Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1095

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
200.197.029_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingevolge artikel 421, vierde lid, Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 421
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.197.029/01

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.J.W. Eydems te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.G.J.M. Boonen te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 februari 2016 van de politierechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht in de zaak tegen [geïntimeerde] , in welke zaak [appellante] als benadeelde partij een vordering had ingediend.

1 Het geding in eerste aanleg (parketnummer 02/830031-14)

1.1.

Blijkens het overgelegde afschrift mondeling vonnis heeft de politierechter [geïntimeerde] veroordeeld voor twee feiten. Feit 1 is gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 13 november 2013, en feit 2 als diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, gepleegd in de periode van 18 augustus 2013 tot en met 13 november 2013.

1.2.

De vordering die [appellante] als benadeelde partij middels het overgelegde voegingsformulier had ingediend, bedroeg in totaal € 6.233,95.

De hoofdsom van de vordering bestond uit de volgende schadeposten: € 4.119,14 aan illegaal afgenomen energie, € 330,74 aan netwerkkosten elektriciteit, € 47,87 aan afsluitkosten elektriciteit binnen, € 292,00 aan uurtarief inspecteur, € 322,22 aan kosten nulmeting(en) en € 353,98 aan administratiekosten, in totaal € 5.465,95. Voorts vorderde [appellante] € 768,00 aan kosten voor rechtsbijstand.

Subsidiair heeft de advocaat van [appellante] tijdens de politierechterzitting d.d. 22 februari 2016 een subsidiaire vordering ingediend ad € 2.163,59 te vermeerderen met wettelijke rente en kosten rechtsbijstand ad € 768,00.

1.3.

De politierechter heeft de hoofdsom van de vordering bij het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 2 toegewezen tot een bedrag van € 2.163,59, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 13 november 2013 tot aan de dag van de volledige voldoening, en voor het overige afgewezen. Voorts is [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellante] veroordeeld, begroot tot dan toe op € 768,00.

1.4.

De officier van justitie noch [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] vordert in dit hoger beroep dat het vonnis van de politierechter wordt vernietigd voor zover dit een afwijzing van haar vordering inhoudt, en dat [geïntimeerde] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van (€ 5.465,95 - € 2.163,59 =) € 3.302,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 november 2013 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Daartoe heeft [appellante] twee grieven aangevoerd.

3.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] althans tot afwijzing van de vorderingen en bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.

3.3.

Het hof zal eerst grief 1 behandelen. Volgens deze grief heeft de kantonrechter kan het vonnis van de politierechter van 22 februari 2016, voor zover het de afwijzing van (een deel van) de vordering van [appellante] inhoudt, niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd. [appellante] heeft daartoe gesteld dat het deel van de vordering dat is afgewezen, in overwegende mate buiten de tenlastelegging in het strafproces valt. Zij meent dat het deel van haar vordering dat buiten de tenlastegelegde periode (18 augustus 2013 tot en met 13 november 2013) valt, niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

3.4.

In reactie op grief 1 heeft [geïntimeerde] niet betwist dat de tenlastegelegde periode 18 augustus 2013 tot en met 13 november 2013 is en dat de vordering van [appellante] in overwegende mate buiten de tenlastelegging in het strafproces valt. Zij stelt evenwel dat [appellante] geen enkel belang heeft bij het slagen van deze grief.

3.5.

Uit het procesdossier leidt het hof het volgende af over de relevante, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende betwist vaststaande, feiten. Op 11 november 2013 werd in de woning op het adres [adres] te [plaats] een hennepkwekerij ontdekt, waarbij werd geconstateerd dat de elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij werd afgenomen middels een illegale aftakking, waardoor de ten behoeve van die hennepkwekerij afgenomen hoeveelheid elektriciteit niet werd geregistreerd op de kWh-meter. [geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd voor hennepteelt gepleegd op 13 november 2013 en diefstal van elektriciteit gepleegd in de periode van 18 augustus 2013 tot en met 13 november 2013. Tijdens de politierechterzitting d.d. 22 februari 2016 heeft [geïntimeerde] bekend dat de hennepkwekerij van hem is en dat er sprake was van één voorafgaande hennepteelt. Vervolgens is [geïntimeerde] veroordeeld (zie hiervoor rov. 1.1).

3.6.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 51f, eerste lid, Sv degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit als bedoeld in artikel 361, tweede lid onder b, Sv.

3.7.

Naar het hof begrijpt, is [geïntimeerde] door de politierechter veroordeeld voor diefstal van elektriciteit over een periode van twee dagen in verband met de aangetroffen teelt en één voorafgaande hennepteelt. Ook de toegewezen subsidiaire vordering van [appellante] (zie hiervoor rov. 1.2 en 1.3) ziet op deze periode van twee dagen en één voorafgaande hennepteelt. Gelet op de gebleken omstandigheden van het geval moet naar het oordeel van het hof de conclusie zijn dat [appellante] voor het overige (dit betreft het overgebleven in hoger beroep aan de orde zijnde bedrag van € 3.302,35 met rente) niet rechtstreeks schade heeft geleden door het strafbare feit. De politierechter had de vordering van [appellante] dus niet voor het overige moeten afwijzen, maar [appellante] niet-ontvankelijk moeten verklaren. De grief slaagt in zoverre.

3.8.

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn verweer dat [appellante] geen belang heeft bij het slagen van deze grief. Immers, [appellante] kan daardoor haar vordering voor het deel dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard alsnog instellen bij de burgerlijke rechter (eerste aanleg, hoger beroep en cassatie). Aan dit verweer dient het hof hoe dan ook voorbij te gaan, nu het hof ook ambtshalve de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de strafrechter behoort te bewaken.

3.9.

Bij deze stand van zaken behoeft grief 2 geen bespreking.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover de vordering van [appellante] voor het overige is afgewezen. [appellante] zal alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van haar vordering (zijnde het bedrag van € 3.302,35 met rente). De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, in aanmerking genomen dat [appellante] de primaire vordering bij de politierechter heeft gehandhaafd, hoewel de tenlastegelegde periode beperkt was van 18 augustus 2013 tot en met 13 november 2013.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de vordering van [appellante] voor het overige is afgewezen;

en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:

verklaart [appellante] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.P.M. Rousseau en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.

griffier rolraadsheer