Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
20-002046-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval tussen de bestuurder van een personenauto en een voetganger ten gevolge waarvan de laatste is overleden. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten om de posities van de auto en het slachtoffer op de weg ten tijde van de botsing met voldoende zekerheid te kunnen bepalen. Vraag of sprake is van verwijtbare schuld is niet te beantwoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002046-15

Uitspraak: 20 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 16 juni 2015 in de strafzaak met het parketnummer 02-665019-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonplaats] , [adres]

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van al hetgeen hem bij inleidende dagvaarding onder primair en subsidiair ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren, de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en tevens aan de verdachte voorwaardelijk de bevoegdheid zal ontzeggen motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van al hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, reeds omdat in de fase van het hoger beroep aanvullend forensisch onderzoek is verricht en ter terechtzitting van het hof deskundigen zijn gehoord.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 21 juni 2014 in de gemeente Baarle-Nassau als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, [merk] ), daarmede rijdende over de weg, de Molenbaan , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig met dat motorrijtuig rijdende:

- niet, althans niet bij voortduring, zijn aandacht te richten en/of gericht te houden op het vóór hem gelegen weggedeelte van die weg en/of

- niet, althans niet bij voortduring, het verloop van de rijbaan van die weg te gaan en/of te blijven volgen en/of

- niet, althans niet bij voortduring, voldoende "rechts" op de rijbaan van die weg te gaan en/of te blijven rijden en/of

- geen, althans onvoldoende, maatregelen te treffen teneinde een botsing/aanrijding met overig verkeer op die weg te voorkomen en/of

- niet, althans niet behoorlijk en/of voldoende, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, naar "rechts" uit te wijken op het moment dat hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig een of meerdere zich, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links vóór" hem op de rijbaan van die weg bevindende voetganger(s) tot op (zeer) korte afstand was genaderd, doch met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in ruime mate op de weghelft van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan, althans is blijven rijden,

(mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig, in botsing/aanrijding is gekomen met een zich, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links vóór" hem op de rijbaan van die weg bevindende voetganger, waardoor die voetganger (genaamd: [slachtoffer] ), werd gedood;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

1.

dat hij op of omstreeks 21 juni 2014 in de gemeente Baarle-Nassau als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, [merk] ), daarmede rijdende over de weg, de Molenbaan ,

- niet, althans niet bij voortduring, zijn aandacht gericht heeft gehouden op het vóór hem gelegen weggedeelte van die weg en/of

- niet, althans niet bij voortduring, het verloop van de rijbaan van die weg heeft gevolgd en/of

- niet, althans niet bij voortduring, voldoende "rechts" op de rijbaan van die weg heeft gereden en/of

- niet, althans niet behoorlijk en/of voldoende, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, naar "rechts" is uitgeweken op het moment dat hij met het door hem bestuurde motorrijtuig een of meerdere zich, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links vóór" hem op de rijbaan van die weg bevindende voetganger(s) tot op (zeer) korte afstand was genaderd,

waarna hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing/aanrijding is gekomen met een zich, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links vóór" hem op de rijbaan van die weg bevindende voetganger, waarbij die voetganger (genaamd: [slachtoffer] ) dodelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van de verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

en/of

2.

dat hij op of omstreeks 21 juni 2014 in de gemeente Baarle-Nassau als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto, [merk] ), daarmede rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Molenbaan, niet zoveel mogelijk "rechts" heeft gehouden, waarbij dodelijk letsel aan een persoon (genaamd: [slachtoffer] ) werd toegebracht en/of schade aan goederen is ontstaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling

Vast staat dat op 21 juni 2014 omstreeks 23.30 uur op de Molenbaan in Baarle-Nassau

een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de door de verdachte bestuurde personenauto, [merk] , is aangereden tegen een voetganger, genaamd [slachtoffer] , en dat deze voetganger ten gevolge daarvan is overleden. Voorts staat genoegzaam vast dat de verdachte in de richting van Baarle-Nassau reed en dat de voetganger op de linkerhelft van de weg in dezelfde richting liep.

