Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1089

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.188.972_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7697, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopovereenkomst met betrekking tot een luchtwasser ten behoeve van een productiebedrijf voor houtsnippers. Koper beroept zich op niet-conforme levering. Is sprake van een wilsgebrek of van wanprestatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.188.972/01

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.P.M. van Erp te Oss,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 mei 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/290464 / HA ZA 15-157 gewezen vonnis van 30 december 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 24 mei 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast, welke comparitie niet heeft plaatsgevonden;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] met één productie;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep vastgesteld welke feiten tussen partijen vaststaan. Tegen deze feitenvaststelling is niet gegriefd. De door de rechtbank vastgestelde feiten dienen om die reden ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat om de volgende feiten.

6.1.1.

[appellante] drijft een onderneming die zich onder meer richt op het produceren, verpakken en verhandelen van zaagsel en houtvezelproducten . [appellante] heeft in 2009 een schaaf-drooginstallatie in gebruik genomen. Na klachten van omwonenden over stankoverlast eiste het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (het college van B&W) dat [appellante] geurreducerende maatregelen zou nemen.

6.1.2.

[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich bezighoudt met het ontwerpen, produceren en monteren van milieutechnische installaties, waaronder luchtwassers. In januari 2011 heeft [geïntimeerde] een testwasser geplaatst bij [appellante] . In opdracht van [appellante] heeft het [onderneming] ( [onderneming] ) emissiemetingen gedaan. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 26 januari 2011 (productie 5 bij dagvaarding) .

6.1.3.

[appellante] heeft een aanvraag om een gewijzigde omgevingsvergunning ingediend bij het college van B&W. Deze aanvraag betrof onder meer het plaatsen van een luchtwasser.
Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (het college van GS) verklaard dat er, gelet op het betrokken belang van de bescherming van het milieu, geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning (productie 8 bij dagvaarding). Het college van GS heeft onder meer bepaald dat de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden:
7.1.1 De geuremissie van de naar de buitenlucht afgevoerde (gereinigde) lucht bedraagt maximaal 449 * 106 odourunits per uur.
7.1.2 Het geurverwijderingsrendement van de twee-traps-luchtwasser met oxidatieve en alkalische trap, of een hieraan gelijkwaardige voorziening (verder twee-traps-luchtwasser) moet minimaal 70% bedragen.”.
Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft het college van B&W de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan [appellante] (productie 4 bij dagvaarding). Aan deze vergunning zijn onder meer de eerder genoemde voorschriften verbonden.

6.1.4.

Op 2 augustus 2012 heeft [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging aan [appellante] toegezonden voor het ontwerp, de levering, montage en inbedrijfname van een tweetraps luchtwasser conform de omschrijving in de bijlage (productie 9 bij dagvaarding). In bijlage 1 bij de opdrachtbevestiging zijn de volgende ontwerpcriteria opgenomen:

“Luchthoeveelheid : 220.000 m3/h
Type wasser : tweetraps wasser
Temperatuur : omgevingstemperatuur, <40°C
Drukval : max. 250 Pa
Geurreductie : gegarandeerd 70% bij een ingaande geurconcentratie van 15.000 OUE/m3
een uitgaande concentratie van < 4000 OUE/m3”

Beide partijen hebben de opdrachtbevestiging (hierna: de overeenkomst) ondertekend.

6.1.5.

[geïntimeerde] heeft de luchtwasser begin 2013 geleverd aan en geïnstalleerd bij [appellante] .

6.1.6.

Het Bureau Milieumetingen van de Omgevingsdienst Regio [regio] heeft een onderzoek uitgevoerd naar de naleving van de geurvoorschriften uit de omgevingsvergunning. Naar aanleiding daarvan heeft de Omgevingsdienst op 19 juni 2014 een rapport opgemaakt (productie 15 bij dagvaarding). In dat rapport is geconcludeerd dat vergunningvoorschrift 7.1.1 niet wordt nageleefd en dat het minimale rendement van vergunningvoorschrift 7.1.2 niet wordt gehaald.

6.1.7.

Bij besluit van 22 oktober 2013 heeft het college van GS een last onder dwangsom opgelegd aan [appellante] , omdat niet is voldaan aan de vergunningvoorschriften 7.1.1 en 7.1.2 .

6.1.8.

[appellante] heeft [geïntimeerde] op 28 oktober 2013 in gebreke gesteld .

6.2.

