Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1094

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.195.666_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:1764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling samenlevingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.195.666/01

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. A. van den Eshoff te Echt,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. L. Yilgör te Dordrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 februari 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/205499 / HA ZA 15-249)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de akte overleggen producties en nadere onderbouwing grieven in incidenteel hoger beroep van de zijde van de vrouw;

  • -

    de antwoordakte in incidenteel hoger beroep van de zijde van de man.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

De man en de vrouw hebben van 1994 tot 7 augustus 2012 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn twee – thans nog minderjarige – kinderen geboren, [minderjarige 1] op [geboortedatum] 2006 en [minderjarige 2] op [geboortedatum] 2010.

3.1.2.

Bij notarieel verleden samenlevingsovereenkomst van 9 februari 2010 hebben partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleving geregeld. In de samenlevingsovereenkomst zijn zij – voor zover thans van belang – het volgende overeengekomen.

“(...)

ZORGPLICHT

Artikel 1

Partijen zijn verplicht elkaar naar eigen vermogen of inkomen het nodige te verschaffen zolang de samenleving voortduurt.

BEZITTINGEN EN SCHULDEN

Artikel 2

  1. Noch het feit van samenleven, noch het enkele bestaan van deze overeenkomst, verschaft één van partijen enig recht op goederen die door de andere partij, ongeacht wanneer en krachtens welke titel, zijn verkregen, behoudens het hierna bepaalde.

  2. Ieder van partijen is met uitsluiting van de ander aansprakelijk en draagplichtig voor de schulden die hij of zij is aangegaan of die op andere wijze alleen in zijn of haar persoon zijn ontstaan, behoudens het hierna bepaalde.

INBOEDEL

Artikel 3

  1. Inboedelgoederen, te verstaan in de zin van artikel 5 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, behoren toe aan beide partijen ieder voor de onverdeelde helft, ongeacht de herkomst van deze goederen of de wijze van financiering daarvan. Deze inboedelgoederen zijn alleen dan niet gemeenschappelijk indien zij zijn verkregen uit schenking of nalatenschap of als daarvan blijkt uit een door beide partijen ondertekende verklaring.

  2. Met het oog op het bepaalde in het vorige lid wordt ieder van partijen geacht bij de aanschaf van daar bedoelde goederen tevens op te treden als vertegenwoordiger van de andere en worden de goederen welke op enigerlei wijze uitsluitend in eigendom werden of worden verkregen door één van partijen bij deze voor de onverdeeld helft overgedragen aan de andere.

KOSTEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJK HUISHOUDING

Artikel 4

1. Partijen bepalen in onderling overleg welke kosten door hen worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Deze kosten worden primair door hen bestreden uit hun gezamenlijke inkomsten uit arbeid.

Van de inkomsten uit arbeid zullen in onderling overleg bedragen worden gestort op een gezamenlijke bankrekening, waaruit de hiervoor bedoelde kosten alsmede andere kosten met betrekking tot gezamenlijk bezit zullen worden voldaan.

Het saldo van die bankrekening en andere gezamenlijke bankrekeningen behoort toe aan beiden voor gelijke delen.

2. Het ontbreken van een nadere regeling te dezer zake of het niet nakomen van zulk een nadere regeling of de in lid 1 van dit artikel overeengekomen regeling kan nimmer aanleiding geven tot het instellen van enigerlei rechtsvordering.

3. Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zullen in geen geval zijn begrepen premies, koopsommen en poliskosten, verschuldigd en/of betaald wegens overeenkomsten van levensverzekering, ongevallenverzekering daaronder begrepen, door één van de partners gesloten of later overgenomen op het leven van één hunner.

Bedoelde kosten komen geheel ten laste van de begunstigde partner en zullen, voor zover nodig, dienovereenkomstig worden verrekend.

VERBREKING

Artikel 5

(...)

2. Indien de samenleving anders dan door het overlijden van één der partijen eindigt, worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

3. In geval tussen partijen een geschil bestaat omtrent de gerechtigdheid tot een goed en geen van beiden zijn recht op dat goed kan bewijzen, wordt dat goed geacht aan beiden toe te behoren, ieder voor de onverdeelde helft.

4. a. De bewoning van de gezamenlijke woonruimte wordt in geval van de beëindiging van de

samenleving voortgezet door diegene van partijen die daarop in redelijkheid het meeste aanspraak kan maken, zo nodig vast te stellen door de ter plaatse bevoegde kantonrechter.

b. Indien ten tijde van de beëindiging partijen wonen in een woning welke aan hen in gemeenschappelijk eigendom toebehoort zal diegene die de bewoning voortzet recht hebben op toedeling op eerste vordering van het gedeelte dat in eigendom toebehoort aan de ander, onder gehoudenheid de daarop betrekkelijke kosten en schulden voor zijn rekening te nemen, waarbij de ander door eventuele schuldeisers van iedere aansprakelijkheid voor de schulden dient te worden ontslagen.

De waarde van het toe te delen gedeelte zal worden bepaald alsof de woning werd verkocht in vrij-opleverbare staat.

Evenzo dient diegene die blijft wonen in de woning die zijn of haar eigendom is, maar waarbij de ander zich als mede-schuldenaar voor de hypothecaire financiering heeft verbonden te zorgen dat de ander uit die aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening wordt ontslagen.

Indien eventuele schuldeisers niet bereid zijn onverwijld aan het ontslag van de aansprakelijkheid mee te werken of de eventuele vordering uit onderbedeling door diegene die de bewoning voortzet niet terstond kan worden voldaan, zal de woning moeten worden verkocht en leeg worden opgeleverd.

(...)

SLOTVERKLARINGEN

Tenslotte verklaarden de comparanten dat zij op de datum van ondertekening van deze akte van elkaar niets te vorderen hebben.

De man is en blijft eigenaar van twee antieke kasten en twee wandspiegels, waarvan één antiek en facetgeslepen.

De vrouw is en blijft eigenaresse van zilveren bestek voor acht personen en een antieke pendule.

Voor het overige hebben zij thans geen privégoederen zoals bedoeld in artikel 3 lid 1. (...)”

3.1.3.

Partijen hebben op 7 augustus 2012 hun samenleving beëindigd, doordat de man de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) heeft verlaten. De woning was van partijen gezamenlijk, het betrof een zogenoemde eenvoudige gemeenschap.

3.1.4.

Bij kort gedingvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2014 (zaaknummer C/16/381242 KL ZA 14-424), dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft de voorzieningenrechter – kort gezegd – (i) de man veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning, (ii) aan de vrouw toestemming verleend – indien de man zijn medewerking niet verleent – zonder instemming van de man te bewerkstelligen dat woning wordt verkocht aan een derde voor een koopprijs van € 557.000,-- k.k., (iii) onder de bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man op de koopovereenkomst en de notariële overdrachtsakte en alle andere overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht van de woning te bewerkstelligen indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor genoemde veroordelingen te voldoen en (iv) onder veroordeling van de man tot het betalen van de helft van de kosten verbonden aan de dienstverlening door de makelaar, taxateur, notaris en alle andere kosten verband houdende met de verkoop en levering van de woning.

3.1.5.

Bij deurwaardersexploot van 18 maart 2015 is bevel gedaan aan de man om binnen twee dagen aan de gerechtsdeurwaarder te betalen de helft van de nota van de Taxatieman van € 353,93 (zijnde € 176,97) en de kosten van betekening van € 74,51.

3.1.6.

Na daartoe op 26 maart 2015 verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht te hebben verkregen, heeft de vrouw op 27 maart 2015 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ABN AMRO Bank op alle gelden die zij van of voor de man houdt, waaronder mede begrepen de meegroeiverzekering onder polisnummer [polisnummer] . Op 30 maart 2015 is het beslag overbetekend aan de man.

3.1.7.

De woning is op 1 april 2015 verkocht en geleverd aan derden.

3.1.8.

Partijen zijn niet in staat gebleken de vermogensrechtelijke gevolgen van de beëindiging van hun samenleving in onderling overleg te regelen.

3.2.

In eerste aanleg vorderen partijen in conventie en in reconventie – kort weergegeven – de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst, kosten rechtens.

Op 26 augustus 2015 heeft ten overstaan van de rechtbank een comparitie van partijen plaatsgevonden.

De rechtbank heeft vervolgens in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, in conventie en reconventie, de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen voor:

  • -

    de hypotheekrentebetalingen € 20.344,37;

  • -

    de verzekeringen voor de woning € 320,72;

  • -

    de auto € 5.000,--;

  • -

    de naheffingsaanslag kinderopvangtoeslag € 203,50.

De vorderingen ten aanzien van de kinderbijslag en het kindgebonden budget, de aanslag IB 2012, de energielasten en de gebruiksvergoeding zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen.

3.3.1.

De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, niet ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vorderingen althans afwijzing daarvan en veroordeling van de vrouw om:

  1. uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst vanwege de verrekening van de ontvangen nabetaling kinderopvangtoeslag 2011 aan de man te voldoen € 1.225,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2015;

  2. uit hoofde van nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken over de belastingteruggaaf IB 2012 en de aanslag IB 2012 in verband met de verrekening van de door de man betaalde aanslag IB 2012 en de door de vrouw ontvangen aanslag IB 2012 aan de man te voldoen € 4.400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2015;

  3. uit hoofde van afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst vanwege de verrekening van de door de man betaalde eindafrekening Energiedirect 2012 / Voorschot februari 2013 aan de man te voldoen € 398,60 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2015;

  4. in voorwaardelijke reconventie:

de vrouw te veroordelen om een redelijke vergoeding van primair € 29.706,56 en subsidiair € 586,56 voor gebruik en bewoning van de woning van partijen in de periode augustus 2012 tot 1 april 2015 aan de man te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf “de dag van deze conclusie”;

tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en de kosten van het geding in eerste aanleg en de kosten van het deskundigenonderzoek in eerste aanleg.

