Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1087

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
200.181.429_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg koopovereenkomst tussen zakelijke partijen. Haviltex. Eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.429/01

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.J. van Dam te Rotterdam,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.A. Bezema te Groningen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 januari 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/284685 / HA ZA 14-507 gewezen vonnis van 17 juni 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 februari 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties 11 t/m 19;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 10 t/m 14b;

  • -

    de akte uitlating producties van [appellante] (aangeduid als memorie);

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

Met grief I wordt erover geklaagd dat de rechtbank niet mede is uitgegaan van de feiten die [appellante] in haar memorie van grieven heeft opgesomd. Deze grief wordt verworpen. De rechtbank heeft terecht de door [appellante] gestelde feiten niet allemaal relevant geacht voor de beoordeling van het geschil. Het hof gaat hierna wel uit van een aantal door [appellante] gestelde, en door [geïntimeerde] niet betwiste, feiten. Dit kan op zichzelf echter nog niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

Hieronder volgt een samenvatting van de relevante feiten, die als niet of onvoldoende gemotiveerd betwist vaststaan.

a. [geïntimeerde] exploiteert een groothandel in zogeheten Original Equipment Manufacturer (OEM) motoronderdelen.

De OEM motoronderdelen worden geproduceerd door fabrikanten die ook de originele onderdelen produceren voor motoren van bepaalde merken. De OEM onderdelen zijn gelijkwaardig aan de originele merkonderdelen, maar zijn niet voorzien van het originele merk. Daarnaast zijn de OEM onderdelen goedkoper dan de originele merkonderdelen. Verder worden voor de OEM onderdelen andere artikelnummers gebruikt dan voor de originele merkonderdelen.

[appellante] houdt zich bezig met het leveren, repareren en reviseren van scheepsdiesel-motoren, het afbouwen van schepen en het leveren van scheepstoebehoren.

Van het merk [merk] zijn dieselmotoren op de markt onder de serienaam BFM 1015. Er bestaan verschillende motortypes in deze serie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt naar gelang het aantal cilinders en de toepassing van de motor. Zo zijn er BFM 1015 motoren voor ‘Stromerzeugungsaggregate’, ‘Arbeitsmaschinen’ en voor ‘Marineanwendungen’ (zie producties 13 t/m 15 bij memorie van grieven). Verder zijn er zes- en achtcilinder motoren. De achtcilinder motor wordt aangeduid met BF8M 1015. De verschillende uitvoeringen van deze achtcilinder motor worden aangeduid met BF8M 1015 C, BF8M 1015 CP, BF8M 1015 MC en BF8M 1015 M. De uitvoering die wordt aangeduid met de letter M op het eind ziet op de gemariniseerde versie van dit motortype, bestemd voor schepen.

In oktober 2012 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] gevraagd een offerte uit te brengen voor onder meer zuigers ten behoeve van het motortype BF8M 1015 van [merk] . In de offerteaanvraag staat het originele en unieke artikelnummer van [merk] ( 4264355 ) vermeld van de originele zuigers die horen bij de gemariniseerde versie van dit motortype. [appellante] heeft in de aanvraag echter niet de letter M toegevoegd aan het eind van het door haar genoemde motortype BF8M 1015.

[geïntimeerde] heeft bij e-mail van 25 oktober 2012 een offerte aan [appellante] uitgebracht. Hierin is onder meer een prijs geoffreerd voor ‘8 x zuiger compleet’ voor ‘de BF8M1015 motor’.

Vervolgens heeft [appellante] bij e-mail van 26 november 2012 een inkooporder naar [geïntimeerde] gestuurd waarbij zij onder meer 32 zuigers heeft besteld. In de inkooporder staat hierover vermeld:

Aantal Artikelcode Omschrijving

(…)

Hierbij bestellen wij volgens uw offerte

(…)

32.00 4264355

zuiger cpl. BFM1015’

[appellante] had deze zuigers nodig om vier scheepsmotoren van [merk] , met elk acht zuigers, te kunnen reviseren.

i. [geïntimeerde] heeft in december 2012 aan [appellante] onder meer 32 OEM zuigers geleverd, afkomstig van fabrikant [fabrikant] , met artikelnummer KS 94345600. De OEM zuigers met dit artikelnummer stemmen niet overeen met de originele zuigers van [merk] die worden aangeduid met het door [appellante] in de offerteaanvraag en de inkooporder opgegeven artikelnummer 4264355 .