[appellante] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen ingevolge de met [appellante] gesloten overeenkomst met betrekking tot de luchtwasser. In eerste aanleg vorderde zij, kort weergegeven, ontbinding van de overeenkomst, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] de door [appellante] geleden schade ter zake de toerekenbare tekortkoming moet vergoeden, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een voorschot van € 337.238,30 en verwijzing naar de schadestaat voor het opmaken van de definitieve schade, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

6.3.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellante] afgewezen, na onder meer te hebben overwogen:

- dat [geïntimeerde] blijkens de inhoud van de overeenkomst aan de gegarandeerde geurreductie de voorwaarde heeft verbonden dat sprake is van een maximale ingaande geurconcentratie van 15.000 OUE/m3;

- dat de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] zich ertoe heeft verbonden dat met de luchtwasser zou

worden voldaan aan de geurvoorschriften in de omgevingsvergunning niet kan worden

aanvaard;

- dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat er ook andere gebreken aan de luchtwasser

kleefden die toewijzing van de vorderingen zouden kunnen rechtvaardigen.

6.4.

[appellante] kan zich niet verenigen met de afwijzing van haar vorderingen en heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Met deze grieven beoogt zij het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.5.

[appellante] heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd in die zin dat zij thans primair vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst vordert wegens wilsgebreken. Zij stelt dat de inhoud van de overeenkomst niet overeenkomt met haar wil in die zin dat zij de beperking van de gegarandeerde 70% geurreductie tot een maximale ingaande geurconcentratie van 15.000 OUE/m3 nooit heeft gewild.

Subsidiair stelt zij gedwaald te hebben doordat zij niet heeft begrepen dat met de genoemde beperking van de 70% geurreductie niet zou worden voldaan aan de eisen van de omgevingsvergunning.

Zij stelt ook nog dat [geïntimeerde] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door pas op het laatste moment vóór het sluiten van de overeenkomst de beperking op de 70%-garantie aan te brengen, zonder voorafgaand overleg tussen partijen.

Tegen de eiswijziging is op zichzelf geen bezwaar gemaakt. De eiswijziging is toelaatbaar. Het hof zal hierna op de gewijzigde eis beslissen.

6.6.

Kern van het verwijt dat [appellante] [geïntimeerde] maakt is dat bij haar productieproces (het produceren van houtvezels) teveel stank werd geproduceerd, dat de overheid – na klachten van omwonenden - eisen heeft gesteld op het punt van geurreductie, dat zij bij [geïntimeerde] een luchtwasser heeft gekocht om aan de klachten van omwonenden een einde te maken en om te voldoen aan de overheidseisen op het punt van geurreductie, maar dat na ingebruikname van de luchtwasser, door de overheid is geconstateerd dat de geurreductie ontoereikend was.

6.7.

Het hof overweegt hieromtrent dat er bij de beoordeling van dit verwijt niet aan voorbij kan worden gegaan dat, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd, de kwalificaties van de luchtwasser zoals die zijn omschreven in de tussen partijen gesloten overeenkomst, niet overeenkomen met de eisen die van overheidswege zijn gesteld op het punt van geurreductie. Die overheidseisen zijn:
a) een geuremissie van maximaal 449 x 106 Europese odeurunits per uur en

b) een geurverwijderingsrendement van de luchtwasser van minimaal 70%.

De onder a) genoemde voorwaarde was gebaseerd, zoals [appellante] onweersproken heeft gesteld (onder randnummer 20 van de memorie van grieven) op een meting van [de vennootschap 3] BV aan het begin van het traject, namelijk op 7 april 2010 (de resultaten van de geurmeting zijn door [geïntimeerde] overgelegd als productie 6 bij processtuk 1.04). [de vennootschap 3] heeft de gemiddelde geurconcentratie van de uitgaande lucht op dat moment gemeten op 6.800 OUE/m3. Uitgaande van een luchtdebiet van 220.000 m3 per uur en een reductie van 70% zoals door [de vennootschap 4] Milieuadvies BV namens [appellante] is opgegeven in de aanvraag gewijzigde omgevingsvergunning d.d. 20 november 2011 (processtuk 1.11), is de provincie, en daarop aansluitend de gemeente, uitgekomen op de eis van maximaal 449.000.000 Europese odeurunits per uur voor 220.000 m3 per uur, dit is 2.040 OUE/m3 per uur, zijnde 30% (zodat dus wordt uitgegaan van een reductie van 70%) van de ingaande geurconcentratie ad 6.800 OUE/m3 per uur.

