Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1140

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
16/03829
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6478, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1996
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verkoopt in 2011 aanmerkelijk belangaandelen. Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar en oordeelt tevens dat de overdrachtsprijs, de verkrijgingsprijs en het vervreemdingsvoordeel door de Inspecteur juist zijn berekend. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 kan belanghebbende geen negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking nemen. Tenslotte oordeelt het Hof dat de navorderingsaanslag 2011 niet in stand kan blijven omdat er geen sprake is van kwade trouw of een kenbare fout en omdat een nieuw feit ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1072
Viditax (FutD), 24-05-2018
FutD 2018-1391 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/1610 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
Viditax (FutD), 19-10-2018
NLF 2018/1144 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03829

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2016, nummer BRE 15/7527 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 met aanslagnummer [plaats] H.17.01 een navorderingsaanslag (hierna: de navorderingsaanslag) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een beschikking heffingsrente (hierna: de beschikking) opgelegd. De navorderingsaanslag bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 188.718, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.707.184 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.003. De navorderingsaanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende de heer [A] van Administratiekantoor [A] te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] . Ter zitting zijn de zaken met kenmerk 16/03827 tot en met 16/03830 en 17/00648 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en deze is door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij verstrekt. Door de Inspecteur is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende had tot begin jaren negentig een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: B.V.-oud). Ten aanzien van B.V.-oud is begin jaren negentig het faillissement uitgesproken, waarbij belanghebbende als borg is aangesproken tot betaling van een bedrag van ƒ 100.000. In verband met de afwikkeling van het faillissement van B.V.-oud heeft belanghebbende in 1994 samen met de heren [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ) de aandelen in een B.V. gekocht, waarna de naam van deze B.V. veranderd is in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Belanghebbende verkreeg bij deze aankoop tegen betaling van een bedrag van ƒ 16.000 een belang van 40% (16 aandelen) in [bedrijf 1] ; [E] en [F] kochten elk een belang van 30% (elk 12 aandelen). Belanghebbende heeft genoemd bedrag van ƒ 16.000 van een derde geleend. Omstreeks de aankoop van de aandelen in [bedrijf 1] heeft belanghebbende een bedrag groot ƒ 164.000 ten titel van lening verstrekt aan [bedrijf 1] ; deze lening is door [bedrijf 1] in een periode van 10 jaren geheel afgelost. [E] en [F] hebben elk een bedrag groot ƒ 123.000 ten titel van lening verstrekt aan [bedrijf 1] . Tijdens de afwikkeling van het faillissement van B.V.-oud zijn haar activiteiten overgedragen aan [bedrijf 1] .

2.2.

Op 30 juni 1997 heeft belanghebbende van [F] 6 aandelen [bedrijf 1] gekocht voor een koopprijs van ƒ 150.000. Belanghebbendes belang in [bedrijf 1] is daardoor vergroot naar 55% (22 aandelen van de in totaal 40 aandelen). Belanghebbende heeft genoemd bedrag van ƒ 150.000 van een derde geleend.

2.3.

In juni 2011 heeft belanghebbende 50/55-deel van de door hem gehouden aandelen [bedrijf 1] verkocht aan [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) voor een bedrag van € 4.500.000. Eind 2011 heeft belanghebbende verzocht om het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2011, waarbij door belanghebbende het vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 4.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) werd gesteld op € 4.492.740 bestaande uit een overdrachtsprijs van € 4.500.000 verminderd met een verkrijgingsprijs van € 7.260 (ƒ 16.000).

2.4.

Op 1 mei 2013 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2011 ingediend. In deze aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld van € 4.555.552, bestaande uit een regulier voordeel van € 275.000 en een vervreemdingsvoordeel van € 4.280.552. Het vervreemdingsvoordeel is bepaald uitgaande van een overdrachtsprijs van € 4.500.000 verminderd met een verkrijgingsprijs van € 219.448.

2.5.

Voorafgaand aan het indienen van de aangifte IB/PVV 2011 heeft er overleg plaats gehad tussen de gemachtigde en de Inspecteur, betreffende de omvang van de verkrijgingsprijs van de aandelen [bedrijf 1] voor belanghebbende. Ondanks het tijdens dit vooroverleg ingenomen, andersluidende, standpunt van de Inspecteur betreffende de omvang van de verkrijgingsprijs, is de aanslag IB/PVV 2011 met dagtekening 11 april 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.6.

De Inspecteur heeft met dagtekening 14 september 2015 de beschikking als bedoeld in artikel 4.36 van de Wet IB genomen, betreffende de door belanghebbende gehouden aandelen [bedrijf 1] , inhoudende een verkrijgingsprijs per 1 januari 1997 van € 75.328.

2.7.