Op 8 januari 2013 is een monteur van [appellante] gestart met het reviseren van de vier scheepsmotoren. Nadat de monteur bij twee motoren de daarin aanwezige zuigers had vervangen door de zuigers die [geïntimeerde] had geleverd en hij doende was met het reviseren van de derde motor, ontdekte de monteur dat de nieuwe zuigers er anders uitzagen dan de oude zuigers. In de nieuwe zuigers zaten, anders dan in de oude zuigers, geen koelkanalen. De nieuwe zuigers waren daardoor niet geschikt voor scheepsmotoren.

Naar aanleiding hiervan hebben partijen een bespreking met elkaar gevoerd. Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 22 februari 2013 alsnog 32 zuigers aan [appellante] geleverd die geschikt zijn voor de het gemariniseerde motortype BF8M 1015 M, en wel de originele- [merk] versie van de zuigers met genoemd artikelnummer 4264355 . [geïntimeerde] leverde deze originele [merk] -versie en niet de daarmee overeenstemmende goedkopere OEM-versie (met artikelnummer KS 94839600), omdat [fabrikant] die zuigers niet op voorraad had en [appellante] onder tijdsdruk stond.

[geïntimeerde] heeft in de periode december 2012 t/m maart 2013 een aantal facturen naar [appellante] gestuurd voor de geleverde motoronderdelen. Daartoe behoren onder meer een factuur van 18 december 2012 ad € 10.233,70 voor (onder meer) de 32 OEM zuigers van [fabrikant] (met toebehoren) die [geïntimeerde] in eerste instantie aan [appellante] heeft geleverd en drie facturen van 21 en 26 februari 2013 en 5 maart 2013 van respectievelijk € 13.164,80, € 3.535,14 en € 46,- (totaal: € 16.745,94) die betrekking hebben op de later geleverde originele zuigers van [merk] (met toebehoren).

[appellante] heeft de facturen, ondanks aanmaningen, tot een bedrag van € 26.088,88 onbetaald gelaten.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie [appellante] te veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 26.088,88, vermeerderd met wettelijke handelsrente.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd (zo begrijpt het hof haar stellingen) dat zij OEM-versies van motoronderdelen heeft verkocht en geleverd aan [appellante] . [geïntimeerde] heeft daarbij de juiste, door [appellante] bestelde zuigers, aan haar geleverd. [appellante] is daarom verplicht de voor de OEM motoronderdelen (waaronder de zuigers) overeengekomen koopprijs aan [geïntimeerde] te betalen. Nu [appellante] bij de bestelling van die onderdelen zelf een fout heeft gemaakt door de letter M niet toe te voegen aan het motortype, betreft de latere levering door [geïntimeerde] van de originele [merk] onderdelen die wel geschikt zijn voor scheepsmotoren, geen herstellevering. [appellante] is daarom verplicht om aan [geïntimeerde] ook de prijs te betalen die zij in rekening heeft gebracht voor de originele [merk] -versie van de onderdelen die zij later aan [appellante] heeft geleverd, aldus [geïntimeerde] .

6.2.3.

[appellante] heeft de vordering van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. [appellante] stelt onder meer, kort samengevat, dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de eind 2012 gesloten koopovereenkomst. [geïntimeerde] heeft een fout gemaakt door niet de (voor de gemariniseerde versie van de motor geschikte) OEM-versie van de zuigers van [fabrikant] aan [appellante] te leveren die overeenstemmen met de originele [merk] -versie van de zuigers met het door [appellante] opgegeven artikelnummer van [merk] . De latere levering van de originele [merk] -versie van de zuigers betreft een herstellevering, omdat [geïntimeerde] daarmee alsnog voldeed aan haar leveringsverplichting uit de koopovereenkomst. [appellante] hoeft daarom, naast de overeengekomen koopprijs voor de OEM zuigers, niet ook nog de (hogere) facturen van € 13.164,80, € 3.535,14 en € 46,- (totaal: € 16.745,94) aan [geïntimeerde] te betalen die betrekking hebben op deze herstellevering.

Volgens [appellante] resteert er daarom een vordering van [geïntimeerde] op [appellante] van € 9.342,94

(€ 26.088,88 minus € 16.745,94). Ter zake daarvan doet [appellante] een beroep op opschorting dan wel verrekening in verband met een tegenvordering die zij op [geïntimeerde] stelt te hebben wegens geleden schade als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde] . Volgens [appellante] bedraagt haar schade in totaal € 39.372,90. Dit bedrag omvat: i) schadeposten van in totaal

€ 22.001,37 en € 625,59 en ii) het totaalbedrag van € 16.745,94 van de drie facturen die [geïntimeerde] naar [appellante] heeft gestuurd in verband met de geleverde originele [merk] zuigers (met toebehoren).