Duidelijk is dat deze in de omgevingsvergunning geformuleerde eis beduidend verder gaat dan de kwalificaties waaraan volgens de gesloten overeenkomst de luchtwasser diende te voldoen. Ingevolge die overeenkomst werd immers de geurreductie van 70% slechts gegarandeerd tot minder dan 4.000 OUE/m3 bij een ingaande geurconcentratie van (maximaal) 15.000 OUE/m3 .

6.8.

[appellante] stelt dat er met betrekking tot de beperking van de 70% geurreductie tot de situatie van een maximale ingaande geurconcentratie van 15.000 OUE/m3 (hof: waarbij een reductie werd gegarandeerd tot minder dan 4.000 OUE/m3) sprake is van wilsgebreken aan haar zijde. Volgens [appellante] is tussen partijen tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gesproken over een geurreductie van 70% en is van een beperking van de garantie tot 15.000 OUE/m3 ingaande geurconcentratie nimmer sprake geweest. Zij stelt dat zij nooit akkoord zou zijn gegaan met deze beperking indien zij zich had gerealiseerd wat de consequentie zou zijn.

[geïntimeerde] stelt dat de omschrijving in de garantie een reactie was op de door [appellante] gewenste aanpassing van de opdrachtbevestiging d.d. 1 augustus 2012. In die opdrachtbevestiging was de 70%-garantie niet opgenomen . [appellante] wenste alsnog opname daarvan. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de opdrachtbevestiging aangevuld met de garantie zoals deze in de uiteindelijk opdrachtbevestiging d.d. 2 augustus 2012 is geformuleerd. Het aantal van 15.000 odeureenheden per m3 was gebaseerd op de resultaten van de testopstelling waarbij metingen zijn verricht door [onderneming] (rapport d.d. 26 januari 2011, als productie 5 gevoegd bij de inleidende dagvaarding). Bij die testopstelling is een gemiddelde uitgaande geur gemeten van circa 4.000 OUE/m3. Daarvan uitgaande (en van een reductie van 70%) heeft [geïntimeerde] de geurconcentratie van de ingaande lucht berekend op maximaal 15.000 OUE/m3.

6.9.

Het hof overweegt dat de rechtbank heeft vastgesteld (onder rechtsoverweging 4.7 van het vonnis waarvan beroep) dat [appellante] zich ervan bewust was dat de grens van een uitgaande concentratie van < 4000 OUE/m3 bij een instroom van maximaal 15.000 odeureenheden per m3 met betrekking tot de ingaande geurconcentratie was opgenomen in de overeenkomst voordat zij deze aanvaardde, aangezien zij die grens heeft besproken met haar adviseur ( [de vennootschap 4] Milieudienst BV). In het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 7 oktober 2015 is op dit punt als verklaring van de heer [medewerker van appellante] namens [appellante] opgenomen:

“De offertes van [geïntimeerde] heb ik ook met [de vennootschap 4] besproken en over de laatste offerte heb ik met [de vennootschap 4] telefonisch contact gehad. Ik heb [de vennootschap 4] voorgehouden dat er in de offerte een geurreductie van 70% werd gegarandeerd bij een ingaande geurconcentratie van 15.000 eenheden en een uitgaande concentratie van minder dan 4.000 eenheden.”

Onder deze omstandigheden kan de stelling van [appellante] dat de inhoud van de overeenkomst niet overeenstemde met haar wil, niet worden aanvaard. In ieder geval heeft te gelden dat door [appellante] onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerde] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat [appellante] uitging van een verkeerde voorstelling van zaken ten aanzien van hetgeen partijen overeenkwamen.

Van belang in dit verband is mede dat de koopovereenkomst is gesloten op 2 augustus 2012, dat de luchtwasser is geïnstalleerd en betaald begin 2013 en dat door [appellante] pas bezwaren tegen de kwalificaties zoals omschreven in de overeenkomst zijn geuit nadat door de Omgevingsdienst Regio [regio] was geconstateerd dat niet aan de vergunningvoorwaarden werd voldaan.

6.10.

Voor de beoordeling is verder van belang dat er naar het oordeel van het hof van uit moet worden gegaan dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst [appellante] wél en [geïntimeerde] niét op de hoogte was van de eisen die van overheidswege zouden worden gesteld op het punt van de maximale uitgaande geuremissie. De koopovereenkomst is tussen partijen gesloten op 2 augustus 2012, terwijl de omgevingsvergunning, met daarin opgenomen de voorwaarden 7.1.1 en 7.1.2, dateert van 21 augustus 2012. Weliswaar waren de voorwaarden 7.1.1 en 7.1.2 ook al opgenomen in de “verklaring van geen bedenkingen” van de provincie d.d. 30 juli 2012, maar [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat zij bekend was met die voorwaarden.