De advocaat-generaal acht de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bewezen. De advocaat-generaal heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de verdachte in aanmerkelijke mate schuld heeft gehad aan het ontstaan van de aanrijding met de voetganger omdat die aanrijding het gevolg is geweest van onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag van de verdachte. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaringen van een viertal getuigen, het sporenbeeld op de weg en een computersimulatie, waarbij de botsing tussen de personenauto en de voetganger werd nagebootst, blijkt dat het slachtoffer links op de linkerrijstrook heeft gelopen en dat de verdachte zonder gebleken noodzaak of aanleiding ver op die linkerrijstrook heeft gereden, waarbij hij de aldaar lopende voetgangers, waaronder het slachtoffer, niet heeft gezien.

Aan de bepleite vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman van de verdachte ten grondslag gelegd dat uit het dossier en de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte onvoldoende aandacht zou hebben gehad voor de weg vóór hem, dat hij niet voldoende rechts zou hebben gehouden en dat hij niet alle maatregelen zou hebben getroffen om een aanrijding te voorkomen.

Het hof overweegt als volgt.

Centraal staat de vraag of de gedragingen van de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) van dien aard zijn geweest dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de beschikbare bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Hierbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Naar de toedracht van het verkeersongeval is ter plaatse forensisch onderzoek verricht door de politie. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal zag de onderzoeker bij aanvang van zijn onderzoek dat het slachtoffer op zijn rug aan de rand van een maisakker naast de rijbaan van de Molenbaan lag. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer - gezien in de rijrichting van de verdachte - twee sleepsporen zijn aangetroffen. In het proces-verbaal wordt gesteld dat het gelet op de positie en het verloop van spoor 1 op het wegdek en de hiervoor bedoelde eindpositie van het slachtoffer passend is dat dit spoor werd gevormd op het moment dat het slachtoffer werd aangereden.

Voorts wordt in het proces-verbaal gesteld dat het gelet op de positie en het verloop van spoor 2 op het wegdek, de hiervoor bedoelde eindpositie van het slachtoffer en de door de onderzoeker op de zool aan de neus van de rechterschoen van het slachtoffer waargenomen recent gevormde beschadigingen c.q. krassporen passend is dat spoor 2 werd gevormd door de rechterschoen van het slachtoffer op het moment dat het slachtoffer, na te zijn aangereden, door de kracht van de aanrijding in de richting van zijn eindpositie werd geworpen. Door de onderzoeker is hierbij opgemerkt dat bij het Nederlands Forensisch Instituut een vergelijkend vezelonderzoek dient plaats te vinden om aan te tonen dat spoor 2 daadwerkelijk met één van de schoenen van het slachtoffer veroorzaakt werd, maar zoals door de rechtbank is vastgesteld was dat onderzoek ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet uitgevoerd.

Evenals de rechtbank constateert het hof dat de hierboven bedoelde ‘eindpositie’ van het slachtoffer niet overeenkomt met de werkelijke eindpositie van het slachtoffer direct na de aanrijding. Uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt immers dat het slachtoffer na de aanrijding in de sloot terecht was gekomen en door hem en zijn vrienden in het maisveld is gelegd met het oog op het verlenen van eerste hulp. Volgens de verdachte is het lichaam van het slachtoffer na de aanrijding zelfs twee keer verplaatst: eerst vanuit de sloot of greppel naar de berm van de weg en vervolgens, omwille van de veiligheid van de hulpverleners, naar de rand van het maisveld.

In aanmerking nemende dat het lichaam van het slachtoffer na de aanrijding ten minste één keer is verplaatst, acht het hof, evenals de rechtbank, de door de onderzoeker gehanteerde eindpositie van het slachtoffer niet zonder meer bruikbaar voor het vaststellen van de posities van het slachtoffer en de auto van de verdachte ten tijde van de aanrijding.