6.2.4.

In reconventie vordert [appellante] , na eiswijziging, betaling door [geïntimeerde] van primair voormeld bedrag € 39.372,90 en subsidiair € 13.284,02, vermeerderd met wettelijke rente. Bij de berekening van dit subsidiaire bedrag gaat [appellante] ervan uit dat in conventie de vordering van [geïntimeerde] van € 26.088,88 volledig wordt afgewezen, doordat i) [appellante] de drie facturen voor de originele [merk] zuigers ad € 16.745,94 niet aan [geïntimeerde] hoeft te betalen en ii) [appellante] haar schadevergoedingsvorderingen van in totaal € 22.626,96 (€ 22.001,37 plus

€ 625,59) kan verrekenen met de restantvordering van [geïntimeerde] van € 9.342,94. Na deze verrekening resteert nog een schadevergoedingsvordering van [appellante] op [geïntimeerde] van

€ 13.284,02 (€ 22.626,96 minus € 9.342,94), aldus [appellante] .

6.2.5.

[geïntimeerde] heeft de vordering van [appellante] gemotiveerd betwist.

6.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] . Op grond daarvan heeft de rechtbank in conventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en in reconventie de vordering van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

6.4.

[appellante] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd, waaronder de hierboven al besproken grief I. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van de vordering van [appellante] .

6.5.

Beide partijen gaan er kennelijk van uit dat tussen hen een koopovereenkomst tot stand is gekomen door de bestelling die [appellante] bij [geïntimeerde] heeft gedaan bij e-mail van

26 november 2012 en de daarbij gevoegde inkooporder en de (stilzwijgende) acceptatie van deze bestelling door [geïntimeerde] . Ook het hof gaat daarvan uit.

6.6.

Het draait in deze zaak om de vraag welke zuigers [geïntimeerde] aan [appellante] moest leveren op grond van de koopovereenkomst. Volgens [geïntimeerde] moest zij OEM zuigers leveren die geschikt zijn voor het motortype BF8M 1015, maar die zuigers hoefden niet geschikt te zijn voor de specifieke, gemariniseerde uitvoering van dit motortype, de scheepsmotor BF8M 1015 M. Daarentegen stelt [appellante] dat [geïntimeerde] OEM zuigers moest leveren die overeenstemmen met de originele [merk] -versie van de zuigers met artikelnummer 4264355 en die dus geschikt zijn voor genoemde scheepsmotor.

6.7.1.

De vraag welke zuigers [geïntimeerde] aan [appellante] moest leveren, moet worden beantwoord door uitleg van de koopovereenkomst. De betekenis van de (omstreden) bepalingen van de koopovereenkomst (zoals vastgelegd in de e-mail van [appellante] van 26 november 2012 en de daarbij behorende inkooporder) moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (Haviltex-maatstaf).

6.7.2.

Het hof neemt bij deze uitleg de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

6.7.3.

Het gaat hier om een overeenkomst tussen twee zakelijke partijen, te weten een groothandel in OEM motoronderdelen ( [geïntimeerde] ) en een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met het reviseren van scheepsmotoren van het merk [merk] ( [appellante] ). [appellante] wist ook dat [geïntimeerde] (in beginsel) niet de originele versies (in dit geval: de [merk] -versies) van onderdelen levert, maar de OEM-versies.

6.7.4.

[appellante] heeft vóór het sluiten van de koopovereenkomst bij [geïntimeerde] een offerte aangevraagd voor zuigers ten behoeve van het motortype BF8M 1015 van [merk] . Weliswaar heeft [appellante] aan het eind van het door haar genoemde motortype niet de letter M toegevoegd, ter aanduiding van het motortype voor schepen. Zij heeft in haar offerteaanvraag echter wel het unieke artikelnummer van [merk] vermeld ( 4264355 ) van de originele [merk] -versie van de zuigers die zijn bestemd voor de scheepsmotor BF8M 1015 M.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een offerte uitgebracht voor onderdelen ‘voor de BF8M1015 motor’.

In de inkooporder die [appellante] daarna naar [geïntimeerde] heeft gestuurd, heeft [geïntimeerde] wederom bedoeld artikelnummer van [merk] vermeld voor de zuigers die zijn bestemd voor de scheepsmotor BF8M 1015 M. In de omschrijving die na dit artikelnummer volgt heeft [appellante] het motortype BFM 1015 genoemd (overigens zonder vermelding van het cijfer 8), echter weer zonder toevoeging van de letter M aan het eind.