[appellante] verwijst, ten bewijze van haar stelling dat [geïntimeerde] wel degelijk op de hoogte was van die provinciale eisen naar de schriftelijke verklaring van de heer [medewerker van vennootschap 4] van [de vennootschap 4] Milieuadvies BV (processtuk 1.13) maar het hof acht die verklaring onvoldoende concreet om daaraan toereikend bewijs voor de stelling van [appellante] te kunnen ontlenen.

[appellante] verwijst verder naar de aanvraag omgevingsvergunning d.d. 20 november 2011 (processtuk 1.11) maar niet valt in te zien dat dit stuk – dat is opgesteld door [de vennootschap 4] - aantoont dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de overheidswege te stellen eisen.

Ditzelfde geldt voor het rapport [rapport] (productie 14 bij de inleidende dagvaarding) waar [appellante] ook nog naar verwijst; niet valt in te zien dat uit dit rapport (gedateerd 9 oktober 2013) valt af te leiden dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 2 augustus 2012 op de hoogte was van de overheidseisen die aan de geuremissie zouden worden gesteld.

Verder bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] bij het sluiten van de overeenkomst bekend was met de van overheidswege te stellen eisen op het punt van de maximaal toelaatbare geuremissie is door [appellante] niet bijgebracht. Ook ontbreekt een voldoende concreet bewijsaanbod op dit punt. Dit betekent dat de hier bedoelde stelling van [appellante] niet kan worden aanvaard.

6.11.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] , in het licht van het voorgaande, onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat aan haar zijde sprake is geweest van een wilsgebrek bij het sluiten van de overeenkomst ter zake van de luchtwasser.

6.12.

In het licht van het voorgaande kan evenmin worden geconcludeerd dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst iets anders zijn overeengekomen op het punt van de kwalificaties van de luchtwasser dan in de koopovereenkomst is omschreven. Voor de stelling van [appellante] dat partijen wel degelijk iets anders zijn overeengekomen, namelijk een geurreductie van 70% zonder enige beperking en/of de levering van een luchtwasser die zou voldoen aan de eisen die van overheidswege aan de geurreductie zouden worden gesteld, ontbreekt toereikend bewijs, evenals een voldoende concreet bewijsaanbod.

6.13.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat, óók indien wordt uitgegaan van de kwalificaties van de luchtwasser in de opdrachtbevestiging d.d. 2 augustus 2012, [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen, aangezien de geleverde luchtwasser niet bleek te voldoen aan de garantie zoals omschreven in de opdrachtbevestiging d.d. 2 augustus 2012.

6.14.

Het hof overweegt hieromtrent dat ná de inwerkingstelling van de luchtwasser (en aanhoudende klachten van omwonenden) door de Omgevingsdienst Regio [regio] metingen zijn verricht op 11 juli 2013, 4 september 2013 en 19 juni 2014. De rapporten die naar aanleiding van die metingen zijn opgemaakt zijn overgelegd bij processtuk 1.15. Blijkens de metingen van de Omgevingsdienst Regio [regio] bedroeg de gemiddelde ingaande geurconcentratie op de genoemde data respectievelijk 67.000, 41.000 en 44.767 OUE/m3.

Op grond van deze rapporten kan niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen jegens [appellante] , ook in het geval uitgegaan zou moeten worden van de kwalificaties in de opdrachtbevestiging d.d. 2 augustus 2012.

Van belang in dit verband is mede dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat bij een hogere ingaande geurconcentratie dan 15.000 OUE/m3 een geurreductie van 70% om technische redenen niet haalbaar is.

6.15.

[appellante] heeft, ten bewijze van haar stelling zoals hiervoor omschreven onder 6.13 verwezen naar een rapport van de [group] -Group d.d. 30 september 2015 (processtuk 1.14). Dit rapport bevat een samenvatting van alle beschikbare meetrapporten; de resultaten zijn neergelegd in een tabel.

In de tabel worden – wat betreft de metingen van de Omgevingsdienst Regio [regio] - niet alleen de resultaten van de voormelde metingen in 2013 en juni 2014 weergegeven, maar ook meetresultaten uit 2015. Ook zijn de resultaten weergegeven van metingen in 2015 en november 2014 die zijn verricht door [de vennootschap 5] . Naar het oordeel van het hof zijn deze gegevens niet bruikbaar omdat het om metingen gaat die dateren van (meer dan) twee jaar ná de installatie van de luchtwasser, terwijl uit de stellingen van partijen blijkt dat in die twee jaar meerdere wijzigingen, ook door derden, aan de installatie zijn aangebracht.

