Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
17/00648
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5424, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1997
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verkoopt in 2011 aanmerkelijk belangaandelen. Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar en oordeelt tevens dat de overdrachtsprijs, de verkrijgingsprijs en het vervreemdingsvoordeel door de Inspecteur juist zijn berekend. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 kan belanghebbende geen negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking nemen. Tenslotte oordeelt het Hof dat de navorderingsaanslag 2011 niet in stand kan blijven omdat er geen sprake is van kwade trouw of een kenbare fout en omdat een nieuw feit ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1071
Viditax (FutD), 24-05-2018
FutD 2018-1391 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/35.1.3
Viditax (FutD), 19-10-2018
NTFR 2018/1315
NLF 2018/1143 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00648

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 augustus 2017, nummer BRE 16/4352 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag (hierna: de aanslag) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 390.090, bestaande uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 194.406, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 75.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 120.684, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van de uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Dit betreft brieven van 21 en 26 oktober 2017 gericht aan de Rechtbank. De Rechtbank heeft afschriften van deze stukken gezonden aan het Hof. Daarnaast heeft belanghebbende rechtstreeks aan het Hof nadere stukken ingediend. Al deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende de heer [A] van Administratiekantoor [A] te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] . Ter zitting zijn de zaken met kenmerk 16/03827 tot en met 16/03830 en 17/00648 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.6.

Door de Inspecteur is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende had tot begin jaren negentig een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: B.V.-oud). Ten aanzien van B.V.-oud is begin jaren negentig het faillissement uitgesproken. In verband met de afwikkeling van het faillissement van B.V.-oud heeft belanghebbende in 1994 samen met de heren [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ) de aandelen in een B.V. gekocht, waarna de naam van deze B.V. veranderd is in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Belanghebbende verkreeg bij aankoop een belang van 40% (16 aandelen) in [bedrijf 1] ; [E] en [F] kochten elk een belang van 30% (elk 12 aandelen).

2.2.

Op 30 juni 1997 heeft belanghebbende van [F] 6 aandelen [bedrijf 1] gekocht waardoor belanghebbendes belang in [bedrijf 1] is vergroot naar 55% (22 aandelen van de in totaal 40 aandelen). In juni 2011 heeft belanghebbende 50/55-deel van de door hem gehouden aandelen [bedrijf 1] verkocht aan [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) voor een bedrag van € 4.500.000.

2.3.

Op 1 mei 2013 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2011 ingediend. In deze aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld van € 4.555.552, waarvan deel uitmaakt een vervreemdingsvoordeel betreffende de aandelen [bedrijf 1] bestaande uit een overdrachtsprijs van € 4.500.000 verminderd met een verkrijgingsprijs van € 219.448. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV over het jaar 2011 met dagtekening 11 april 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.4.

In de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang geclaimd ten bedrage van negatief € 101.816. Genoemd bedrag bestaat uit een vervreemdingsvoordeel groot negatief € 176.816 (hierna: het vervreemdingsvoordeel) en een regulier voordeel groot € 75.000. Bij het vaststellen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte en heeft hij genoemd vervreemdingsvoordeel gecorrigeerd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking kan nemen. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Nu belanghebbende van mening is dat over het jaar 2013 een negatief bedrag als vervreemdingsvoordeel in aanmerking kan worden genomen, is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is geweest. Belanghebbende stelt in dit kader dat in de aanslag IB/PVV 2011 een te hoog bedrag als voordeel uit de vervreemding van een aanmerkelijk belang is meegenomen, hetgeen er toe leidt dat het verschil met het naar belanghebbendes mening juiste vervreemdingsvoordeel, in de aangifte IB/PVV 2013 als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking moet worden genomen. Voorts stelt belanghebbende dat hij en zijn echtgenote nog geen keuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) betreffende de verdeling in 2011 van het vervreemdingsvoordeel, hetgeen ook gevolgen heeft voor de verwerking in de aangifte IB/PVV 2013. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verkoop van de aandelen [bedrijf 1] door belanghebbende aan [bedrijf 2] in 2011 een vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel b, van de Wet IB betreft. Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding (artikel 4.46, lid 1, Wet IB) en in onderhavige situatie is dat het tijdstip waarop de obligatoire overeenkomst (van koop/verkoop) tussen belanghebbende en [bedrijf 2] perfect is geworden (vgl. onder meer Hoge Raad 17 oktober 1990, nr. 26.756, ECLI:NL:HR:1990:ZC4421, BNB 1990/335). Gesteld noch gebleken is dat bedoelde obligatoire overeenkomst niet in 2011 perfect is geworden, zodat als uitgangspunt geldt dat belanghebbende de door hem gehouden aandelen [bedrijf 1] in 2011 heeft vervreemd.

4.3.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in 2013 tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen heeft vervreemd noch dat de obligatoire overeenkomst zoals in juni 2011 is gesloten tussen belanghebbende en [bedrijf 2] is aangepast. Belanghebbende heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2013 enig (negatief) vervreemdingsvoordeel heeft gerealiseerd.

4.4.

De stelling van belanghebbende dat het in zijn ogen te hoge, in de aanslag IB/PVV 2011 in aanmerking genomen, voordeel uit de vervreemding van een aanmerkelijk belang, in de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 kan worden gecorrigeerd, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Indien en voor zover al zou komen vast te staan dat het bedrag van dat in aanmerking genomen vervreemdingsvoordeel te hoog is geweest, heeft een eventueel hieruit voortvloeiende correctie - mede gelet op het vorenstaande - geen invloed op de aanslag IB/PVV 2013.

4.5.

Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur terecht het in de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 opgenomen negatieve vervreemdingsvoordeel gecorrigeerd. Hierdoor behoeft de stelling van belanghebbende dat hij en zijn echtgenote ter zake van de verwerking in de aangifte IB/PVV 2011 nog geen keuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet IB, geen behandeling meer.

Slotsom

4.6.

De Rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard en het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.7.

Voor zover belanghebbende ook in deze zaak een verzoek om schadevergoeding beoogd te stellen, merkt het Hof het volgende op. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb brengt voorts mee dat om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht.

4.8.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht bij het afhandelen van de procedure en dat het veel te lang heeft geduurd. Indien en voor zover de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen stelling moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade, geldt dat de redelijke termijn in dit geval niet is overschreden en artikel 6 van het EVRM niet is geschonden. Indien zoals in onderhavige situatie bedoeld verzoek voor het eerst voor het Hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ELCI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). In onderhavig geval is de redelijke termijn aangevangen bij ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 29 februari 2016. Het Hof doet uitspraak op 15 maart 2018, hetgeen betekent dat de totale behandelduur voor bezwaar, beroep en hoger beroep tezamen hierdoor binnen het te hanteren uitgangspunt van vier jaren blijft. De behandeling van de zaak heeft derhalve binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

4.9.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur vóór ontvangst van het bezwaarschrift van belanghebbende op 29 februari 2016 niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan hem dit niet baten. Deze periode valt niet onder de reikwijdte van artikel 6 van het EVRM.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

verklaart het hoger beroep ongegrond, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 maart 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M. Harthoorn en L.B.M. Klein Tank, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.