3.3.2.

De man heeft hiertoe in hoger beroep elf grieven aangevoerd. De grieven hebben betrekking op:

  • -

    artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst (grieven 1 en 2);

  • -

    de hypothecaire lasten (grieven 2, 3 en 4);

  • -

    de aan de woning verbonden verzekeringen (grief 5);

  • -

    de auto (grief 6);

  • -

    de kinderopvangtoeslag 2010-2011 (grief 7);

  • -

    de aanslag IB 2012 (grief 8)

  • -

    de energielasten (grief 9);

  • -

    de gebruiksvergoeding (grieven 10 en 11).

Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van de man toewijsbaar zijn.

3.3.3.

De vrouw heeft de grieven in het principaal appel weersproken en geconcludeerd tot afwijzing van deze grieven. Zij heeft daarnaast incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vrouw zich daar niet mee kan verenigen en voor het overige tot bekrachtiging daarvan.

De vrouw heeft gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

  1. de door de man te betalen hypotheekrente over de maanden augustus 2012 tot en met maart 2015 vast te stellen op € 22.831,51, althans een zodanig bedrag dat het hof redelijk en juist acht en aangezien de man reeds € 20.344,37 heeft voldaan, hem te veroordelen het resterende bedrag van € 2.487,14 binnen drie dagen na het te wijzen arrest aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2015, althans een zodanige ingangsdatum als het hof redelijk en juist acht;

  2. indien de man in deze procedure geen inzage verschaft in zijn aangiften IB over de jaren 2013 tot en met 2015 en de daarbij behorende definitieve aanslagen, de man te veroordelen om de naheffingsaanslag ten name van de vrouw over die jaren op eerste verzoek te voldoen als daaruit blijkt dat de man ten onrechte hypotheekrenteaftrek heeft genoten, althans een zodanige beslissing als het hof redelijk en juist acht;

  3. te bepalen dat de man vanaf 7 augustus 2012 geen woonplaats heeft in de woning van partijen;

  4. de man te veroordelen om vanaf 7 augustus 2012 tot heden alle bedragen, althans de door hem voor de kinderen ontvangen kinderbijslag, kindgebonden budget en andere bedragen, aan de vrouw terug te betalen;

  5. indien de man in deze procedure geen inzage verschaft in de stukken omtrent de verkoop van de auto en de daarbij behorende betaling, hem te veroordelen om binnen drie dagen na het te wijzen arrest, de helft van de waarde van de auto aan de vrouw te voldoen, verminderd met het reeds door hem voldane bedrag van € 5.000,-- althans het restantbedrag van € 1.250,-- aan de vrouw te voldoen, althans een zodanige beslissing als het hof redelijk en juist acht;

  6. te bepalen dat de man, binnen drie dagen na het te wijzen arrest, het bedrag van de afrekening van de kosten van Energiedirect van € 1.579,49 aan de vrouw moet voldoen, althans een zodanige beslissing als het hof redelijk en juist acht;

  7. veroordeling van de man in de werkelijke, althans forfaitaire kosten van beide instanties.

3.3.3.

De vrouw heeft hiertoe vier grieven aangevoerd. De grieven hebben betrekking op:

  • -

    de hypotheekrenteaftrek (grieven A en B);

  • -

    de kinderbijslag en het kindgebondenbudget (grief C1);

  • -

    de auto (grief C2);

  • -

    de proceskosten (grief D).

Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van de vrouw toewijsbaar zijn.

3.4.

Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel appel gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.

Artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst (grieven 1 en 2 in het principaal appel)

3.5.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis over art. 4 van de samenlevingsovereenkomst overwogen:

“4.7.1. In art. 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst (‘Kosten van de gemeenschappelijke huishouding’) zijn partijen overeengekomen dat zij in onderling overleg bepalen welke kosten door hen als zodanig worden aangemerkt, dat die kosten primair worden betaald uit hun gezamenlijke inkomsten uit arbeid en dat van de inkomsten uit arbeid in onderling overleg bedragen worden gestort op een gezamenlijke bankrekening waaruit die hiervoor bedoelde kosten alsmede andere kosten met betrekking tot gezamenlijk bezit zullen worden voldaan. In lid 2 van dat artikel hebben partijen afgesproken dat het ontbreken van een nadere regeling te dezer zake of het niet nakomen van zulk een nadere regeling of de in lid 1 van dit artikel overeengekomen regeling nimmer aanleiding kan geven tot het instellen van enigerlei rechtsvordering. Partijen hebben in de onderhavige procedure niet onderbouwd welke nadere afspraken en/of regelingen zij hebben gemaakt ter invulling van de hiervoor in cursief weergegeven begrippen. Uit productie 31 waarnaar [geïntimeerde] verwijst is zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, evenmin iets af te leiden, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen zij onder 4.4. heeft overwogen. Hetzelfde geldt voor de door [appellant] overgelegde producties 18 en 19 (overzicht betalingen en bankafschriften). Nu de rechtbank geen aanknopingspunten heeft om de onderlinge afspraken en/of bedoeling van partijen met betrekking tot dit artikel te duiden, gaat de rechtbank hieraan voorbij.”

3.5.2.

De man betoogt met zijn eerste twee grieven dat art. 4 van het samenlevingscontract van toepassing is. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de kosten voor het gemeenschappelijk bezit worden voldaan van het door partijen in onderling overleg te bepalen bedrag aan inkomsten uit arbeid dat zij op de gemeenschappelijke bankrekening storten. Artikel 4 van de overeenkomst is zodanig helder dat een nadere regeling niet noodzakelijk was. De niet dwingendrechtelijke bepalingen van de artt. 3:172 BW en 6:10 BW dienen daarom buiten toepassing te blijven.

Partijen hebben steeds bedragen op de gemeenschappelijke bankrekening gestort en daarmee aan de verplichting die voortvloeit uit art. 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst voldaan. Dientengevolge is de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de betaalde hypotheekrente.

3.5.3.

De vrouw stelt dat de inhoud van de samenlevingsovereenkomst duidelijk is. Uit art. 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen in onderling overleg dienen te bepalen welke kosten tot de kosten van de huishouding behoren. Partijen hebben dit nagelaten.

Het tweede lid van art. 4 van de samenlevingsovereenkomst is niet van toepassing, omdat op 7 augustus 2012 een einde aan de samenleving van partijen is gekomen. Sindsdien is geen sprake meer van een gezamenlijke huishouding. De samenlevingsovereenkomst bevat voor die situatie, met uitzondering van de regeling dat partijen dienen te verrekenen en de woning verdeeld moet worden, geen bepalingen. De wettelijke bepalingen (artt. 3:166 lid 2 en 3, 3:172, 6:2 en 6:10 BW) zijn van toepassing.

3.5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de eerste twee grieven stelt het hof voorop dat partijen in hun samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waartoe volgens het hof naar algemene ervaringsregels de woonlasten moeten worden gerekend, primair worden bestreden door de gezamenlijke inkomsten uit arbeid. Dit is niet tussen partijen in geschil. Partijen zijn die verplichting gedurende de samenwoning ook nagekomen, door ieder voor zich bedragen op de gemeenschappelijke bankrekening over te maken. Daarmee is door partijen stilzwijgend invulling gegeven aan voornoemde obligatoire verplichting. Een nadere regeling van deze verplichting is naar het oordeel van het hof dan ook niet noodzakelijk gebleken.

Voornoemde verplichting van partijen vloeit voort uit de in art. 1 opgenomen zorgplicht van partijen. Die zorgplicht duurt voort “zolang de samenleving voortduurt”. Dit betekent – en ook dat is niet weersproken – dat de uit de samenlevingsovereenkomst voor partijen voortvloeiende verbintenissen van rechtswege zijn geëindigd op 7 augustus 2012, het moment waarop de samenleving is geëindigd.

Op dat moment was evenwel de eenvoudige gemeenschap van de woning nog niet ontbonden. Verplichtingen van partijen ten aanzien van de woning en de daaraan verbonden lasten, vloeien derhalve vanaf dat moment voort uit de wettelijke bepalingen van de eenvoudige gemeenschap (door titel 7 (“Gemeenschap”) van Boek 3 BW ) en het algemeen vermogensrecht (art. 6:10 BW). Gelet op het voorgaande falen de eerste twee grieven.

de hypothecaire lasten (grieven 3 en 4 in het principaal appel en grieven A en B in het incidenteel appel)

de grieven 3 en 4 in het principaal appel

3.6.1.1. De man voert met zijn derde grief aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer hij een gedeelte van de door de vrouw betaalde hypotheekrente aan haar zou dienen te betalen. Hij voert hiertoe de volgende omstandigheden aan. De vrouw heeft maandelijks een teruggave van de belastingdienst ontvangen wegens hypotheekrenteaftrek, vanaf oktober 2012 heeft de man de woning, tegen zijn zin, niet kunnen gebruiken, de vrouw is de afspraken om een zo groot mogelijke hypotheekrenteaftrek te kunnen verkrijgen niet nagekomen en zij heeft pertinent geweigerd de woning aan derden te verhuren.