6.7.5.

Nu [appellante] in haar offerteaanvraag en haar inkooporder het betreffende artikelnummer van [merk] heeft vermeld van de zuigers die horen bij de scheepsmotor BF8M 1015 M, is het hof van oordeel dat [appellante] in redelijkheid van [geïntimeerde] als professioneel leverancier van OEM motoronderdelen mocht verwachten dat zij dit artikelnummer zou omnummeren naar het daarmee overeenstemmende artikelnummer van de OEM-versie. Daarbij mocht [appellante] in redelijkheid verwachten dat [geïntimeerde] niet alleen zou afgaan op het door [appellante] genoemde motortype BF8M 1015 (in de offerteaanvraag) of BFM 1015 (in de inkooporder), maar ook acht zou slaan op het door haar eveneens genoemde specifieke artikelnummer van de originele [merk] -versie van de zuigers. Het hof betrekt hierbij dat [appellante] in hoger beroep onbetwist heeft gesteld, onder meer onder overlegging van een brief van een deskundige (expert [deskundige] ), dat:

  • -

    het motortype BFM 1015 van [merk] onvoldoende onderscheidend is om de daarvoor geschikte zuigers te bepalen;

  • -

    voor dit motortype vier verschillende zuigers zijn te bestellen;

  • -

    er van dit type motoren zijn met en zonder zuigerkoeling;

  • -

    er verschillende BFM 1015 motoren zijn, alle met een toevoeging van een of meer letters, en ook nog eens met een verschillend cilinderaantal (zo kent het motortype met acht cilinders verschillende specifieke motoren zoals de BF8M 1015 C, de BF8M 1015 CP, de BF8M 1015 MC en de BF8M 1015 M);

  • -

    een BFM 1015 motor (of BF8M 1015 motor) zonder toevoeging van een of meer letters, niet bestaat.

Het hof merkt hierbij op dat [geïntimeerde] in eerste aanleg nog stelde dat alleen voor het M-type van de BFM 1015 motor andere zuigers nodig zijn, en dat voor alle andere types van de BFM 1015 motor de zuigers en andere onderdelen standaard zijn. Volgens [geïntimeerde] maakte het daarom niet uit welk type van de BFM 1015 motor [appellante] precies bedoelde (zie de verklaring van de directeur van [geïntimeerde] tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg). In hoger beroep heeft [geïntimeerde] deze stellingen echter kennelijk laten varen, althans zij heeft die stellingen onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd in het licht van bovenstaande, als onbetwist vaststaande stellingen van [appellante] en de daaraan door [appellante] verbonden conclusie (zie mvg, nr. 35) dat er geen sprake is van standaardonderdelen voor een BF8M 1015 motor, omdat voor dit type motor vier variaties met vier verschillende zuigers bestaan. Het hof gaat er daarom van uit dat de zuigers voor geen van de types van de BF8M 1015 motor als standaard kunnen worden beschouwd. Steeds is een nadere aanduiding voor de uitvoering van de motor vereist om het juiste type zuiger te kunnen bepalen.

Het hof gaat voorts uit van de juistheid van de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] , gezien het bovenstaande, niet alleen aan de hand van het door [appellante] opgegeven motortype BF8M 1015 of BFM 1015 kan bepalen welke zuigers daarvoor nodig zijn; om de juiste OEM-versie van de zuigers te kunnen bepalen, heeft [geïntimeerde] het artikelnummer van [merk] van de originele zuigers nodig of een nadere aanduiding van de uitvoering van de motor in de vorm van een lettercode.

[geïntimeerde] heeft hier nog tegenin gebracht dat zij op basis van het door [appellante] opgegeven motortype BF8M 1015 wel heeft kunnen komen tot het aanbieden van een zuiger aan [appellante] , maar, zoals hierna zal blijken, snijdt dit verweer geen hout.