Met dagtekening 25 juli 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de navorderingsaanslag en de beschikking opgelegd. Ter zake van de navorderingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een verkrijgingsprijs van € 75.328 voor het totale aandelenbezit van belanghebbende in [bedrijf 1] en € 68.480 betreffende de aandelen [bedrijf 1] die belanghebbende in juni 2011 heeft verkocht aan [bedrijf 2] . Het verschil met de in de aangifte IB/PVV 2011 opgenomen verkrijgingsprijs groot € 219.448, zijnde € 150.968, heeft de Inspecteur nagevorderd. Belanghebbende heeft door middel van een brief, ingekomen bij de Inspecteur op 30 juli 2015, bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag en de beschikking. Bij brief gedagtekend 25 november 2015 is de Inspecteur deels tegemoet gekomen aan belanghebbendes bezwaar en heeft hij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang dat besloten ligt in de navorderingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.706.520, omdat bij het opleggen van de navorderingsaanslag een bedrag van € 151.632 is gecorrigeerd in plaats van € 150.968.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

I. Dient er sprake te zijn van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

II. Indien de vraag onder I bevestigend moet worden beantwoord, beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

III. Indien de vraag onder I ontkennend of de vraag onder II bevestigend moet worden beantwoord, is de navorderingsaanslag naar het juiste bedrag vastgesteld?

Belanghebbende is van mening dat de vraag onder I bevestigend en de andere vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag en de beschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) luidt - voor zover van belang - als volgt:

‘1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

a. (…);

b. (…);

c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.

3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. (…)‘.

Vraag I

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslag is opgelegd binnen de in het derde lid, van artikel 16 van de AWR genoemde termijn. De Inspecteur stelt dat een nieuw feit - als bedoeld in het eerste lid van artikel 16 van de AWR - niet noodzakelijk is voor het opleggen van de navorderingsaanslag en draagt daartoe de volgende argumenten aan:

  1. (primair) er is sprake van kwade trouw aan de kant van belanghebbende, daar de gemachtigde van belanghebbende wist van het standpunt van de Inspecteur aangaande de hoogte van de verkrijgingsprijs (zie onderdeel 2.5). Desondanks neemt belanghebbende, zonder dat hij hiervan de Inspecteur in kennis heeft gesteld, in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2011 een van dat standpunt afwijkende verkrijgingsprijs op van € 219.448;

  2. (subsidiair) er is sprake van een fout van de Inspecteur die belanghebbende - gelet op het vooroverleg met de Inspecteur (zie onderdeel 2.5) en de beschikking verkrijgingsprijs (zie onderdeel 2.6) - redelijkerwijs kenbaar was (hierna: een kenbare fout), een en ander als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van artikel 16 van de AWR.

De bewijslast dat er sprake is van kwade trouw of van een kenbare fout rust op de Inspecteur. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.3.

Belanghebbende stelt dat de door de gemachtigde met betrekking tot het jaar 2011 gebruikte aangiftesoftware geen mogelijkheid heeft geboden om de Inspecteur in kennis te stellen van de in de aangifte IB/PVV 2011 van het standpunt van de Inspecteur afwijkende verkrijgingsprijs. De Inspecteur stelt het tegenovergestelde. Zelfs als ervan moet worden uit gegaan dat de gebruikte aangiftesoftware bedoelde mogelijkheid wel heeft geboden, is er naar ’s Hofs oordeel geen sprake van kwade trouw aan de zijde van belanghebbende of diens gemachtigde.

4.4.

Van kwade trouw is sprake als de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden (vgl. HR 11 juni 1997, nr. 32.299, ECLI:NL:HR:1997:AA2160, BNB 1997/384). Voor vaststelling van kwade trouw is vereist dat de belastingplichtige er zich bewust van is geweest dat, als zijn aangifte zou worden gevolgd, dit tot gevolg zou hebben dat de belastingschuld op een te laag bedrag zou worden vastgesteld (vgl. onder meer HR 13 augustus 2010, nr. 08/03431, ECLI:NL:HR:2010:BN3830, BNB 2010/296). Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat bij belanghebbende (of diens gemachtigde) sprake was van opzet, of dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van aangifte bewust was dat, als zijn aangifte zou worden gevolgd, dit tot gevolg zou hebben dat de belastingschuld op een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Dat belanghebbende en diens gemachtigde wisten dat de Inspecteur voor wat betreft de verkrijgingsprijs van een lager bedrag uitging, doet hier niet aan af. Uit de stukken van het geding en de verklaringen van de gemachtigde ter zitting, leidt het Hof af dat belanghebbende en zijn gemachtigde bij het indienen van de aangifte IB/PVV 2011 de overtuiging hebben gehad dat zij correct en volledig aangifte deden, omdat zij beiden overtuigd waren van de juistheid van de door hen aangegeven verkrijgingsprijs.

4.5.