In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in geschil is dat de vrouw over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 1 april 2015 alle hypothecaire rentebetalingen voor haar rekening heeft genomen. De man heeft tot en met september 2012 gelden op de gemeenschappelijke rekening van partijen overgemaakt die zijn gebruikt ter bestrijding van de hypothecaire lasten. Het saldo van de bankrekening behoort toe aan beide partijen, ieder voor de helft. Daarmee heeft de man de helft van de hypotheeklasten voldaan.

3.6.1.2. De vrouw heeft de derde grief weersproken en de stelling van de man dat hij niet het genot van de woning had betwist. Vanwege een beschikking van de burgemeester op grond van de Wet tijdelijk huisverbod diende de man de woning te verlaten. Nadien is hij niet teruggekeerd naar de woning terwijl hij hiertoe wel de mogelijkheid had. Aan de vrouw was immers niet op grond van de samenlevingsovereenkomst noch krachtens een rechterlijke uitspraak het uitsluitend of voortgezet gebruik van de woning toegekend.

Door partijen is nimmer afgesproken dat de woning zou worden verhuurd. De man heeft de verkoop van de woning tegengewerkt waardoor de vrouw genoodzaakt was een kort geding-procedure te entameren.

Ook grief 4 is door de vrouw weersproken. Zij betwist dat de gemeenschappelijke bankrekening gemeenschappelijk bezit is. Bij het verbreken van de relatie dienden partijen op grond van art. 4 lid 1 derde zin van de samenlevingsovereenkomst het saldo van die bankrekening bij helfte te verdelen. Partijen hebben op grond van dit artikel een verrekenplicht. De man heeft een klein gedeelte van de hypothecaire geldlening voldaan, terwijl hij gehouden was naar rato van zijn inkomen en vermogen bij te dragen. Overigens heeft de vrouw vanaf september 2013 (productie 6 bij memorie van antwoord) de hypotheeklasten niet voldaan van de gemeenschappelijke rekening maar vanuit haar privérekening omdat het saldo van de gemeenschappelijke hiervoor ontoereikend was.

3.6.1.4. De rechtbank heeft – kort gezegd – bepaald dat de vrouw van 7 augustus 2012 tot 1 april 2015 alle hypothecaire lasten van de woning ter grootte van € 75.656,74 heeft voldaan en dat, na verrekening van de door de vrouw ontvangen belastingteruggave, een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 20.344,37 resteert.

3.6.1.3. Het hof zal de grieven 3 en 4 gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven voorop dat de samenlevingsovereenkomst van partijen is geëindigd op 7 augustus 2012. Vanaf dat moment wordt de vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen ten aanzien van de woning, waarvan zij deelgenoot in een eenvoudige gemeenschap zijn, bepaald door titel 7 (“Gemeenschap”) van Boek 3 BW (zie rov. 3.5.4. hiervóór).

Krachtens het in die titel opgenomen art. 3:166 lid 2 waren partijen ieder voor een gelijk aandeel in de woning gerechtigd omdat gesteld noch gebleken is dat hun onderlinge rechtsverhouding anders met zich bracht. Verder waren partijen, zo staat als onweersproken vast, hoofdelijk verbonden voor de hypothecaire geldlening. Artikel 6:10 BW is van toepassing op hoofdelijk verbonden schuldenaren, zoals de man en de vrouw in deze zaak. Volgens dit artikel zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Hierbij staat het volgende voorop.

“Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108, voetnoten weggelaten.)

De grootte van ieders bijdrageplicht hangt dus in de eerste plaats af van hetgeen partijen omtrent die bijdrageplicht zijn overeengekomen. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst kan niet worden vastgesteld. De samenlevingsovereenkomst bevatte immers geen bepalingen waaruit de grootte van ieders bijdrageplicht kan worden afgeleid. Het bestaan van stilzwijgende afspraken over (de omvang van) deze bijdrageplicht en/of onderlinge rechtsverhouding is voorts evenmin gesteld noch anderszins gebleken.

Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat de rechtsverhouding van partijen, ook na beëindiging van de samenleving, wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst en op grond waarvan zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (art. 6:2 BW en HR 19 oktober 2007 NJ 2007,565). De man ziet, althans zo begrijp het hof zijn grief, daarin aanleiding om die draagplicht te wijzigen. Het hof ziet echter, evenals de rechtbank, in het door de man gestelde en door de vrouw gemotiveerd betwiste omstandigheden geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid tot een andere draagplicht dan een draagplicht voor gelijke delen te komen (die volgens de wetsgeschiedenis, zojuist geciteerd, ook de aangewezen oplossing is in een geval als het onderhavige, waarin andere aanknopingspunten ontbreken). Het hof neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. De rechtbank heeft bij haar oordeel reeds rekening gehouden met de door de vrouw ontvangen teruggave van de belastingdienst, de door de man gestelde omstandigheid dat hij na afloop van het tijdelijk huisverbod niet is staat is gesteld van de woning gebruik te maken is niet door hem onderbouwd en van een afspraak van partijen om de woning te verhuren ten slotte is evenmin gebleken. De grieven 3 en 4 treffen daarom geen doel.

de grieven A en B in het incidenteel appel

3.6.2.1. Met haar eerste grief (A) betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet (voldoende) heeft weersproken dat zij maandelijks een belastingteruggave wegens hypotheekrenteaftrek van € 1.128,-- genoot zodat haar hypotheeklast € 1.312,54 bedroeg en haar vordering op de man maximaal 31 maanden x € 656,27 = € 20.344,37 bedraagt (rov. 4.7.5.). De vrouw voert ter onderbouwing van haar grief het volgende aan.

Vanaf 7 augustus 2012 tot en met 1 maart 2015 heeft de vrouw alle hypothecaire rentebetalingen voldaan (productie 8 bij memorie van grieven in incidenteel appel). De bruto hypotheeklast en de hypotheekrenteaftrek over die periode was als volgt:

jaar

Bruto hypotheeklast

Hypotheekrenteaftrek

2012

€ 12.202,70

€ 2.885,--

2013

€ 29.286,48

€ 11.223,--

2014

€ 29.554,99

€ 15.263,--

2015

€ 7.394,85

€ 3.405,--

totaal

€ 78.438,02

€ 32.776,--

De vrouw heeft derhalve in totaal € 45.663,02 (€ 78.438,02 minus € 32.776,--) betaald. Zij was gehouden tot betaling van de helft van dit bedrag (€ 22.831,51). De rechtbank heeft de man veroordeeld om een bedrag van € 20.344,37 aan de vrouw te betalen. De man dient derhalve nog € 2.487,14 aan de vrouw te voldoen.

Uit de tweede grief van de vrouw (B) volgt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden en geen beslissing heeft gegeven over de aanslag die zij in de toekomst zal ontvangen over de jaren 2013 tot en met 2015. Ter onderbouwing van die grief stelt de vrouw dat zij de man meerdere malen heeft verzocht inzage te geven in zijn aangiften 2013 tot en met 2015. De man heeft dit nagelaten. Hij dient daarom te worden veroordeeld om een (eventuele) naheffingsaanslag over de jaren 2013 tot en 2015 ten laste van de vrouw te voldoen als daaruit blijkt dat hij ten onrechte hypotheekrenteaftrek heeft genoten.

Over het jaar 2012 is duidelijk dat de man de helft van de hypotheekrenteaftrek heeft genoten.

3.6.2.2. De man voert ter bestrijding van de grieven A en B het volgende aan. Hij heeft bewezen dat hij betalingen heeft verricht ten behoeve de hypotheekrente door bedragen over te maken naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen (producties 18 en 19 eerste aanleg) en daardoor de helft van de hypotheekrente heeft voldaan. Uit de eindafrekening van de notaris (productie 4 bij conclusie van antwoord) volgt verder dat de man ook de helft van de hypotheekrente over de maand maart 2015 heeft betaald. Uit deze eindafrekening blijkt voorts dat er een hypotheekachterstand was van € 2.391,47. De man heeft ook deze achterstand bij helfte gedragen.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw sub 2 terecht buiten beschouwing gelaten. Ook in hoger beroep moet de vordering buiten beschouwing te blijven omdat deze voor de man niet kenbaar is geweest dan wel moet worden afgewezen omdat de vordering van de vrouw niet vast staat.

De vrouw heeft over de jaren 2012 en 2013 vrijwel de gehele hypotheekrente in aftrek op haar inkomen kunnen brengen en over de jaren 2014 en 2015 zelfs de gehele hypotheekrenteaftrek. Sinds mei 2013 heeft de man geen voorlopige teruggave meer ontvangen en de tot dat moment genoten teruggave heeft hij, evenals de teruggave over 2012 moeten terugbetalen aan de belastingdienst.

vordering sub 2 (veroordeling van de man om de naheffingsaanslag van de vrouw te voldoen) (grief B)

3.6.2.3. Het hof is van oordeel dat de vordering sub 2 op de juiste wijze is ingesteld. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep treft het verweer van de man ter zake dan ook geen doel. Deze vordering is evenwel, zoals ook door de man is bepleit, onvoldoende geconcretiseerd. Immers, het staat niet vast of naheffingsaanslagen zullen volgen en zo ja, wat de omvang daarvan zal zijn. Het instellen van de vordering zoals thans door de vrouw sub 2 is geschied is daarom prematuur. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Grief B faalt.

vordering sub 1 (veroordeling van de man tot betaling van € 2.487,14) (grief A)

3.6.2.4. In geschil is of de man in de periode van augustus 2012 tot 1 maart 2015 voor de helft heeft bijgedragen in de hypothecaire lasten. Het hof oordeelt als volgt.

