Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1137

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
16/03891
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag leges van € 351.770,42 t.z.v. de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen en winkels ten behoeve van het centrumplan van de gemeente Brunssum.

Geschil:

I. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing?

II. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden?

III. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat Normblad NEN 2631 en de UAV 2012 niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt?

Het Hof beantwoord alle vragen ontkennend en stelt belanghebbende in het ongelijk. Het hoger beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/677
V-N 2018/31.30.17
Viditax (FutD), 26-03-2018
FutD 2018-0932
NTFR 2018/833
NLF 2018/0738 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03891

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 10 oktober 2016, nummer ROE 15/3217 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden aanslag leges.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen en winkels ten behoeve van het centrumplan [A] fase 1 te [B] met dagtekening 11 augustus 2015 een (definitieve) aanslag leges ter hoogte van € 351.770,42 opgelegd (hierna: de aanslag). De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende [C] , advocaat te [D] , tot bijstand vergezeld van [E] en [F] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [G] en [H] .

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.8.

De Heffingsambtenaar heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof vast komen te staan:

2.1.

Op 19 december 2014 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor de nieuwbouw van woningen en winkels centrumplan [A] te [B] . De gevraagde vergunning is verleend op 6 juli 2015.

2.2.

Met dagtekening 7 januari 2015 is aan belanghebbende ter zake van de aanvraag een voorlopige aanslag leges opgelegd van € 348.390. Met dagtekening 11 augustus 2015 is de aanslag, onder verrekening van de voorlopige aanslag, opgelegd van € 351.770,42. De aanslag is berekend aan de hand van de opgegeven bouwkosten van € 7.831.245 exclusief BTW. Het in de aanslag begrepen bedrag aan leges ter zake van de bouwactiviteit bedraagt € 345.357,90.

2.3.

Op pagina 1 van de begroting zoals deze is doorgegeven aan de gemeente (bijlage 17 bij het hoger beroepschrift) is het volgende vermeld:

[J]

[K]

Fase 1A

Commerciële ruimte blok A € 833.193

Appartementen blok A € 1.733.337

Parkeren blok G € 371.595

Appartementen blok G € 1.568.118

ABK Fase 1A € 638.800

_________________

Aanneemsom incl. opslagen fase 1A € 5.145.043

Fase 1B

Commerciële ruimte blok B € 550.003

Appartementen blok B € 1.775.075

ABK Fase 1B € 361.124

_________________

Aanneemsom incl. opslagen fase 1B € 2.686.202

Totale aanneemsom fase 1A+1B incl. opslagen € 7.831.245”.

2.4.

Bij de pleitnota in hoger beroep heeft belanghebbende een aantal pagina’s uit de 164-pagina tellende begroting overgelegd waarin de in 2.3 genoemde bedragen zijn uitgesplitst naar uren, arbeid, materiaal, materieel, onderaanneming en winst- en risico-opslag. De overzichten zijn gedateerd 8 juli 2015 en de berekende eindbedragen corresponderen alle met de in 2.3 vermelde bedragen.

2.5.

Tot de gedingstukken behoren overzichten van ramingen van kosten en opbrengsten die verband houden met de dienstverlening in de legesverordening. Deze zijn gebaseerd op ramingen uit de gemeentelijke begroting voor kalenderjaar 2014. Tevens bevat het dossier een overzicht van alle begrote uren van de verschillende gemeentelijke afdelingen respectievelijk medewerkers, en de daaruit aan de diensten van de legesverordening toegerekende uren en het uurtarief dat hiervoor is gehanteerd. De dekkingsgraad van de legesverordening is volgens deze overzichten 40,02%.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing?;

II. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden?;

III. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat Normblad NEN 2631 en de UAV 2012 niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en - primair - vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 155.595. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Juridisch kader

4.1.1.

In artikel 217 van de Gemeentewet is bepaald - voor zover hier van belang - dat een belastingverordening de heffingsmaatstaf en het tarief vermeldt.

4.1.2.

In artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet is neergelegd dat gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in de belastingverordeningen te bepalen heffingsmaatstaven met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

4.1.3.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

4.1.4.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden de tarieven voor de hiervoor bedoelde rechten zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van die rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (de opbrengstlimiet).

4.1.5.

De op artikel 229 van de Gemeentewet gebaseerde “Verordening op de heffing en invordering van leges 2014 en werken voor derden 2014” van de gemeente [B] (hierna: de Verordening) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "leges" worden rechten geheven voor:

het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(…).

Artikel 5 Maatstaven van heffingen en tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…).”.

4.1.6.

De Tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning

Tarief 2014

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

(…)

2.1.1.2

Bouwkosten:

de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

Indien de opgegeven bouwkosten niet overeenkomstig de hierboven genoemde wijze zijn bepaald, worden ambtshalve de bouwkosten vastgesteld op basis van de m3-eenhedenprijzen (exclusief BTW) zoals deze door het College zijn vastgesteld en waarvan openbare bekendmaking heeft plaatsgevonden

Mocht omtrent de ambtelijke vaststelling van de bouwkosten verschil van mening bestaan tussen de aanvrager en de gemeente, dan worden de bouwkosten alleen herberekend, indien door de aanvrager een accountantsverklaring wordt overgelegd, waaruit de werkelijke bouwkosten blijken.

(…)

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1

Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief indien de bouwkosten bedragen tussen:

0 -

1.000

54,05

1.001 -

2.000

64,80

2.001 -

5.000

144,15

5.001 -

10.000

324,40

10.001 -

20.000

648,40

20.001 -

50.000

980,50

50.001 -

100.000

1.651,60

100.001 -

200.000

4.103,00

200.001 -

500.000

9.402,10

500.001 -

1.000.000

22.534,95

> € 1.000.001 -

4,41% van de bouwkosten

4.1.7.

De Verordening is bekendgemaakt via digitale publicatie op internet: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/ [B] / [nummer] _2.html. De Tarieventabel is via een link in dit document te openen.

4.1.8.

In artikel 139 van de Gemeentewet is, voor zover relevant, met ingang van 1 januari 2014 het volgende bepaald:

“1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad.

2. De uitgifte van het gemeenteblad geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. Na de uitgifte blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het gemeentebestuur in een vervangende uitgave. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld.

3. In afwijking van het eerste lid kan een besluit als bedoeld in dat lid bepalen dat een bij het besluit behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging.

(…)”.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.2.

Belanghebbende verwijst naar uitspraken van de Rechtbank Rotterdam en het Gerechtshof Den Haag waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat een tarief dat tot een legesbedrag leidt van 5,35% van de bouwsom niet als ‘bescheiden’ percentage van de bouwkosten kan worden aangemerkt, respectievelijk dat een zogenaamd zaagtandtarief tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt.

4.3.

Bij arrest van 30 juni 2017, nr. 16/05127, ECLI:NL:HR:2017:1174, heeft de Hoge Raad de onder 4.2. bedoelde uitspraken vernietigd en het volgende geoordeeld:

“2.3.2. Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (zie de onderdelen 4.11 tot en met 4.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).

2.3.3.

Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde vooropstellingen staat het gemeenten vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Een dergelijke bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.

De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.”.

In het arrest van 8 december 2017, nr. 17/02931, ECLI:NL:HR:2017:3077, heeft de Hoge Raad in gelijke zin geoordeeld.

4.4.

Gelet op deze recente uitspraken van de Hoge Raad kan belanghebbendes grief niet slagen. Noch een tarief van 4,41 % van de bouwsom, noch een tariefsysteem leidend tot een zaagtandtarief zoals vormgegeven in de onderhavige Verordening, leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing.

4.5.

Voor zover belanghebbende stelt dat de geheven leges in geen enkele verhouding staat tot de verrichte dienstverlening door de gemeente overweegt het Hof dat naar vaste jurisprudentie (Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, ECLI:NL:HR:1997:AA3345, en Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943) geen rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds.

4.6.

Belanghebbendes stelling dat de tariefstelling van de gemeente (veel) hoger is dan die van de omringende gemeenten maakt het oordeel van het Hof niet anders. Een verschillende tariefstelling per gemeente is inherent aan de vrijheid die gemeentelijke wetgevers ter zake van de vaststelling van tarieven toekomt.

4.7.

Gelet op het voorgaande moet vraag I ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.8.

Ten aanzien van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden stelt Hof het volgende voorop.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 de uitgangspunten inzake stelplicht en bewijslastverdeling uiteengezet. Kort gezegd komen die er op neer dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust en dat op de Heffingsambtenaar, als de partij die over de relevante gegevens beschikt, een verzwaarde motiverings- en informatieverplichting rust. Het inzicht kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder ook gegevens die niet bekendgemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening (Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:BM1236). Verder heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282, beslist dat de beoordeling van de opbrengstlimiet ook na invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet plaatsvinden op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden

4.9.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de raming van de opbrengsten niet in redelijkheid is geschied, namelijk te pessimistisch, omdat de gemeente ten tijde van die raming al bekend was met een ‘mega-aanvraag’ van belanghebbende, uit het jaarverslag 2014 blijkt dat de verschillen tussen de begrote en gerealiseerde cijfers te groot zijn en de gemeente 2014 heeft afgesloten met een overschot van € 5,6 miljoen.

4.10.

Uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde pagina’s uit de Programmabegroting 2014 blijkt dat bij de opbrengstraming voor 2014 met incidenteel hoge leges (€ 171.000) rekening is gehouden en dat in de prognose van april 2013 voor het onderhavige project een bedrag van € 228.500 als legesopbrengst is meegenomen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de Heffingsambtenaar bij de raming geen rekening heeft gehouden met de te verwachten aanvraag van belanghebbende. Daarbij moet worden bedacht dat de onderhavige aanvraag op 19 december 2014 is ingediend, en het voor een gemeente bij het opstellen van de begroting, en dus de raming van de opbrengst, niet altijd is te voorzien wanneer een aanvraag wordt ingediend. De afwijking van de uiteindelijk gerealiseerde legesopbrengst (€ 626.600) ten opzichte van wat was begroot (€ 579.200) is ook niet zodanig groot dat de raming niet redelijk is geweest. Het overschot van € 5,6 miljoen ten slotte ziet op de totale begroting van de gemeente terwijl de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden moet worden bezien op het niveau van - enkel - de legesverordening. Het gerealiseerde overschot levert ook geen aanwijzing op dat de geraamde opbrengst te laag is geweest.

4.11.

Gelet op de inhoud van de door de Heffingsambtenaar overgelegde stukken is het Hof van oordeel dat de Heffingsambtenaar naar behoren en in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de geraamde baten en lasten ter zake van de dienstverlening genoemd in de Tarieventabel.

Met hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht, heeft zij niet aan haar in 4.8 omschreven stelplicht en bewijslast dat in de overgelegde gegevens omtrent geraamde baten en lasten feitelijke onjuistheden voorkomen, voldaan.

4.12.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag III

4.13.

Uit de tekst van de Tarieventabel (zie 4.1.6) volgt dat voor de bepaling van de heffingsmaatstaf primair wordt uitgegaan van de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk. Indien en voor zover deze aannemingssom ontbreekt, wordt gebruik gemaakt van een raming van de bouwkosten, de omzetbelasting daarin niet begrepen, als bedoeld in het normblad NEN 2631.

Zoals de Hoge Raad in het arrest van 19 juni 2015, 14/00520, ECLI:NL:HR:2015:1669 heeft geoordeeld is met deze regeling klaarblijkelijk beoogd, voor de bepaling van de heffingsmaatstaf zo veel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen omtrent de aannemingssom is komen vast te staan. De uitzonderingsbepaling omtrent de raming van de bouwkosten moet derhalve beperkt worden toegepast. Bij de beslissing over de hoogte van de verschuldigde leges dient in het licht daarvan te worden uitgegaan van de werkelijke aanneemsom, ook indien deze eerst is vastgesteld nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan (zie r.o. 2.3.4 in voormeld arrest).

4.14.

Het Hof zal eerst de vraag beantwoorden of de bouwkosten in het onderhavige geval zijn vastgesteld op de aannemingssom, zoals de Heffingsambtenaar bepleit, of aan de hand van een raming van de bouwkosten, zoals belanghebbende bepleit. Belanghebbende voert in dat verband ook aan dat ten tijde van de aanvraag nog geen aannemingsovereenkomst bestond.

Zoals uit de gedingstukken blijkt (zie 2.3 en 2.4) is door [J] BV te [K] een gespecificeerde begroting opgesteld en heeft belanghebbende het op basis daarvan becijferde bedrag aan bouwkosten ad € 7.831.245 doorgegeven aan de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar heeft dit bedrag gevolgd. De eindbedragen van de posten genoemd op pagina 1 van de begroting komen overeen met de bedragen van de onderliggende gespecificeerde overzichten. De gespecificeerde overzichten dateren van 8 juli 2015, er is geen verschil tussen de eindbedragen in die overzichten en de aan de Heffingsambtenaar doorgegeven posten van de ‘totale aanneemsom’ en de begroting is opgesteld door een aannemer. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het Hof tot het oordeel dat aannemelijk is dat de aannemer zich voor het bedrag van € 7.831.245 heeft verbonden, en derhalve dat sprake is van een aannemingssom.

4.15.

Het voorgaande betekent dat, aangezien de Heffingsambtenaar voor de bepaling van de heffingsmaatstaf overeenkomstig de Tarieventabel is uitgegaan van de aannemingssom, het Hof niet toekomt aan de beoordeling of normblad NEN 2631 op een juiste wijze bekend is gemaakt.

4.16.

Ten aanzien van de UAV 2012 stelt het Hof vast dat deze in de Staatscourant jaargang 2012, nr. 1567, bekend zijn gemaakt. Op internet zijn de UAV 2012 te vinden op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1567.html en op: http://wetten.overheid.nl/BWBR0031190/2012-03-01#SlotformulierEnOndertekening. Gelet hierop zijn de toegankelijkheid en kenbaarheid van de UAV 2012 naar het oordeel van het Hof voldoende gewaarborgd. Het is dan ook niet vereist dat de gemeente een op voormelde wijze algemeen toegankelijk en beschikbaar document nogmaals (digitaal) publiceert. Een belastingplichtige kan aan de hand van de Verordening en de UAV 2012 de maatstaf van heffing bepalen, zodat van onverbindendheid van de Verordening op dit punt geen sprake is.

4.17.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Vraag III moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 maart 2018 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.