Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
200.200.896_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2193
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling.

contactverbod, ontzeggingsgronden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 15 maart 2018

Zaaknummer: 200.200.896/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/289232 FA RK 14-7039

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. U. Santi,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 18 mei 2017

Bij die beschikking heeft het hof, samengevat, de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen in rechtsoverweging 3.9.6. van die beschikking is overwogen en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de raad d.d. 26 oktober 2017, betreffende een uitstel voor het uitbrengen van advies;

- het rapport van de raad d.d. 15 december 2017;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 8 januari 2018;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 9 januari 2018.

6.2.

Partijen hebben niet verzocht om een nadere mondelinge behandeling en ook het hof acht zich thans voldoende geïnformeerd om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Het hof zal de zaak dan ook verder op de stukken afdoen.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De raad heeft in zijn rapport van 15 december 2017, samengevat, aangegeven dat [minderjarige] ernstige bezwaren heeft tegen contact met zijn vader. Hij staat op dit moment in het geheel niet open voor contact en hij reageert nog steeds erg emotioneel als hij over de vader praat. Het forceren van contact is onder de huidige omstandigheden ernstig in strijd met de belangen van [minderjarige] . Tijdens het onderzoek zijn er (dan ook) geen contactmoment tot stand gebracht tussen [minderjarige] en de vader. Het is echter niet goed dat [minderjarige] opgroeit met een negatief vaderbeeld. De raad acht hulp van Juzt, in de vorm van de inzet van een kindbehartiger en oudergesprekken, aangewezen. Doelen van deze hulpverlening zijn dat [minderjarige] inzicht krijgt in zijn geschiedenis, waarbij beide ouders een eenduidig verhaal vertellen, dat de mogelijkheden voor contact met de vader opengehouden blijven en dat de ouders met elkaar leren kunnen communiceren en zo nodig afspraken kunnen maken omtrent de rol van de vader in het leven van [minderjarige] . Om de druk bij [minderjarige] weg te halen en hem tijd en ruimte te bieden om zijn eigen beeld van zijn vader te kunnen creëren, is het verder van belang dat voor [minderjarige] duidelijk is dat de inzet van een kindbehartiger niet tot doel strekt om toe te werken naar een contactregeling.

De raad adviseert het hof om het verzoek van de vader om een contactregeling vast te stellen

af te wijzen en om de hiervoor genoemde hulpverlening van Juzt op te leggen.

7.2.

Bij brief van 8 januari 2018 heeft de moeder het hof bericht dat zij zich niet kan vinden in het rapport van de raad. Het advies is tegenstrijdig en doet geen recht aan de behoefte van [minderjarige] om met rust gelaten te worden. Praten over de vader valt [minderjarige] zwaar, zijn verzet is (daardoor) toegenomen en het inzetten van een nieuw hulpverleningstraject legt nog meer druk op [minderjarige] . Het inzetten van verdere hulpverlening op dit moment is schadelijk voor [minderjarige] . De moeder concludeert tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

7.3.

Bij brief van 9 januari 2018 heeft de vader het hof bericht dat hij niet achter het advies van de raad staat om zijn verzoek om een contactregeling vast te stellen af te wijzen. De vader is het wel eens met de inzet van de door de raad genoemde hulpverlening. Het is van belang dat er stappen worden gezet ten aanzien van het contact. De weerstand van [minderjarige] komt voort uit het gezinssysteem en kan alleen maar worden weggenomen als [minderjarige] de vader leert kennen. De vader wil dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de inzet van hulpverlening.

7.4.

Het hof overweegt als volgt.

7.4.1.

Zoals onder 3.9.2. van de onder 5. genoemde beschikking is overwogen, is het uitgangspunt dat [minderjarige] en de vader recht hebben op contact met elkaar. De rechter kan slechts een (tijdelijk) verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde ontzeggingsgronden.

7.4.2.

De vraag die thans aan het hof voorligt, is of er sprake is van een (van genoemde) ontzeggingsgrond(en) die maakt dat er geen contact tussen [minderjarige] en zijn vader mogelijk is. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof overweegt daartoe op basis van de stukken, waaronder het rapport van de raad, als volgt.