Op grond van rov. 3.6.1.3. hiervóór was de man gehouden de helft van de netto woonlasten te voldoen.

De door de vrouw overgelegde productie 8 bij memorie van grieven in incidenteel appel betreft slechts een overzicht van door haar gestelde betalingen waarbij verificatoire bescheiden ontbreken. Uit productie 16 bij dagvaarding blijken daarentegen wel de door haar betaalde hypothecaire lasten. Die betalingen heeft de man onvoldoende gemotiveerd betwist omdat de door de man overgelegde producties 18 en 19 in eerste aanleg niet kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen. Productie 18 betreft rekeningafschriften over het jaar 2011 en uit productie 19 volgt dat de man op 1 januari, 31 januari, 1 maart, 27 maart, 30 juni, 27 juli en 27 september van het jaar 2012 € 260,-- heeft overgemaakt en op 2 mei € 110,--. Van stortingen door de man nadien is niet gebleken. In zoverre treft het verweer van de man geen doel.

Ten aanzien van de eindafrekening van de notaris heeft het hierna volgende te gelden. Uit de brief van de ABN AMRO Bank behorende bij de eindafrekening blijkt dat sprake was van een achterstand van € 2.391,47. Dit bedrag is in mindering gebracht op de verkoopopbrengst. Derhalve hebben partijen, ieder voor de helft (€ 1.195,74) bijgedragen aan de betaling van deze achterstand. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering van de vrouw. Niet gebleken is dat de man ook heeft bijgedragen in de hypothecaire lasten over de maand maart 2015. Ten slotte is evenmin gebleken dat de vrouw alle hypotheekrenteaftrek heeft genoten en de man eerder genoten aftrek heeft terugbetaald aan de belastingdienst. De verweren van de man terzake treffen geen doel. De grief van de vrouw slaagt (deels) en haar vordering zal voor een bedrag van € 1.291.26 (€ 2.487,14 minus € 1.195,74) worden toegewezen

de aan de woning verbonden verzekeringen (grief 5 in het principaal appel)

3.7.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.24 over de premie woonverzekering overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat [appellant] niet heeft weersproken dat [geïntimeerde] in totaal € 641,44 aan premies over de periode 1 februari 2014 tot 1 februari 2015 heeft voldaan. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [appellant] dat hij de premie over 2015 heeft betaald hetgeen verrekend kan worden met die betaling van [geïntimeerde] , nu hij heeft nagelaten die stelling met concrete bedragen en/of stukken te onderbouwen. (…)”

3.7.2.

De man betoogt met zijn vijfde grief dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat hij de premie woonverzekering over 2015 volledig heeft betaald. De vrouw heeft dit erkend. Dat de man deze vordering niet met stukken heeft onderbouwd was gelet op de erkenning door de vrouw niet nodig. Deze betaling kon worden verrekend met de vordering van de vrouw vanwege haar betalingen voor de verzekering en de woning, zodat de vordering van de vrouw had moeten worden afgewezen.

3.7.3.

De vrouw betwist de door de man gestelde erkenning. Zij heeft de man meerdere malen verzocht om de betaling van de premie woonverzekering te onderbouwen (productie 26 bij memorie van antwoord). De man heeft geen betalingsbewijs overgelegd. Bij gebrek aan wetenschap betwist de vrouw dat de man deze rekening heeft voldaan.

3.7.4.

Het hof oordeelt als volgt.

De man verwijst ter onderbouwing van zijn grief naar punt 14 van zijn antwoordakte in eerste aanleg. In deze akte stelt de man dat de vrouw in haar akte heeft erkend dat de man de premie woonverzekering over 2015 heeft voldaan. Anders dan de man heeft betoogd, volgt dit naar het oordeel van het hof echter niet uit de akte inbreng producties van de vrouw. In deze akte is immers namens de vrouw vermeld:

“Het is de vrouw onbekend waarom de man de laatste factuur van de woonverzekering voor de periode 1 februari 2014 tot en met 1 februari 2015 niet wenst te voldoen. Verder is de factuur over het jaar 2015 wegens de verhuizing van de vrouw en de kinderen per 1 april 2015 door de man opgezegd omdat deze verzekering op uitsluitend zijn naam staat (…). De originele nota was voor de duur van 1 februari 2015 tot 1 februari 2016 en is thans geworden 1 februari 2015 tot en met 31 maart 2015. (…). De opzegging en financiële afwikkeling van de woonverzekering is door de man gedaan en geregeld omdat het uitsluitend op zijn naam staat en alleen hij dit kan regelen.”

Uit deze verklaring volgt niet dat de vrouw heeft erkend dat de man de premie voor de woonverzekering voor het jaar 2014 en 2015 (tot en met 31 maart 2015) heeft voldaan, hetgeen wordt bevestigd door de door de vrouw overgelegde e-mailcorrespondentie met de man (productie 26 bij memorie van antwoord). Daaruit volgt dat de vrouw de man op 6 maart 2015, 9 maart 2015 en 18 maart 2015 heeft gevraagd of de premie voor (onder meer) de woonverzekering is betaald. Een antwoord van de man op deze vragen van de vrouw blijkt op geen enkele wijze uit de gedingstukken.

Het had derhalve – mede gelet op de substantiëringsplicht die op de man rust alsmede vanwege het bepaalde in art. 150 Rv – op de weg van de man gelegen aan de hand van verificatoire stukken inzichtelijk te maken dat hij de premie voor de woonverzekering over het jaar 2015 heeft voldaan. De man heeft dit nagelaten – zoals hij ook in zijn memorie van grieven heeft erkend (“Juist is dat [appellant] deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd”) – zodat, mede gelet op de betwisting van de betaling door de vrouw, de vijfde grief faalt.

de auto (grief 6 in het principaal appel en grief C2 in het incidenteel appel)

3.8.1.

De rechtbank heeft over de auto (een Audi A3 Sportback, bouwjaar 06/2007, kenteken [kenteken] , hierna: de auto) in rov. 4.35 overwogen:

“Als onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] een bedrag van € 8.250,00 op de gemeenschappelijke bankrekening heeft gestort met als omschrijving ‘Audi’ en dat [appellant] een dag later een Audi A3 heeft gekocht en geleverd gekregen. De rechtbank gaat voorbij aan de niet onderbouwde stelling van [appellant] dat hij de Audi A3 volledig met eigen gelden heeft betaald. Nu [appellant] zijn stelling dat de Audi A3 zijn eigendom was ook overigens niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank er van uit dat de Audi A3 door partijen gezamenlijk is gekocht, aan hen beiden is geleverd én is betaald met gelden van de gezamenlijke bankrekening waarop [geïntimeerde] een dag voor de aanschaf van de auto € 8.250,00 voor dat specifieke doel had gestort. Aldus heeft te gelden dat de Audi A3 gemeenschappelijk eigendom was. [appellant] heeft het taxatierapport dat [geïntimeerde] heeft overgelegd en waarin een waarde van € 12.500,00 is begroot, gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] is hierop onvoldoende gemotiveerd ingegaan. De rechtbank zal de waarde van de auto ex aequo et bono begroten op € 10.000,00. [appellant] dient de helft hiervan wegens overbedeling aan [geïntimeerde] te betalen, waartoe hij zal worden veroordeeld.”

3.8.2.

Partijen kunnen zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank.

3.8.2.1. De man stelt dat de auto zijn volledige eigendom is; de factuur, de autoverzekering en de wegenbelasting stonden enkel op zijn naam en de auto werd steeds door hem gebruikt. Verder heeft hij de auto (aanschafprijs € 24.580,--) met eigen gelden betaald. De man verwijst hiervoor naar zijn conclusie van antwoord (nrs. 52, 53 en 55) en zijn antwoordakte (nrs. 15 en 16). De auto is aangeschaft door inruil van een auto (van het merk Lancia) die hij volledig in eigendom had, betaling vanaf de gemeenschappelijke bankrekening (€10.080,--) en gelden die zijn vader hem had geschonken.

Subsidiair stelt de man dat de vrouw slechts € 5.040,-- (€ 10.080,-- / 2) aan de aanschaf van de auto heeft bijgedragen. Dit is 20% van de waarde auto, zodat de vrouw ook slechts voor 20% tot de auto gerechtigd zou zijn. De waarde van de auto bedraagt € 5.626,--. De man verwijst hiervoor naar zijn conclusie van antwoord (nr. 54) en de daarbij behorende productie 10. De vrouw is daarom ten hoogste gerechtigd tot 20% van € 5.626,--, te weten € 1.045,20.

De man betwist de door de vrouw gestelde waarde van de auto bij verkoop. Het door de vrouw overgelegde taxatierapport (de waardebepaling door Occasiondealer [occasiondealer] – productie 23 bij dagvaarding) geeft niet de juiste waarde van de auto weer. Bovendien is de auto pas in 2013 verkocht. De door de man bepleite waarde van (ongeveer) € 5000,--, zoals gebleken uit door de man overgelegde waardebepalingen, betrof een daadwerkelijk bod.

De door de vrouw bij akte overleggen producties en nadere onderbouwing grieven overgelegde nieuwe waardebepaling d.d. 9 januari 2017 door [cars&services] cars&services (productie 33) is ongeloofwaardig.