[geïntimeerde] stelt in dit verband, samengevat, dat zij met een systeem werkt (door haar genoemd: Verkoop Informatie Systeem) waarin zij gegevens opslaat over producten die zij aan klanten heeft geleverd. Het vullen van dit systeem gebeurt deels op basis van ‘ervaringsgegevens’ die zijn verkregen door specifieke bestellingen. Ook worden soms productgegevens van een fabrikant verkregen die in het systeem worden opgenomen. In het systeem staan geen artikelnummers van [merk] , omdat [geïntimeerde] geen leverancier is van de [merk] -versies van de motoronderdelen. Op basis van het door [appellante] genoemde motortype BF8M 1015 heeft [geïntimeerde] een zuiger in haar systeem gevonden, die zij vervolgens heeft geoffreerd en geleverd aan [appellante] . Indien [appellante] de letter M had toegevoegd aan het door haar genoemde motortype, dan zou het [geïntimeerde] meteen duidelijk zijn geweest dat het om zuigers voor een scheepsmotor ging. Nu die letter M ontbrak, had [geïntimeerde] geen reden om te vermoeden dat het ging om zuigers voor een scheepsmotor die extra koeling behoeven. Bovendien zou de toevoeging van de letter M aan het motortype, maar bijvoorbeeld ook de toevoeging van de letters C of CP, voor [geïntimeerde] direct aanleiding zijn geweest om nader onderzoek te doen naar de betekenis van die aanduiding, omdat in het systeem van [geïntimeerde] bij het motortype BF8M 1015 geen aanduiding stond, aldus nog steeds [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt voorts dat haar niet kan worden verweten dat er meerdere uitvoeringen bestaan van de achtcilinder motor van [merk] van het type BFM 1015. [geïntimeerde] wist niet van het bestaan van die verschillende uitvoeringen en zij had op basis van haar eigen verkoopsysteem geen enkele aanleiding om te zoeken naar een andere dan de geoffreerde zuiger. Die aanleiding zou zij wel hebben gehad als [appellante] de letter M achter het genoemde motortype had gezet. In dat geval zou [geïntimeerde] namelijk geen ‘match’ hebben gevonden in haar systeem, dit alles aldus [geïntimeerde] .

Dit verweer [geïntimeerde] gaat niet op. Zoals [appellante] onbetwist heeft gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat ofwel het beweerdelijke informatiesysteem van [geïntimeerde] gebrekkig is ofwel zij dit systeem onjuist heeft toegepast. Het moge zo zijn dat het door [appellante] opgegeven motortype BF8M 1015 een ‘match’ opleverde in het informatiesysteem van [geïntimeerde] en dat zij daarbij een zuiger vond in haar systeem, maar vaststaat (zie hierboven) dat deze motor op zichzelf niet bestaat zonder de toevoeging van één of meer letters, terwijl er bovendien voor dit motortype al naar gelang de uitvoering vier verschillende zuigers bestaan. Aan de hand van enkel dit motortype, kon [geïntimeerde] dus niet met zekerheid bepalen welke zuigers [appellante] wilde kopen. Door desondanks zonder meer de in haar systeem gevonden zuiger aan [appellante] te offreren en te leveren, heeft [geïntimeerde] zelf het risico in het leven geroepen dat zij aan [appellante] niet de zuigers zou leveren die [appellante] wilde kopen, welk risico zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Naar het oordeel van het hof mocht [appellante] in redelijkheid van [geïntimeerde] als professioneel leverancier van OEM motoronderdelen verwachten dat zij nauwkeurig zou bepalen welke OEM zuigers [appellante] op het oog had, corresponderend met de originele [merk] -versie van de zuigers. [appellante] mocht ervan uitgaan dat [geïntimeerde] daarbij als professional een deugdelijk en sluitend systeem zou hanteren, en niet (alleen) het onderhavige informatiesysteem dat kennelijk is gevuld met onvolledige informatie en daardoor gebrekkig is. Het verweer van [geïntimeerde] dat zij niet wist dat er verschillende uitvoeringen van de achtcilinder BFM 1015 motor waren, kan dan ook niet opgaan. Al met al is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] niet mocht afgaan op enkel het door [appellante] genoemde motortype BF8M 1015, dat op zichzelf zonder toevoeging van één of meer letters niet bestaat, en op de toevallige ‘match’ in haar informatiesysteem, met voorbij gaan aan het door [appellante] eveneens genoemde unieke artikelnummer van de originele [merk] -versie van de zuigers. Overigens merkt het hof hierbij nog op dat de directeur van [geïntimeerde] tijdens de comparitie in eerste aanleg zelf heeft verklaard dat [geïntimeerde] ook op artikelnummers kan zoeken. Het hof gaat er dan ook van uit dat [geïntimeerde] ook aan de hand van het door [appellante] genoemde [merk] -artikelnummer had kunnen bepalen welke OEM-zuigers daarmee overeenstemmen. Mocht dit al anders zijn en het voor [geïntimeerde] niet duidelijk zijn geweest welke zuigers [appellante] precies bedoelde, dan had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om hierover navraag te doen bij [appellante] . [geïntimeerde] heeft dat echter niet gedaan.