Uit het onderzoek van de raad komt naar voren dat [minderjarige] zich goed en volgens leeftijd ontwikkelt en dat er bij hem sprake is van een gezonde draagkracht. Als het echter over zijn vader gaat, reageert [minderjarige] (nog steeds) met veel weerstand en emoties. [minderjarige] wil geen contact met zijn vader, en hij wil ook geen gesprekken meer voeren over zijn vader, omdat hij hier boos en verdrietig van wordt. [minderjarige] voelt zich door de vader in de steek gelaten en hij weet niet wat hij met twee vaders (stiefvader en vader) aan moet. Beide ouders geven verschillende oorzaken aan waardoor het contact tussen [minderjarige] en de vader is verbroken en zij leggen de verantwoordelijkheid hiervoor bij de ander. Er bestaat veel wantrouwen tussen de ouders onderling. De moeder heeft negatieve ervaringen met de vader en kan naar eigen zeggen daarom ook geen positief beeld van de vader schetsen aan [minderjarige] . Op dit moment lukt het ouders niet om samen als verantwoordelijke ouders met elkaar te overleggen met betrekking tot [minderjarige] , en samen te komen tot afspraken over de rol van de vader in [minderjarige] ’s leven.

Gelet op het voorstaande is het hof met de raad van oordeel dat het onder de huidige omstandigheden forceren van contact met de vader te belastend en verwarrend voor [minderjarige] zal zijn en alleen een averechts effect zal hebben. Nu [minderjarige] zijn vader feitelijk niet kent en geen eigen herinneren aan hem heeft, acht het hof het zeer waarschijnlijk dat [minderjarige] zijn weerstand tegen zijn vader heeft overgenomen uit het gezinssysteem. Gelet op het (negatieve) beeld dat de moeder van de vader heeft en het wantrouwen dat zij ten aanzien van hem heeft, is zij op dit moment niet in staat om [minderjarige] voldoende te ondersteunen ten aanzien van het (aangaan van) contact met zijn vader. Daarbij is het voor [minderjarige] moeilijk te begrijpen dat zijn standpunt niet gehoord lijkt te worden.

Het hof acht het waarschijnlijk dat het doorbreken van de weerstand van [minderjarige] alleen kans van slagen heeft als [minderjarige] (tijdelijk) uit huis zou worden geplaatst in een omgeving waar hij toestemming krijgt om contact met zijn vader aan te gaan. Dat acht het hof, mede gezien de totale onbekendheid die er is tussen [minderjarige] en zijn vader, een te zwaar middel, dat op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] moet worden geacht. Die zwaarwegende belangen zijn gelegen in zijn recht op ontwikkeling van zijn persoonlijkheid binnen zijn huidige gezinssysteem.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van de ontzeggingsgronden als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Het verzoek van de vader dient derhalve te worden afgewezen.

Daar komt bij dat [minderjarige] , die inmiddels twaalf jaar oud is, tijdens zijn gesprek met de raad van ernstige bezwaren tegen contact met de vader heeft doen blijken. Het hof tekent hierbij aan dat [minderjarige] na afloop van de zitting van 6 april 2017 in de gelegenheid is gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken. Mede omdat [minderjarige] daar toen geen gebruik van heeft gemaakt heeft het hof de raad verzocht met [minderjarige] te spreken. Nu dat gesprek heeft plaatsgevonden en daarbij betrekkende de wijze waarop dat gesprek heeft plaats gevonden en de belasting die daarvan voor [minderjarige] uit is gegaan, ziet het hof er onder de gegeven omstandigheden vanaf [minderjarige] opnieuw in de gelegenheid te stellen zijn mening aan het hof kenbaar te maken.

7.4.3.

Voorts merkt het hof nog het volgende op. Het ouderlijk gezag brengt de verplichting met zich om ervoor te zorgen dat [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben. Het is in dit geval de verantwoordelijkheid van de moeder om [minderjarige] gelegenheid te bieden een eigen vaderbeeld te vormen en hem op termijn ruimte te bieden voor contact met zijn vader. Het hof onderschrijft dan ook het advies van de raad ten aanzien van de in te zetten hulpverlening en geeft partijen zeer dringend in overweging om aan dit advies gehoor te geven. Anders dan de vader heeft verzocht zal het hof partijen niet naar deze hulpverlening verwijzen, omdat het hof het niet in het belang van [minderjarige] acht om de behandeling van de zaak nog verder aan te houden.

7.5.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 augustus 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.A.R.M. van Leuven en A.E. van Solinge en is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.