Bovendien zou volgens de tabel van [group] -Group in het jaar 2015 de uitstroom van geurconcentratie beduidend hoger zijn geweest dan de ingaande geurconcentratie; het lijkt er op dat [group] -Group gemiddelden heeft vergeleken met totalen.

In de tabel van [group] -Group worden ook meetresultaten vermeld van [geïntimeerde] zelf maar onderliggende meetrapporten hiervan ontbreken. Dit laatste geldt ook voor de meetresultaten van [de vennootschap 3] d.d. 21 mei 2013, 24 juli 2013, 24 juli 2013 en 19 juni 2014.

Met betrekking tot de metingen van [de vennootschap 3] op 1 juli 2013, 4 september 2013 en 7 februari 2014 ontbreken de geurconcentraties van de ingaande lucht.

De cijfers in de tabel met betrekking tot de meting van [de vennootschap 3] op 5 augustus 2013 corresponderen niet met de cijfers in het onderliggende rapport (overgelegd bij processtuk 1.15).

Voor de meetresultaten van [de vennootschap 3] d.d. 3 juni 2013 en 1 juli 2014 geldt dat de geurconcentratie van de ingaande lucht niet valt binnen de grenzen zoals vermeld in de overeenkomst.

Al bij al is het hof van oordeel dat het rapport van [group] -Group onvoldoende bewijs oplevert voor de stelling van [appellante] die hiervoor onder 6.13 is weergegeven. Overig bewijs ontbreekt, evenals een voldoende concreet bewijsaanbod op dit punt, hetgeen betekent dat de hier bedoelde stelling van [appellante] niet kan worden aanvaard.

6.16.

[appellante] heeft aan haar vorderingen tot ontbinding van de overeenkomst en vergoeding van schade mede ten grondslag gelegd dat de luchtwasser niet alleen op het punt van de (te beperkte) wascapaciteit, maar ook op een groot aantal andere punten gebreken heeft vertoond. Concreet noemt zij in dit verband:

- verstopte sproeikoppen;

- ondeugdelijke leidingen;

- onvoldoende ventilatie van de bedieningsruimte;

- bolstaande wanden;

- onvoldoende capaciteit van de stutbalken;

- defect aan de Ph omvormer;

- niet goed sluitende deuren;

- niet goed aangelegde doseerleidingen;

- niet goed werkende sensoren;

- problemen met de Ph metingen.

Het hof begrijpt uit de stellingen van [appellante] dat het om gebreken gaat die óf door [geïntimeerde] , óf door [appellante] zelf, óf door derden ( [group] ) zijn opgelost. Namens [appellante] is tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaard dat de installatie inmiddels voldoet.

6.17.

[geïntimeerde] heeft het bestaan van de genoemde gebreken, voor zover deze door haar niet verholpen zijn, betwist. Zij stelt dat met betrekking tot die gebreken geldt dat [appellante] daarover nimmer jegens haar heeft geklaagd; in ieder geval is zij met betrekking tot het niet-verhelpen van die gebreken nimmer in gebreke gesteld.

6.18.

Hieromtrent overweegt het hof dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij [geïntimeerde] heeft aangesproken of in gebreke heeft gesteld met betrekking tot de gebreken die niet door [geïntimeerde] zijn verholpen. Ook op dit punt ontbreekt een toereikend bewijsaanbod.

Voor zover [appellante] bedoeld heeft te stellen dat [geïntimeerde] ook zonder ingebrekestelling in verzuim is komen te verkeren heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd zodat deze stelling reeds om die reden niet kan worden aanvaard.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [appellante] (ook) niet toewijsbaar zijn wegens het bestaan van gebreken die hiervoor onder 6.16 zijn genoemd.

6.19.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen van [appellante] niet toewijsbaar zijn, zodat alle grieven van [appellante] falen. Ook op de in hoger beroep gewijzigde grondslag zijn de vorderingen van [appellante] niet toewijsbaar.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af hetgeen bij wijze van vermeerdering van eis in hoger beroep is gevorderd;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 5.213,- voor griffierecht en op € 4.894,50 voor salaris van de advocaat;

verklaart de voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.

griffier rolraadsheer