Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1100

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
200.207.557_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5370
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

appellante geen partij bij gestelde overeenkomst; geen rechtsgrond voor ingestelde vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.207.557/01

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. S. Bharatsingh,

tegen

[management] Management B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [management] ,

advocaat: mr. C.A.M.H. Vink,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 oktober 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [management] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5246810/ 16-6188)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van [management] ;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) [mede-exploitant] (hierna: [mede-exploitant] ) en [appellant] wensten samen een onderneming te exploiteren, die zich bezig zou gaan houden met dakonderhoud.

(ii) [mede-exploitant] bezat 100% van de aandelen in [management] . Hij was tevens enig bestuurder van [management] .

(iii) [appellant] is op 25 oktober 2013 toegetreden als aandeelhouder in [management] . Hij kocht en verkreeg 89 aandelen daarin, zijnde een percentage van 49,4%. [appellant] is toen eveneens ingeschreven als bestuurder van [management] , tezamen met [mede-exploitant] .

(iv) In februari 2014 kwamen [mede-exploitant] en [appellant] overeen dat de samenwerking in [management] beëindigd zou worden en dat [appellant] zijn aandelen in [management] weer terug zou overdragen aan [mede-exploitant] .

( v) Een op schrift gestelde en door deze ondertekende verklaring van [administrateur van management] , administrateur van [management] d.d. 21 juni 2016, luidt als volgt:

“(..)
d.d. Februari 2014 is bij de bespreking van de concept jaarrekening 2013 afgesproken dat het verliessaldo 2013 groot € 19.254,- (..) door beide aandeelhouders zal worden gedeeld c.q. betaald. (..)

Tevens zou het verlies over het 1e kwartaal 2014 groot € 809,- voor ieders rekening komen. De aflossing van het gedeelte voor rekening van [appellant] wordt betaald aan [management] BV.

Nadere afspraken voor de afwikkeling van de betaling van het deel van het verlies ten laste van [appellant] groot € 10.031,- (..) zouden onderling worden geregeld na aflossing van de aankoop van een auto van [uitzendbureau] Uitzendbureau BV door [appellant].”

(vi) Op 14 april 2014 zijn de 89 aandelen in [management] door [appellant] terug overgedragen aan [mede-exploitant] .

(vii) Op 14 juni 2014 heeft een AVA van [management] plaatsgevonden. De notulen van deze AVA, waarin [appellant] nog als aandeelhouder wordt vermeld, maken geen gewag van enige betalingsafspraak (tussen de aandeelhouders onderling dan wel tussen [management] en haar aandeelhouders) in verband met de beëindiging van de samenwerking.

(viii) De op de AVA van 14 juni 2014 vastgestelde jaarrekening 2013 van [management] (en de toelichting daarop) maakt geen melding van een vordering van [management] op [appellant] , dan wel een vordering van [appellant] op [management] , in verband met het verlies van de rechtspersoon over 2013.

(ix) Op 1 juni 2016 heeft (de advocaat van) [management] [appellant] in gebreke gesteld ten aanzien van de betaling van zijn deel van het verlies van [management] over 2013 en het eerste kwartaal 2014. Hij schrijft daarin:

“(..)
U en de heer [mede-exploitant] zijn uiteindelijk in het bijzijn van de accountant van [management] , de heer [administrateur van management] , overeengekomen dat het verlies van [management] over het jaar 2013 en over het eerste kwartaal van 2014 tussen u beiden werd verdeeld. Uiteindelijk zou de heer [mede-exploitant] uw aandelen overnemen (..) en zou u 50% van het verlies van [management] voor uw rekening nemen. (..)

3.2.1.