6.7.6.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] op grond van de koopovereenkomst 32 zuigers aan [appellante] moest leveren die geschikt zijn voor de scheepsmotor BF8M 1015 M. [geïntimeerde] schoot dus tekort in de nakoming van haar leveringsverplichting, toen zij in december 2012 aan [appellante] 32 zuigers leverde die niet geschikt waren voor die motor.

Gelet hierop slaagt grief II en slaagt grief III gedeeltelijk.

6.8.

Het feit dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichting door aan [appellante] eerst 32 zuigers te leveren die niet geschikt zijn voor de scheepsmotor BF8M 1015 M, betekent dat de tweede levering aan [appellante] van 32 zuigers van [merk] die wel geschikt zijn voor die motor, dient te worden beschouwd als een herstellevering waarmee [geïntimeerde] alsnog aan haar leveringsverplichting voldeed. [appellante] is dan ook niet verplicht om de daarmee gemoeide extra kosten van € 16.745,94 aan [geïntimeerde] te betalen. In zoverre dient de vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen. Ook grief VI slaagt daarom.

6.9.

Dan resteert nog een vordering van [geïntimeerde] op [appellante] van € 9.342,94 in hoofdsom

(€ 26.088,88 minus € 16.745,94). [appellante] betwist op zichzelf niet dat zij dit bedrag aan [geïntimeerde] is verschuldigd, zodat dit vast staat. [appellante] doet echter een beroep op opschorting dan wel verrekening met een tegenvordering wegens geleden schade van, voor zover nu nog van belang, € 22.626,96 (€ 39.372,90 minus de hiervoor afgewezen vordering van [geïntimeerde] ad € 16.745,94).

6.10.

Bij de beoordeling van het beroep op opschorting en verrekening is van belang dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij op grond van een in haar algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [appellante] stelt te hebben geleden. [appellante] heeft echter betwist dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat het exoneratiebeding niet ziet op de door haar geleden schade. [geïntimeerde] heeft een en ander betwist.

6.11.

Ook indien [geïntimeerde] het exoneratiebeding niet zou kunnen tegenwerpen aan [appellante] (doordat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] niet van toepassing zouden zijn of doordat het exoneratiebeding geen betrekking zou hebben op de gestelde schade van [appellante] ), heeft te gelden dat het beroep van [appellante] op opschorting en verrekening niet opgaat. Het hof is immers van oordeel dat – wat er verder ook zij van de schade die [appellante] stelt te hebben geleden door de tekortkoming van [geïntimeerde] – die schade op grond van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek volledig voor rekening van [appellante] blijft wegens eigen schuld. Het door [geïntimeerde] kennelijk gedane beroep op eigen schuld van [appellante] , slaagt dus. Het hof overweegt daartoe het volgende.

6.12.1.

Na ontvangst van de door [geïntimeerde] geleverde zuigers, heeft [appellante] niet gecontroleerd of zij de juiste zuigers had ontvangen die geschikt zijn voor scheepsmotoren, zo staat als onbetwist vast. Ook de door [appellante] ingeschakelde monteur heeft dit niet gecontroleerd voordat hij de zuigers ging monteren in de scheepsmotoren.

Het hof is echter van oordeel dat het wel op de weg van [appellante] had gelegen – als professioneel revisiebedrijf van onder meer scheepsmotoren van [merk] – om, uiterlijk voordat zij de door [geïntimeerde] geleverde zuigers liet monteren, via een visuele inspectie van de zuigers te (laten) controleren of de juiste zuigers waren geleverd die konden worden ingebouwd in scheepsmotoren van [merk] . Voor deze controle was des te meer aanleiding, nu [appellante] geen originele zuigers van [merk] had besteld en [appellante] bovendien wist dat voor de scheepsmotoren speciale zuigers met koelkanalen nodig waren.

6.12.2.

Bij het voorgaande verwerpt het hof de stellingen van [appellante] dat tussen partijen geen controleprocedure was overeengekomen en dat [appellante] er niet op bedacht hoefde te zijn dat [geïntimeerde] niet de met het opgegeven artikelnummer van [merk] overeenstemmende zuigers zou leveren. Dit doet er naar het oordeel van het hof immers niet aan af dat van [appellante] als professioneel revisiebedrijf mocht worden verwacht dat zij zou (laten) contoleren of de juiste zuigers waren geleverd en of die dus wel geschikt waren om te worden ingebouwd in scheepsmotoren, voordat tot die inbouw werd overgegaan.