Van voorwaardelijk opzet is naar ’s Hofs oordeel evenmin sprake. Hiervoor is noodzakelijk dat belanghebbende de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de aangifte IB/PVV 2011 wat betreft de verkrijgingsprijs onjuist was en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen (vgl. HR 13 februari 2004, nr. 39477, ECLI:NL:HR:2004:AO3643, BNB 2004/160). Het Hof acht hierbij belanghebbendes - niet op voorhand als volstrekt onverdedigbaar aan te merken - standpunt dat de verkrijgingsprijs € 219.448 bedroeg, van belang. Belanghebbende is uit gegaan van een onjuist inzicht in de feiten en de relevante regelgeving, terwijl de aanwezigheid van kwade trouw in de vorm van voorwaardelijke opzet bij belanghebbende de aanwezigheid veronderstelt van een juist inzicht - dus een zekerheid betreffende de feiten en de relevante regelgeving - dat door belanghebbende verdraaid en daarmee onjuist wordt gepresenteerd aan de Inspecteur (vgl. HR 17 december 2004, nr. 39719, ECLI:NL:HR:2004:AP5230, BNB 2005/105). De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende bedoelde aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard noch dat belanghebbende (of zijn gemachtigde) over een dergelijk juist inzicht ten tijde van het doen van aangifte beschikte.

4.6.

De Inspecteur heeft als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat er sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR, die het hem mogelijk maakt om na te vorderen. Gesteld noch gebleken is dat de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.

4.7.

Het Hof stelt voorop dat uit de memorie van toelichting bij artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR, blijkt dat de wetgever met de introductie van deze regeling over navordering in geval van fouten niet heeft willen breken met de voorheen ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak houdt in dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan niet met toepassing van artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was (vgl. HR 27 juni 2014, nr. 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203). Uit de stukken en verklaringen blijkt niet of de ingediende aangifte IB/PVV 2011 door de Inspecteur op automatische wijze is afgedaan, dan wel dat deze door de Inspecteur is beoordeeld. Naar ’s Hofs oordeel valt niet uit te sluiten dat de Inspecteur de navorderingsaanslag heeft vastgesteld op basis van een onjuist inzicht in de feiten. Immers, de discussie tussen belanghebbende (en zijn gemachtigde) en de Inspecteur omtrent de hoogte van de verkrijgingsprijs was ook de Inspecteur bekend ten tijde van het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2011 dan wel had hem bekend moeten zijn. Desondanks stelt de Inspecteur die aanslag vast conform de ingediende aangifte. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur met hetgeen hij heeft gesteld niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR.

4.8.

Nu uit het vorenstaande blijkt dat er geen sprake is geweest van kwade trouw noch van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur over een nieuw feit diende te beschikken teneinde de navorderingsaanslag op te kunnen leggen. Vraag I dient bevestigend beantwoord te worden.

Vraag II

4.9.

Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard niet over een nieuw feit te beschikken dat een navorderingsaanslag rechtvaardigt. Vraag II dient derhalve ontkennend beantwoord te worden.

Vraag III

4.10.

Nu vraag I bevestigend en vraag II ontkennend worden beantwoord behoeft vraag III geen beantwoording meer.

Slotsom

4.11.

De navorderingsaanslag is ten onrechte opgelegd. Gelet hierop zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.12.

De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb brengt voorts mee dat om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht.

4.13.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht bij het afhandelen van de procedure en dat het veel te lang heeft geduurd. Indien en voor zover de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen stelling moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade, geldt dat de redelijke termijn in dit geval niet is overschreden en artikel 6 van het EVRM niet is geschonden. Indien zoals in onderhavige situatie bedoeld verzoek voor het eerst voor het Hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ELCI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). In onderhavig geval is de redelijke termijn aangevangen bij ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 30 juli 2015. Het Hof doet uitspraak op 15 maart 2018, hetgeen betekent dat de totale behandelduur voor bezwaar, beroep en hoger beroep tezamen hierdoor binnen het te hanteren uitgangspunt van vier jaren blijft. De behandeling van de zaak heeft derhalve binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

4.14.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur vóór ontvangst van het bezwaarschrift van belanghebbende op 30 juli 2015 niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan hem dit niet baten. Deze periode valt niet onder de reikwijdte van artikel 6 van het EVRM.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 45 en € 124 te vergoeden. Het griffierecht bij het Hof is geheven in de zaken met de kenmerken 16/03827 en 16/03830. Aangezien slechts in de onderhavige zaak het hoger beroep gegrond is, zal het Hof in deze zaak de Inspecteur gelasten het griffierecht te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op € 1.002 (= € 501 (waarde per punt) x 2 (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting) x 1 (wegingsfactor)) en voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op € 1.252,50 (= € 501 (waarde per punt) x 2,5 (één punt voor het beroepschrift, een half punt voor de conclusie van repliek en één punt voor het bijwonen van de zitting) x 1 (wegingsfactor)), dat is in totaal € 2.254,50.

4.18.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

vernietigt de navorderingsaanslag;

vernietigt de beschikking heffingsrente;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 169 vergoedt; en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten aan de zijde van belanghebbende van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de Rechtbank en bij het Hof, in totaal vastgesteld op € 2.254,50.

Aldus gedaan op 15 maart 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M. Harthoorn en L.B.M. Klein Tank, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.