3.8.2.2. De vrouw stelt dat de auto gezamenlijk eigendom van partijen was. Zij hebben de auto samen gekocht. Zij hebben voor de aanschaf van de auto (€ 24.580,--) hun vorige gezamenlijke auto ingeruild en de vrouw heeft vanuit haar privé vermogen € 8.250,-- betaald. De man heeft vanuit zijn privé vermogen € 1.830,-- betaald. In totaal hebben partijen € 10.080,-- op de gemeenschappelijke bankrekening overgemaakt ten behoeve van de aankoop van de auto. Op 16 augustus 2008 is dit bedrag betaald aan de Audi dealer. De vrouw betwist dat de man de auto gedeeltelijk heeft gefinancierd met een schenking. De omstandigheid dat de autoverzekering op naam van de man stond, toont niet de eigendom van de auto aan.

In het incidenteel appel betoogt de vrouw met haar grief C2 dat de rechtbank ten onrechte het taxatierapport heeft afgewezen.

De man heeft in 2013 zonder overleg met de vrouw de auto verkocht. Hij heeft nagelaten stukken in het geding te brengen waaruit blijkt voor welk bedrag de auto is verkocht en wat op dat moment de kilometerstand was. De man was hiertoe gehouden op grond van de samenlevingsovereenkomst. De man heeft de verkoopopbrengst zelf behouden. De vrouw verzoekt het hof om de man te verplichten het verkoopbewijs te overleggen, zodat duidelijk wordt voor welk bedrag de man de auto heeft verkocht. Indien de man dit nalaat, moet de waarde van de auto worden vastgesteld op basis van de twee door de vrouw in het geding gebrachte waardebepalingen (door de Occasiondealer en door [cars&services] cars&services) van € 12.500,--, zodat aan de vrouw een bedrag van € 6.250,-- toekomt.

3.8.3.

Het hof oordeelt als volgt.

3.8.3.1. In geschil is de vraag wie eigenaar is van de auto. Naar het oordeel van het hof is de auto gezamenlijk eigendom van partijen en is sprake van een zogenoemde eenvoudige gemeenschap. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag tot wiens eigendom de auto behoort, is van belang aan wie de auto, na verkoop (de titel voor levering), is geleverd (art. 3:84 juncto art. 3:90 BW). De tenaamstelling van het kenteken, de autoverzekering en de factuur is, gelet op voornoemde wetsbepalingen, niet beslissend voor de vraag wie eigenaar is van de auto.

Op de vrouw rust, nu zij een vergoeding voor de auto vordert, de stelplicht (en indien zij hieraan heeft voldaan en de man haar vordering genoegzaam heeft betwist, ook de bewijslast) van de gemeenschappelijke eigendom van de auto.

De vrouw heeft gesteld dat partijen de auto gezamenlijk hebben gekocht en heeft daaraan de consequentie verbonden dat de auto in mede-eigendom is verkregen. De man heeft uitsluitend gesteld dat de financiering van de auto – kort gezegd – (grotendeels) voor zijn rekening is gekomen en dat de auto daarom zijn eigendom is.

Een geldige overdracht veronderstelt in ieder geval een levering (waarvan in dit geval niet kan worden vastgesteld aan wie deze heeft plaatsgevonden omdat beide partijen hierover geen standpunt hebben ingenomen) en een geldige titel. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat partijen de auto gezamenlijk hebben gekocht. Daarmee moet worden aangenomen dat de titel voor levering – de koopovereenkomst – ten gunste van beide partijen tot stand is gekomen. De man heeft die titel immers niet betwist, maar daartegen enkel naar voren gebracht dat hij de auto volledig zou hebben gefinancierd. Dat laatste is onvoldoende om de stelling van de vrouw dat sprake is van gemeenschappelijke eigendom genoegzaam te betwisten. Ook overigens is die stelling onjuist, zoals de man ook zelf in hoger beroep heeft erkend. De vrouw heeft immers via een betaling van € 10.080,-- via de gemeenschappelijke bankrekening van partijen (die ook door de vrouw werd gevoed) ook betaald voor de aanschaf van de auto. Voorts volgt uit art. 5 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst dat in geval van een geschil tussen partijen over de gerechtigdheid tot een goed en geen van beiden dit recht op dit goed kan bewijzen, dat goed geacht wordt aan beiden toe te behoren, ieder voor de onverdeeld helft.

3.8.3.2. Gelet op het voorgaande gaat het hof er daarom van uit dat de auto tot de eenvoudige gemeenschap behoorde en dus gezamenlijk eigendom van partijen was. Vervolgens dient te worden beoordeeld tot wel gedeelte partijen gerechtigd waren tot de auto.

Het standpunt van de man dat de vrouw maar tot 20% van de auto is gerechtigd berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 (NJ 2007, 395) waarin is geoordeeld:

“Wanneer echtgenoten gezamenlijk een goed in eigendom verkrijgen en met betrekking tot dat goed een bijzondere gemeenschap tussen hen ontstaat, is dat goed in beginsel voor rekening en risico van beide echtgenoten naar verhouding van hun aandeel in de aldus ontstane gemeenschap met betrekking tot dat goed.

Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is.”

Gelet op het voorgaande en mede gelet op art. 5 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst hebben beide partijen derhalve een gelijk aandeel in de auto.

3.8.3.3. Vast staat dat de man de auto heeft verkocht. De man heeft evenwel om onverklaarbare redenen nagelaten de verkoopprijs van de auto inzichtelijk te maken, terwijl dit, nu de auto tot de eenvoudige gemeenschap behoorde en hij de auto zonder tussenkomst van de vrouw als deelgenoot in die eenvoudige gemeenschap heeft verkocht, op zijn weg lag. Dat de vrouw nu genoodzaakt was waardebepalingen die zijn gedaan zonder dat de ter zake deskundige de auto heeft gezien en bekend was met de (technische) specificaties en staat van onderhoud van de auto in het geding te brengen, komt dan ook voor rekening en risico van de man.

3.8.3.4. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de zesde grief in het principaal appel faalt en grief C2 in het incidenteel appel slaagt. Het hof zal de waarde van de auto op het moment van verkoop vaststellen op het door de vrouw gestelde en onderbouwde bedrag van € 12.500,--. De man zal derhalve worden veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de helft van dit bedrag, te weten € 6.250,-- minus het reeds door de man betaalde bedrag van € 5.000,--. (€ 1.250,--).

de kinderopvangtoeslag (grief 7 in het principaal appel)

3.9.1.

De rechtbank heeft over de kinderopvangtoeslag in rov. 4.52 overwogen:

“De rechtbank ziet geen grondslag voor toewijzing van het door [appellant] gevorderde, te meer nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat de door haar reeds betaalde kosten van de kinderopvang hoger waren dan de ontvangen toeslagen kinderopvang en de rechtbank daaruit afleidt dat de in 2014 ontvangen nabetaling kinderopvangtoeslag in zoverre moet worden beschouwd als compensatie voor reeds eerder ter zake uitgegeven kosten en niet, zoals [appellant] kennelijk meent, als ‘extraatje’(baat) dat tussen partijen nog verdeeld moet worden. Het door [appellant] gevorderde zal daarom worden afgewezen.”

3.9.2.

De man stelt dat de kosten van kinderopvang werden betaald vanaf de gemeenschappelijk bankrekening van partijen. Die bankrekening werd gevoed door beide partijen. De kinderopvangtoeslag die partijen in 2014 op de gemeenschappelijke bankrekening ontvingen is betaald ter compensatie van in 2011 betaalde opvangkosten. De overweging van de rechtbank is onjuist en onrechtvaardig omdat die kosten van de gemeenschappelijke bankrekening werden betaald. Volgens de samenlevingsovereenkomst behoort het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening toe aan partijen, ieder voor de helft. De vrouw heeft de in 2014 ontvangen toeslag van € 2.450,-- zonder overleg en instemming van de man van de gemeenschappelijke bankrekening opgenomen en voor zichzelf gehouden. De helft daarvan dient zij aan hem te voldoen.

3.9.3.

De vrouw stelt dat partijen nimmer in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de kosten van kinderopvang en de te ontvangen toeslag. De kinderopvangtoeslag staat op naam van de vrouw en komt haar daarom uitsluitend toe. Bovendien was de man vanaf april 2011 werkloos. Hij heeft de kosten van kinderopvang niet voldaan en evenmin de gemeenschappelijke bankrekening gevoed. Ook waren de kosten van de kinderopvang hoger dan de toeslagen die de vrouw van de belastingdienst ontving.

Voor zover de man de helft van de kosten aan kinderopvang heeft voldaan, heeft het volgende te gelden. De vrouw heeft op 27 januari 2014 € 2.443,-- overgeboekt van de gemeenschappelijke bankrekening naar haar privé bankrekening. Dit bedrag komt haar en de kinderen toe ten titel van voldoening aan een natuurlijke verbintenis door de man. Subsidiair stelt de vrouw dat de vordering van de man moet worden vastgesteld op de helft van € 2.443,-- (€ 1.221,50). Deze vordering moet worden verrekend met de vordering van de vrouw over de kinderopvangtoeslag over het jaar 2010. Zij heeft over het jaar 2010 € 407,-- te veel aan kinderopvangtoeslag ontvangen en dit bedrag inmiddels volledig terugbetaald.