Stellende dat was afgesproken dat [appellant] de helft van het verlies in [management] over 2013 en voorjaar 2014 voor zijn rekening zou nemen en het daarmee gemoeide bedrag aan [management] zou betalen, heeft [management] [appellant] in rechte betrokken en betaling gevorderd van € 10.913,95 (met rente). [appellant] is in persoon verschenen, maar heeft geen verweer gevoerd. Bij vonnis van 13 oktober 2016, waarvan beroep, heeft de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch [appellant] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling van genoemd bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2016 over € 10.031,00 tot aan de dag der voldoening, en de proceskosten met de wettelijke rente hierover.

3.2.2.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van vijf grieven.

3.3.1.

Met zijn eerste grief voert [appellant] aan dat uit de door [management] zelf overgelegde stukken (hierboven deels geciteerd onder v en ix) reeds blijkt dat er geen afspraak is gemaakt tussen [appellant] en [management] . [management] had derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, ongeacht of de afspraak over het delen van het verlies van [management] wel of niet gemaakt zou zijn tussen [appellant] en [mede-exploitant] .

3.3.2.

Ten verwere hiertegen wijst [management] er op dat uit de stukken duidelijk zou blijken dat [appellant] aan [management] zou betalen, waarbij zij met name verwijst naar de onder v en ix deels geciteerde stukken en de achtergrond van de gestelde afspraak. [management] gaat in haar verweer niet in op de hierboven vermelde stelling van [appellant] . Integendeel, in de memorie van antwoord onder nr 2 schrijft [management] zelfs: “Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de afwikkeling van de uittreding van [appellant] als aandeelhouder en bestuurder van [management] . (..) [mede-exploitant] en [appellant] zijn overeengekomen dat [appellant] de helft van het verlies in [management] aan [management] zou betalen. [appellant] ontkent dat deze mondelinge overeenkomst is gesloten.”

3.3.3.

Naar het oordeel van het hof heeft [management] haar stelling - die door [appellant] in appel ook tijdens het pleidooi uitvoerig gemotiveerd is betwist - dat [appellant] zou hebben toegezegd de helft van het verlies van [management] te zullen dragen, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Waar het thans om gaat is, dat noch uit de stellingen van [management] , noch uit de overgelegde stukken blijkt dat die gestelde afspraak is gemaakt tussen [appellant] en [management] . Immers, [management] stelt slechts dat sprake is van een afspraak tussen [appellant] en [mede-exploitant] . Dat [mede-exploitant] en [appellant] zouden zijn overeengekomen dat [appellant] de helft van het verlies in [management] aan deze vennootschap zou betalen, doet voor [management] jegens [appellant] nog geen (zelfstandig) vorderingsrecht en een daarmee verbonden rechtsvordering ontstaan.

Of anders gezegd: nergens blijkt uit - en dat is evenmin gesteld - dat [management] partij was bij een in dit verband met [appellant] gesloten overeenkomst, zodat zij nu nakoming van die overeenkomst kan vorderen.

[management] heeft in het geheel niet duidelijk gemaakt op welke rechtsgrond aan haar desalniettemin in deze tegenover [appellant] een vorderingsrecht toekomt.
Nu [management] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof ook niet toe aan de door [management] gedane, niet terzake dienende, bewijsaanbiedingen.

3.3.4.

De eerste grief slaagt derhalve en het beroepen vonnis kan reeds hierom niet in stand blijven. De overige grieven behoeven geen bespreking.

3.4.

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [management] zullen alsnog worden afgewezen. Het hof wijst ten overvloede erop dat het voorgaande meebrengt dat wat [appellant] uit kracht van het vonnis van de kantonrechter aan (de advocaat van) [management] reeds mocht hebben betaald (zoals de advocaat van [appellant] toelichtte),
als onverschuldigd betaald aan hem door [management] zal moeten worden teruggestort.

[management] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, als gevorderd met de nakosten te vermeerderen met rente.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen door de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch op 13 oktober 2016 gewezen vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [management] ;

veroordeelt [management] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 102,37 aan dagvaardingskosten; € 313,00 aan griffierecht en € 2.682,00 aan salaris advocaat; en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en M.E. Bruning en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.

griffier rolraadsheer