade, geldt dat de redelijke termijn in dit geval niet is overschreden en artikel 6 van het EVRM niet is geschonden. Indien zoals in onderhavige situatie bedoeld verzoek voor het eerst voor het Hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ELCI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). In onderhavig geval is de redelijke termijn aangevangen bij ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 31 juli 2014. Het Hof doet uitspraak op 15 maart 2018 hetgeen betekent dat de totale behandelduur voor bezwaar, beroep en hoger beroep tezamen hierdoor binnen het te hanteren uitgangspunt van vier jaren blijft. De behandeling van de zaak heeft derhalve binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

4.11.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur vóór ontvangst van het bezwaarschrift van belanghebbende op 31 juli 2014 niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan hem dit niet baten. Deze periode valt niet onder de reikwijdte van artikel 6 van het EVRM.

Slotsom

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

verklaart het hoger beroep ongegrond, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 maart 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M. Harthoorn en L.B.M. Klein Tank, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.