3.9.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Krachtens de samenlevingsovereenkomst zijn partijen verplicht elkaar naar eigen vermogen of inkomen het nodige te verschaffen zolang de samenleving voortduurt (art. 1). Daarbij dienen zij in onderling overleg te bepalen welke kosten tot kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt. Deze kosten moeten worden bestreden uit hun gezamenlijke inkomsten (art. 4 lid 1). Het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening(en) behoort toe aan beiden voor gelijke delen (art. 4 lid 1).

De samenleving van partijen is geëindigd op 7 augustus 2012. Het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening – die tot de eenvoudige gemeenschap van partijen behoorde – dient per die datum voor gelijke delen tussen partijen te worden verdeeld.

Het hof stelt vast dat de gemeenschappelijke bankrekening (rekeningnummer ABN AMRO [gemeenschappelijke bankrekening] ) ook door de man is gevoed. De man heeft in 2011 van januari tot en met september maandelijks € 1.260,-- en in oktober en november steeds € 260,-- overgemaakt naar die bankrekening.

Vast staat dat op 20 januari 2014 – en dus na beëindiging van de samenleving – de betaling van het bedrag ter zake kinderopvangtoeslag 2011 (€ 2.450,--) is ontvangen op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Nu deze kinderopvangtoeslag betrekking heeft op het jaar 2011 gaat het hof er van uit dat die kinderopvangtoeslag – nu partijen in 2011 een vordering op de belastingdienst hadden vanwege deze kinderopvangtoeslag – tot het op 7 augustus 2012 op de gemeenschappelijke bankrekening aanwezige saldo behoort en daarmee aan beide partijen voor gelijke delen toekomt.

Dat de kinderopvangtoeslag op naam van de vrouw stond en partijen daar kennelijk geen afspraken over hebben gemaakt en de kosten van de kinderopvang hoger waren dan de teruggave daarvoor, is niet relevant. Immers, de gemeenschappelijke bankrekening ten laste waarvan de kosten voor de kinderopvang zijn voldaan, is ook gevoed door de man en de kosten voor kinderopvang moeten tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gerekend (de man heeft de kinderen erkend en partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ). De teruggave kinderopvangtoeslag komt daarom aan beide partijen ieder voor de helft toe.

Ook kan naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis door de man ten opzichte van de vrouw en de kinderen op grond waarvan de vrouw gerechtigd is tot het gehele bedrag terzake teruggave kinderopvangtoeslag 2011.

Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet-afdwingbare verbintenis die bestaat wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt óf wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt (art. 6:3 BW).

Partijen (en dus ook de man) zijn krachtens hun notariële samenlevingsovereenkomst gehouden elkaar naar eigen vermogen of inkomen het nodige te verschaffen en bij te dragen in de kosten van de huishouding. De samenlevingsovereenkomst vormt daarmee een rechtsgeldige titel voor afdwingbaarheid van de daarin opgenomen (obligatoire) verbintenissen voor partijen. De vrouw heeft niet onderbouwd dat naast de rechtens afdwingbare verbintenissen als neergelegd in de samenlevingsovereenkomst, een natuurlijke verbintenis voor de man zou bestaan, op grond waarvan de vrouw de gehele kinderopvangtoeslag zou mogen behouden.

Ten slotte doet de vrouw een beroep op verrekening bij wege van verweer (art. 6:136 BW). Zij stelt dat de vordering van de man (€ 1.221,50) dient te worden verrekend met een door haar aan de belastingdienst betaald bedrag van € 407,--. Nu de vrouw enkel heeft onderbouwd dat dit bedrag ten onrechte is ontvangen (productie 19 bij memorie van antwoord), maar niet heeft onderbouwd dat zij dit bedrag ook heeft terugbetaald aan de belastingdienst, kan het hof de gegrondheid van haar verweer niet op eenvoudige wijze vaststellen en evenmin of haar vordering voor toewijzing vatbaar is. Het beroep van de vrouw op verrekening wordt daarom verworpen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grief van de man slaagt. De vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van € 1.225.-- aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente (die niet is weersproken) daarover vanaf 16 juni 2015.

de kinderbijslag en het kindgebonden budget (grief C1 in het incidenteel appel)

3.10.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd te bepalen dat de man vanaf 7 augustus 2012 tot heden alle bedragen, althans de door hem ontvangen kinderbijslag, kindgebonden budget en andere bedragen die hij voor de kinderen heeft ontvangen, aan haar moet terugbetalen.

De rechtbank heeft in rov. 4.47 geoordeeld dat de kinderbijslag op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is gestort waarvan het saldo – dat nog niet was verdeeld – krachtens art. 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst aan partijen voor gelijke delen toebehoort. Voor het door de vrouw gevorderde bestond daarom geen grondslag en de vordering is afgewezen. De vordering terzake het kindgebonden budget is onvoldoende heeft geconcretiseerd en reeds daarom afgewezen.

3.10.2.

Met grief C betoogt de vrouw dat de rechtbank haar vorderingen ten onrechte heeft afgewezen. De man heeft de woning op 7 augustus 2012 verlaten en zij heeft daar, samen met de kinderen, tot 1 april 2015 gewoond. Zij heeft de man meerdere malen verzocht zijn adres in de Basisregistratie personen van de gemeente te (doen) wijzigen, maar hij heeft dit nagelaten tot medio augustus 2013. Tot het moment van wijziging is de kinderbijslag en het kindgebonden budget gestort op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen en heeft de man zich de helft van deze bedragen toegeëigend.

3.10.3.

De man voert ter weerlegging van deze grief aan dat de vrouw geen belang heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat hij vanaf 7 augustus 2012 geen woonplaats had in de woning. De vordering voor wat betreft de kinderbijslag en het kindgebonden budget is niet onderbouwd alsook onvoldoende bepaald en moet worden afgewezen.

3.10.4.

Het hof oordeelt als volgt.

kinderbijslag

Ter onderbouwing van haar grief en de daaraan verbonden vordering, heeft de vrouw als productie 29 kopieën van rekeningafschriften van de gemeenschappelijke rekening van partijen overgelegd. Uit die kopieën volgt dat van die rekening op 20 november 2012 een bedrag van € 676,50 is overgemaakt naar de bankrekening van de man met de vermelding “0,5 deel tbv [appellant] ”, op 16 januari 2013 een bedrag van € 339,95 met de vermelding “0,5 deel kinderbijslag over de mndn aug/sept/okt/nov/dec tbv [appellant] ” en ten slotte op 31 augustus 2013 een bedrag van € 212,18 met de vermelding “0,5 deel kinderbijslag 1e kwartaal ’13 op naam van [appellant] (aantoonbaar)”.

Uit rekeningafschriften kan slechts worden afgeleid dat de laatste twee overboekingen van in totaal € 552,13 (€ 339,95 + € 212,18) aan de man betrekking hebben op (helft van) de kinderbijslag. Een onderbouwing voor het meer gevorderde, voor zover dat al voldoende bepaalbaar zou zijn, ontbreekt.

Nu vaststaat dat de man – en in zoverre heeft de vrouw geen belang bij haar vordering om voor recht te verklaren dat de man geen woonplaats meer had in de woning vanaf 7 augustus 2012, zodat die vordering wordt afgewezen – vanaf 7 augustus 2012 niet meer woonachtig was in de woning en de vrouw aldaar alleen met de kinderen woonde, was de man vanaf dat moment niet meer gerechtigd tot de kinderbijslag. De grief slaagt derhalve in zoverre en de vordering van de vrouw zal daarom, zij het slechts enkel tot het bedrag van € 552,13 worden toegewezen.

kindgebonden budget en andere voor de kinderen ontvangen bedragen

Een onderbouwing van de vordering voor zover deze betrekking heeft op het kindgebonden budget en andere voor de kinderen ontvangen bedragen ontbreekt, zodat de grief in zoverre faalt en dat gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

de aangifte IB (grief 8 in het principaal appel)

3.11.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.59 van het bestreden vonnis over de aangifte IB als volgt overwogen:

“De rechtbank kan uit de door [appellant] overgelegde emailcorrespondentie niet afleiden dat er tussen [appellant] en [geïntimeerde] een afspraak over het gezamenlijk doen van de IB aangifte 2012 tot stand is gekomen: uit de emailcorrespondentie blijkt dat [geïntimeerde] (meerdere malen) aan [appellant] heeft laten weten dat zij vóór 1 april 2013 belastingaangifte zal gaan doen, hetgeen zij ook gedaan heeft en welke aangifte zij bij email van 4 april 2013 aan [appellant] toegestuurd heeft. Ook uit de email van [appellant] van 31 maart 2013 (18:26u) zelf kan niet worden geconcludeerd dat er tussen hen een afspraak ter zake is gemaakt, te meer nu die email begint met “Ik zal je 1 en ander nog een keer uitleggen”, hetgeen er niet op duidt dat er tussen partijen al een afspraak tot stand is gekomen. Het door [geïntimeerde] gevoerde verweer slaagt dan ook, zodat de rechtbank dit deel van het door [appellant] gevorderde zal afwijzen.”

3.11.2.

De man betoogt met zijn grief dat de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat uit de door hem overgelegde e-mailcorrespondentie (productie 20 eerste aanleg) onomstotelijk blijkt dat partijen een afspraak hebben gemaakt om de aangifte IB 2012 in te vullen zoals door de man is voorgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de man naar een e-mail van de vrouw d.d. 28 maart 2013 waarin zij aan de man schrijft: “Ik heb je voorstel voor de belastingaangifte pas vorige week via mijn advocaat ontvangen. Inmiddels is dat bekeken en kan ik je informeren dat ik akkoord ben met de aangifte”. Tussen partijen bestond geen onduidelijkheid over wat er met de op de aangiften volgende aanslag en teruggave zou gebeuren.