Verder kan aan het voorgaande niet afdoen de stelling van [appellante] dat zij bij ontvangst van de door [geïntimeerde] geleverde zuigers de artikelnummers van [fabrikant] niet kon verifiëren, omdat [appellante] die nummers niet kent. Dat [appellante] die artikelnummers niet kent, staat immers niet in de weg aan een visuele inspectie van de zuigers zelf.

6.12.3.

Als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat, indien de door [appellante] ingeschakelde monteur de geleverde zuigers wèl aan een visuele inspectie had onderworpen voordat hij die ging monteren in de scheepsmotoren, het hem zou zijn opgevallen of had moeten opvallen dat die zuigers geen koelkanalen hadden, dit in tegenstelling tot de uit de motoren te verwijderen en te vervangen zuigers. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat dit verschil de monteur bij het reviseren van de derde scheepsmotor is opgevallen, zodat niet valt in te zien waarom het de monteur niet had kunnen opvallen voorafgaand aan de revisie van de eerste motor. Voorts is van belang dat uit het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg blijkt dat de directeur van [geïntimeerde] tijdens die zitting de zuigers aan de rechtbank heeft getoond die geschikt zijn voor scheepsmotoren. Daarbij heeft hij onder meer verklaard dat de koelkanalen in die zuigers als gaten duidelijk zichtbaar zijn. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting zelf waargenomen dat de gaten duidelijk aanwezig zijn in de juiste zuigers, zo blijkt uit rov. 3.6.2 van het bestreden vonnis. Nu [appellante] deze in het vonnis weergegeven waarneming van de rechtbank niet heeft bestreden in haar toelichting op grief III, gaat het hof uit van de juistheid daarvan.

6.12.4.

Bij het voorgaande verwerpt het hof het door [appellante] gevoerde verweer dat voor het monteren van de zuigers niet naar de zuigerkoeling hoeft te worden gekeken, en wel om de volgende redenen.

6.12.5.

[appellante] heeft in dit verband gesteld dat de zuigers worden gemonteerd aan de hand van een pijl aan de bovenkant van de zuigers, die aangeeft hoe de zuigers moeten worden gemonteerd. Volgens [appellante] hoefde de monteur daarom niet naar de onderkant van de zuigers te kijken, waar al dan niet een gat voor zuigerkoeling zit. Het valt de monteur daarom niet te verwijten dat hij niet heeft gezien dat in de door [geïntimeerde] geleverde zuigers geen gat voor zuigerkoeling aanwezig was, aldus [appellante] .

6.12.6.

Daartegenover heeft [geïntimeerde] gesteld dat het klopt dat er bovenop de zuiger staat aangegeven in welke richting de gaten voor de in- en uitlaatzijde moeten worden gemonteerd. Die aanduiding zegt echter niets over de vraag of de zuiger wel de juiste zuiger is. De aanduiding is alleen bedoeld om te voorkomen dat de monteur de in- en uitlaatzijde verwisselt, aldus [geïntimeerde] .

6.12.7.

Het hof is van oordeel dat het feit dat de zuigers op een bepaalde wijze moeten worden gemonteerd om te voorkomen dat de in- en uitlaatzijde van de zuigers wordt verwisseld, niet betekent dat van [appellante] geen visuele inspectie van de zuigers kon worden verlangd teneinde vast te stellen of de zuigers wel geschikt waren om te worden gemonteerd in scheepsmotoren. Het verweer dat [appellante] op dit punt heeft gevoerd, gaat dan ook niet op.

6.12.8.

De conclusie luidt dat het op de weg van [appellante] had gelegen om, vóór de montage van de geleverde zuigers, via een visuele inspectie na te (laten) gaan of de juiste zuigers waren geleverd die geschikt zijn voor montage in scheepsmotoren. [appellante] heeft die inspectie echter niet uitgevoerd of laten uitvoeren. Dit, terwijl (zo staat als onbetwist vast) zij hiervoor ruimschoots de tijd had, nu de zuigers in december 2012 zijn geleverd en [appellante] op 8 januari 2013 is begonnen met het reviseren van de scheepsmotoren.

Doordat die inspectie niet is uitgevoerd, zijn in twee scheepsmotoren de verkeerde zuigers gemonteerd en heeft de monteur van [appellante] pas later bij het reviseren van de derde motor ontdekt dat de zuigers geen koelkanalen hadden.