Dat geldt ook voor de op het wegdek van de Molenbaan aangetroffen sporen 1 en 2. Hierbij wordt opgemerkt dat uit het door de onderzoeker opgemaakte proces-verbaal blijkt dat door hem aan de schoenen van het slachtoffer geen expliciete sporen werden gevonden aan de hand waarvan spoor 1 tot die schoenen herleid kon worden. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de positie van dit spoor op het wegdek niet noodzakelijk de plaats markeert waar het slachtoffer zich op het moment van de aanrijding bevond.

Met betrekking tot spoor 2 overweegt het hof als volgt.

Het in eerste aanleg ontbrekende vergelijkend vezelonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is in de fase van het hoger beroep alsnog verricht. In zijn rapport van

29 oktober 2015 concludeert de NFI-deskundige kunststofonderzoek ir. M.L. Hordijk dat er een sterke aanwijzing is gevonden dat de kunststof in het spoor van het wegdek afkomstig kan zijn van de zool van een van de schoenen [van het slachtoffer].

Hoewel volgens de deskundige Hordijk voor het bepalen van de bewijswaarde van de waargenomen overeenkomst tussen de kunststof van het spoor en de kunststof van de schoenen meer onderzoek nodig is in de vorm van het opbouwen van een referentie-verzameling schoenzolen, neemt het hof de hiervoor weergegeven conclusie van ir. Hordijk over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat het hof wel wil aannemen dat spoor 2 is veroorzaakt door één van de schoenen van het slachtoffer, maar dit laat onverlet dat het hof overigens in het dossier geen concrete aanknopingspunten heeft aangetroffen voor de aanname dat spoor 1 is gevormd op de plaats en het moment van de aanrijding en dat spoor 2 werd gevormd door de rechterschoen van het slachtoffer op het moment dat het slachtoffer, na te zijn aangereden, door de kracht van de aanrijding in de richting van zijn eindpositie werd geworpen. Het hof sluit zich niet aan bij de conclusie van de forensisch onderzoeker van de politie dat de respectievelijke sporen 1 en 2 op het wegdek hierbij passen, omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, de door bedoelde onderzoeker gehanteerde eindpositie van het slachtoffer niet overeen komt met de eindpositie van het slachtoffer direct na de aanrijding. Informatie over de afstand(en) waarover en de richting(en) waarin het lichaam van het slachtoffer ten behoeve van de hulpverlening is verplaatst ontbreekt echter in het dossier.

Verder heeft slechts summier onderzoek plaatsgevonden aan het lichaam van het slachtoffer, waardoor informatie ontbreekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld op welke manier en plaats en onder welke hoek het voertuig van de verdachte het lichaam van het slachtoffer heeft geraakt en of het lichaam wellicht is meegesleept na de aanrijding. Tevens kan niet worden vastgesteld of het waargenomen letsel is veroorzaakt door de botsing of door het neerkomen van het lichaam.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat ter plaatse van de aanrijding een onvolledig forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden, waardoor het het hof ontbreekt aan concrete aanknopingspunten om de posities van het slachtoffer en de auto van de verdachte ten tijde van de aanrijding met voldoende nauwkeurigheid te kunnen vaststellen.

De verklaringen die de deskundigen Hordijk en Van der Peijl, beiden van het Nederlands Forensisch Instituut, en Ten Hove van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau ter terechtzitting van het hof hebben afgelegd, hebben geen ander licht geworpen op de zaak.

Het hof overweegt ten slotte nog dat het ontbreken van voldoende concrete vaststellingen

in het proces-verbaal van het forensisch onderzoek eraan in de weg staat om thans nog

nader onderzoek te gelasten, ondanks dat het voor de nabestaanden van het slachtoffer onduidelijk blijft wat de exacte omstandigheden waren die hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer] .

Op grond van het vorenoverwogene kan naar het oordeel van het hof niet bewezen worden dat de verdachte het primair en subsidiair onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 20 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Y.G.M. Baaijens-Van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.