3.11.3.

De vrouw betwist dat partijen een afspraak met elkaar hebben gemaakt over de aangifte IB 2012. Na verbreking van de relatie heeft de vrouw de man meerdere malen bericht dat de financiële afwikkeling van de aangifte IB 2012 via haar advocaat diende te verlopen. De vrouw verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar haar e-mails aan de man van 28 maart 2013, 31 maart 2013, 2 april 2013, 3 april 2013 en tweemaal op 4 april 2013. Uit deze berichten blijkt dat partijen géén overeenstemming hebben bereikt over het gezamenlijk doen van de aangifte IB 2012.

3.11.4.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de door de man overgelegde
e-mailcorrespondentie kan het hof niet vaststellen dat de door de man gestelde afspraken (en wat die afspraken inhielden) tussen partijen tot stand zijn gekomen. Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van de e-mail van de man aan de vrouw d.d. 6 juni 2015 waarin hij schrijft:

“Lever me a.u.b. wat door je is ingevuld en verzonden richting de belastingdienst. Gaarne ook je opgave van hoe je de teruggave over 2012 zult verrekenen met het terug te betalen bedrag over 2012”

als antwoord op het bericht van de vrouw van 2 april 2013 waarin zij schrijft:

“Volgens mij heb ik al meerdere keren aangegeven dat ik voor 1 april belastingaangifte ging doen….”

Eerder deelde de man de vrouw per e-mail van 31 maart 2013 en 29 maart 2013 mede dat hij een gezamenlijke aangifte op prijs zou stellen (“De meest eenvoudige manier om de aangifte gezamenlijk te (laten) handelen, is dat we … “ en “We hebben het over de gezamenlijke aangifte en afhandeling van de belastingaangifte 2012”).

Uit de reactie van de vrouw leidt het hof af dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een dergelijke gezamenlijke aangifte en dat de vrouw zelf – eenzijdig – aangifte blijkt te hebben gedaan. Uit de (door de man overgelegde) gedingstukken volgt evenmin dat partijen de door de man gestelde afspraken hebben gemaakt. Grief 8 faalt mitsdien en de vordering van de man sub b wordt afgewezen.

de energielasten (grief 9 in het principaal appel en vordering in incidenteel appel)

3.12.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.64 van het bestreden vonnis over de energielasten vastgesteld dat de vrouw in beginsel € 352,51 aan de man dient te voldoen. De rechtbank vervolgt:

“Echter, [geïntimeerde] heeft zich beroepen op verrekening van het voornoemde bedrag met het volledig door haar betaalde bedrag van € 2.024,00 ter zake energiekosten vanaf februari 2012 tot en met januari 2013, hetgeen [appellant] niet heeft betwist. Dit beroep op verrekening van [geïntimeerde] slaagt dan ook. Aldus was [appellant] draagplichtig voor de helft van de door [geïntimeerde] betaalde kosten (€ 2.024,00 /2 = € 1.012,00, waarvan partijen een tijd nog bij elkaar woonden, zodat zij ieder draagplichtig waren voor de helft van dat bedrag =) € 506,00. Nu het bedrag dat [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd is, méér is dan het bedrag dat [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigd is, zal het door [appellant] gevorderde bedrag als zijnde verrekend worden afgewezen.”

3.12.2.

De man stelt dat beide partijen de gemeenschappelijke bankrekening in 2012 hebben gevoed. De energiekosten werden betaald vanaf die gemeenschappelijke bankrekening. Maandelijks werden betalingen vanaf die rekening voldaan aan Energiedirect. De stelling van de vrouw dat de energiekosten in de periode februari 2012 tot en met januari 2013 alleen door haar werden voldaan is daarom onjuist.

Bovendien is het onterecht om de betaalde energiekosten over de periode februari 2012 tot en met 7 augustus 2012 te verrekenen met de vordering van de man, nu hij over die periode reeds de helft van die kosten (door betaling vanaf de gemeenschappelijke rekening) heeft gedragen. Overigens heeft de man in de periode van 7 augustus 2012 tot en met januari 2013 geen gebruik gemaakt van Energiedirect. In die periode gaat het om gebruikerslasten die voor rekening van de vrouw dienen te komen.

3.12.3.

De vrouw stelt dat de vordering van de man niet is onderbouwd. De man vordert betaling van een rekening van Energiedirect omdat hij op 5 februari 2013 een eindafrekening heeft ontvangen waarin een voorschot is opgenomen. De man heeft vervolgens, eenzijdig, de overeenkomst van partijen met Energiedirect opgezegd. De overlegde eindafrekening is onjuist en wordt betwist. De vrouw veronderstelt dat de man een terugbetaling heeft ontvangen. Zij betwist dat de man het voorschotbedrag heeft voldaan. Indien de man wel het voorschotbedrag heeft betaald, dient hij inzage te verschaffen in de eindafrekening zodat duidelijk wordt welk bedrag de man heeft betaald. Het voorschot voor de energielasten moet niet worden beschouwd als gebruikerslasten.

Voor zover de vordering van de man wordt toegewezen heeft het hiernavolgende te gelden. De vrouw betwist dat de man de gemeenschappelijke bankrekening heeft gevoed. Verder heeft de man niet de helft van de door de vrouw betaalde energielasten (€ 3.288,-- / 2 = € 1.644,--) voldaan. De juiste eindafrekening is als volgt: 7/12 (duur dat partijen hebben samengeleefd) x € 221,19 (eindbedrag) = € 129,03 / 2 = € 64,51 (het aan de vrouw toekomende bedrag).

De vrouw heeft derhalve een vordering op de man die hoger is dan de vordering van de man op de vrouw. Het gaat om een bedrag van € 1.579,49 (€ 3.288,-- / 2 = € 1.644,-- minus € 64,51). De man dient te worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de vrouw.

3.12.4.

Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van de grief van de man en de vordering van de vrouw in het incidenteel appel stelt het hof het volgende voorop.

Uit de door de man in eerste aanleg overgelegde aanvullende productie 18 blijkt dat hij de gemeenschappelijke bankrekening ( [gemeenschappelijke bankrekening] ) in 2012 met in totaal € 1.930,-- heeft gevoed. De man heeft op 1 januari, 31 januari, 1 maart, 27 maart, 30 juni, 27 juli en 27 september van het jaar 2012 € 260,-- overgemaakt en op 2 mei € 110,--. In zoverre treft het verweer van de vrouw dat de man de gemeenschappelijke bankrekening niet heeft gevoed geen doel. Daarmee is ook de feitelijke grondslag aan de vordering van de vrouw in het incidenteel appel voor wat betreft de energielasten ontvallen zodat deze dient te worden afgewezen.

Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat (voorschotten) op energielasten geen gebruikerslasten zijn, faalt haar betoog. Energielasten betreffen immers geen forfaitaire lasten maar aan het (energie)verbruik door de bewoners van de woning verbonden lasten. Het hof gaat er daarom van uit dat de energielasten voor zover deze betrekking hebben op de periode van 7 augustus 2012 tot en met januari 2013 lasten zijn waarvoor enkel de vrouw draagplichtig moet worden geacht. Voor de periode tot 7 augustus 2012 zijn beide partijen gezamenlijk draagplichtig. Door partijen is over de periode van 26 januari 2012 tot en met 28 januari 2013 een totaalbedrag van € 3.288,-- ten titel van voorschot wegens energielasten aan energiemaatschappij Energiedirect voldaan. De totale kosten wegens verbruik aan energielasten bedroegen € 221,19 meer dan het in rekening gebrachte voorschot. Ten slotte staat vast (de vrouw weliswaar heeft gesteld dat de eindafrekening onjuist is en de man geen nabetaling heeft voldaan maar zij heeft die stelling niet onderbouwd) dat de man op 21 maart 2013 (productie 14 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie) een bedrag van € 509,19 (inclusief het voorschot van februari 2013, € 288,--) heeft nabetaald.

Dit brengt mee dat de vrouw, zoals ook door de man is gevorderd, aan de man een bedrag van € 398,60 dient te betalen, welk bedrag gevonden wordt door van het door de man betaalde bedrag van € 509,19 de helft van het bedrag van de nabetaling energielasten

€ 211,19 (= € 110,59) af te trekken, welke helft voor rekening van de man blijft.

De andere helft van het bedrag van € 211,19, ( € 110,59) alsmede het voorschot over de maand februari 2013 (€ 288) dient voor rekening van de vrouw te komen. De grief van de man slaagt en zijn vordering tot veroordeling van de vrouw om hem een bedrag van € 398,60 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2015 – waartegen geen verweer is gevoerd – kan worden toegewezen. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.

de gebruiksvergoeding (grieven 10 en 11 in het principaal appel)

3.13.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.71.overwogen dat de man niet heeft onderbouwd waarom de gebruiksvergoeding moet worden berekend volgens de door hem voorgestane berekeningswijze. In rov. 4.72. is vastgesteld dat de man niet heeft weersproken dat hij de verkoop en levering van de woning heeft bemoeilijkt. Gelet daarop achtte de rechtbank een veroordeling van de vrouw tot voldoening van een gebruiksvergoeding in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vordering van de man tot betaling van een gebruiksvergoeding is afgewezen.

3.13.2.

De man betoogt in zijn grief 10 dat het redelijk en billijk is als hij 4% van zijn aandeel in de totale waarde van de woning als gebruiksvergoeding ontvangt. De man heeft de lasten drukkende op zijn aandeel geheel voor eigen rekening genomen. Met de hypothecaire last die op dat aandeel rust moet daarom geen rekening worden gehouden bij het bepalen van de waarde waarover de vrouw een gebruiksvergoeding is verschuldigd. De man kon geen gebruik maken van de woning en heeft hiervoor geen schadeloosstelling van de vrouw ontvangen. De wet bevat geen regels op grond waarvan de hoogte van de gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld en in de jurisprudentie worden verschillende berekeningsmethoden gehanteerd.

In grief 11 weerspreekt de man de stelling van de vrouw dat hij de verkoop van de woning heeft bemoeilijkt. Hij was ervan overtuigd dat de door de vrouw gewenste verkoopprijs te laag was. Dat de voorzieningenrechter, nadat de man een bod niet wilde accepteren, in december 2014 de vrouw ten aanzien van de verkoopprijs in het gelijk heeft gesteld, maakt niet dat hij de verkoop van de woning heeft bemoeilijkt. De man heeft vrijwillig aan dit vonnis voldaan. Verkoop heeft niet later plaatsgevonden dan wanneer de man het bod wel direct had geaccepteerd. Als de man het verkoopproces al zou hebben belemmerd, dan is dit slechts gedurende enkele weken (de periode van het kort geding) het geval geweest.

De vrouw heeft gedurende de eerste twee jaren zelf het verkoopproces belemmerd. Zij wilde de verkoopprijs niet verlagen en de man heeft steeds bij haar aangedrongen op het verhuren van de woning. Door stagnatie van de woningmarkt en het weigeren van de vrouw om deel te nemen aan de “Open huizen dag” hebben weinig mensen de woning bezocht. De vrouw heeft gebruik van de woning door de man onmogelijk gemaakt door de sloten van de woning te vervangen. Aan de vrouw kwam niet op grond van een rechterlijke uitspraak het voortgezet of uitsluitend gebruik van de woning toe.

3.13.3.

De vrouw heeft de grieven 10 en 11 weersproken. Een gebruiksvergoeding is strijd is met de wet en de redelijkheid en billijkheid.

Ter onderbouwing van haar betwisting van grief 10 voert zij het volgende aan. De hypothecaire lasten van de woning heeft de vrouw voldaan met haar spaargeld. Na verkoop en levering van de woning was sprake van een onderwaarde van € 223,96. Voor het vragen van een gebruiksvergoeding bestaat geen rechtsgrond. De vrouw heeft alle vaste (hypothecaire) lasten voldaan. Tot op heden heeft de man de helft van die lasten niet aan de vrouw vergoed.

Ter onderbouwing van haar betwisting van grief 11 voert zij het volgende aan. De man heeft de verkoop belemmerd. Hij heeft zich, door een van de zoons onder druk te zetten om de sleutels van de woning te stelen, de toegang tot de woning verschaft en zich de inboedel toegeëigend. Deelname aan de “Open huizen dag” was daarom niet mogelijk. Gedurende twee jaar is nimmer een bod uitgebracht op de woning omdat de vraagprijs te hoog was. De man heeft de adviezen van de makelaar over de vraagprijs genegeerd en heeft niet tijdig gereageerd op een eerste bod waardoor de potentiële kopers zijn afgehaakt. Voorts heeft de man een tweede bod afgewezen. De vrouw was genoodzaakt de man in kort geding te dagvaarden. Nadat de voorzieningenrechter de vrouw vervangende toestemming voor de verkoop en levering van de woning had verleend, bleef de man de kopers lastig vallen en de makelaar tegenwerken (productie 22 memorie van antwoord). Op de dag van levering van de woning heeft de man wederom voor onrust gezorgd. De door de man gewenste verhuur was onmogelijk; de vrouw kon het risico van dubbele lasten bij verhuur van de woning niet dragen, door verhuur werd verkoop lastiger en het was de vraag in welke staat de woning na verhuur zou worden opgeleverd. Ten slotte is de man door eigen toedoen een huis- en contactverbod opgelegd vanwege huiselijk geweld . Het is dus niet de vrouw geweest die het hem onmogelijk heeft gemaakt de woning te betreden.

3.13.4.

Het hof zal de grieven 10 en 11 gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken. Beide grieven falen en het hof overweegt daartoe als volgt.

In art. 3:169 BW is bepaald:

“Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.”

Indien één van de deelgenoten met uitsluiting van de andere deelgenoot het uitsluitend gebruik heeft van de voormalige echtelijke woning, dan kan het onder bepaalde omstandigheden aangewezen zijn dat de deelgenoot die niet het gebruik heeft van de woning, voor het verlies aan profijt een redelijke vergoeding verkrijgt. De eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheersen (art.3:166 lid 3 jo. art. 6:2. BW) spelen daarbij een rol. In dit geval heeft de man de gezamenlijke woning verlaten en elders (gratis) woonruimte gevonden. De man had met betrekking tot het gebruik van de woning dezelfde rechten als de vrouw. Dat de man van zijn gebruiksrecht geen gebruik heeft gemaakt, of een regeling voor het gebruik op basis van art. 3:168 BW aan de kantonrechter heeft verzocht, komt voor zijn rekening en risico. Dat de verkoop van de woning lang heeft geduurd, is naar het oordeel van het hof toe te schrijven aan de ontwikkelingen op de woningmarkt als gevolg van de kredietcrisis en de slechte verstandhouding tussen partijen, waarin (ook) de man zijn aandeel had. Naar het oordeel van het hof is het onder de gegeven feiten en omstandigheden niet redelijk en billijk, dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen. Hetgeen de man heeft aangevoerd omtrent de hoogte van een gebruiksvergoeding behoeft geen bespreking meer. De grieven 10 en 11 falen mitsdien en de vordering van de man terzake de gebruiksvergoeding wordt afgewezen.

de proceskosten (grief D in het incidenteel appel)

3.14.1.

De vrouw betoogt met haar laatste grief dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd. De man heeft nimmer meegewerkt aan de afwikkeling van de eenvoudige gemeenschap en door zijn toedoen heeft de vrouw meerdere procedures aanhangig moet maken waaruit aanzienlijke kosten volgden.

De man heeft de grief bestreden.

3.13.2.

Het hof overweegt als volgt. In zaken tussen ex-partners wordt in het algemeen besloten tot compensatie van kosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een echtscheiding en al wat daarmee samenhangt dikwijls gepaard gaat met persoonlijke en inter-relationele moeilijkheden. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling van een der partijen wordt overgegaan. Een zakelijk “gelijk” van de een op een of meerdere onderdelen van de rechtsstrijd tussen partijen betekent immers niet zonder meer dat de ander, de aard van de geschilpunten in aanmerking genomen, de zaak zonder behoorlijke gronden aanhangig heeft gemaakt. Die gronden kunnen deels liggen in de emotionele geladenheid van de problematiek. De rechter in familierechtelijke aangelegenheden zou zijn taak miskennen, indien hij uitsluitend toegankelijk zou zijn voor een zakelijke en juridische argumentatie. De noodzakelijke terughoudendheid van de rechter wordt ook ingegeven door de overweging dat partijen in vele gevallen nog met elkaar verder moeten, in onderhavig geval als de ouders van hun minderjarige zonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een kostenveroordeling (grotendeels) ten laste van de een ten gunste van de ander kan de verdere relatie belasten, nu deze veroordeling als prestigewinst kan worden opgevat.

Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient zeer evident sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Naar het oordeel van het hof is hiervan niet althans onvoldoende sprake. In de door de vrouw aangevoerde gronden vindt het hof geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, de kosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen. De grief faalt derhalve.

3.15.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het principaal appel en het incidenteel appel gedeeltelijk doel treft. Omwille van de leesbaarheid zal het hof het bestreden vonnis geheel vernietigen en opnieuw recht doen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van 24 februari 2016 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht;

opnieuw rechtdoende:

in conventie en in reconventie:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen:

voor de hypotheekrentebetalingen € 20.344,37 + € 1.291,26;

voor de eigenaarslasten van de gemeentelijke heffingen € 373,46;

voor de eigenaarslasten € 84,98;

voor de verzekeringen woning € 320,72;

voor de auto € 5.000,-- + € 1.250,--;

voor het saldo van de SNS spaarrekening € 512,87;

voor de cv-ketel € 93,49;

voor de kinderbijslag € 552,13;

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen:

voor de teruggave kinderopvangtoeslag € 1.225,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2015;

voor de energielasten € 398,60 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2015;

deelt aan de vrouw toe de inboedel die zij reeds in haar bezit heeft en deelt aan de man toe de inboedel die hij reeds in zijn bezit heeft, onder bepaling dat geen van partijen vanwege deze toedeling gehouden is een bedrag aan de ander te vergoeden;

deelt aan de man toe de ABN AMRO-bankrekeng eindigend op [gemeenschappelijke bankrekening] , onder bepaling dat partijen er samen voor zullen zorgen dat deze rekening alleen op naam van de man zal worden gesteld;

deelt aan de man toe de SNS-spaarrekening eindigend op [SNS-spaarrekening] , onder bepaling dat partijen er samen voor zullen zorgen dat deze rekening alleen op naam van de man zal worden gesteld;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de eigenaarslasten van de waterschapsbelasting over de periode 1 januari tot 1 april 2015;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.

griffier rolraadsheer