Als [appellante] de zuigers wèl tijdig zou hebben gecontroleerd of laten controleren, dan zou het [appellante] of haar monteur zijn opgevallen of moeten opvallen dat de geleverde zuigers niet over de vereiste koelkanalen beschikten. In dat geval had [appellante] kunnen en moeten voorkomen dat de verkeerde zuigers in de scheepsmotoren zouden worden gemonteerd. Verder houdt het hof het ervoor dat, nu het tegendeel niet is aangevoerd, [geïntimeerde] dan alsnog voor tijdige levering van de juiste zuigers had kunnen zorgen. Aldus zou de door [appellante] gestelde schade als gevolg van de levering van de verkeerde zuigers, niet zijn ingetreden.

6.12.9.

Het voorgaande betekent dat de gestelde schade van [appellante] in hoofdzaak het gevolg is van een omstandigheid die aan haar kan worden toegerekend. Nu de schade volledig door [appellante] voorkomen had kunnen en moeten worden, ziet het hof hierin aanleiding om de schadevergoedingsplicht van [geïntimeerde] op de voet van artikel 6:101 BW te verminderen tot nihil. Feiten of omstandigheden die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat de billijkheid een andere uitkomst eist, wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere relevante omstandigheden, zijn gesteld noch gebleken.

Gelet hierop slaagt het beroep van [geïntimeerde] op eigen schuld van [appellante] , terwijl grief III voor het overige faalt.

6.13.

Nu de vermeende schade van [appellante] geheel voor haar eigen rekening blijft en zij dus geen tegenvordering op [geïntimeerde] heeft, gaat het beroep op opschorting en verrekening niet op. Grief IV faalt daarom. Dat betekent dat de restantvordering van [geïntimeerde] ad € 9.342,94 toewijsbaar is. Verder betekent dit dat de reconventionele vordering van [appellante] niet toewijsbaar is. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank deze vordering terecht heeft afgewezen (zij het op andere gronden) en [appellante] terecht heeft veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

6.14.

Met grief V heeft [appellante] nog het oordeel van de rechtbank bestreden dat [geïntimeerde] de door [appellante] teruggestuurde zuigers van [fabrikant] niet meer kan verkopen. Of deze teruggestuurde zuigers nog verkoopbaar zijn is echter niet meer relevant, omdat [appellante] uiteindelijk geschikte zuigers geleverd heeft gekregen en in hoger beroep is komen vast te staan dat zij ter zake daarvan niet méér aan [geïntimeerde] hoeft te betalen dan de daarvoor overeengekomen koopprijs. Grief V behoeft daarom verder geen beoordeling.

6.15.

Grief VII heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

6.16.

Op grond van het bovenstaande zal het hof het bestreden vonnis van de rechtbank vernietigen, voor zover dit vonnis is gewezen in conventie.

Opnieuw rechtdoende zal het hof [appellante] veroordelen om € 9.342,94 aan [geïntimeerde] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 11 mei 2013 tot de dag der voldoening. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat grief VII formeel weliswaar mede is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke handelsrente vanaf genoemde datum toewijsbaar is, maar dat de toelichting op deze grief op dit punt geen klacht bevat. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

De vordering van [geïntimeerde] ad € 26.088,88 zal voor het overige, dus voor een bedrag van

€ 16.745,86, alsnog worden afgewezen.

Het hof zal de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in conventie alsnog tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De uitkomst van het hoger beroep is immers dat partijen in conventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

Het hof zal het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigen, voor zover dit vonnis is gewezen in reconventie.

6.17.

Nu partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.18.

[appellante] heeft nog gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellante] terug te betalen hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis van aan [geïntimeerde] heeft betaald, te weten

€ 33.932,86, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling (zijnde 25 juni 2015) tot de dag van algehele terugbetaling. Deze vordering zal worden toegewezen voor zover [appellante] uit hoofde van het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, meer aan [geïntimeerde] heeft betaald dan zij op grond van dit arrest dient te betalen.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juni 2015, voor zover gewezen in conventie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 9.342,94, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 11 mei 2013 tot de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in reconventie;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] terug te betalen al hetgeen [appellante] uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, meer aan [geïntimeerde] heeft betaald dan [appellante] op grond van dit arrest aan [geïntimeerde] dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit meerdere vanaf de dag van betaling (zijnde 25 juni 2015) tot aan de dag van terugbetaling;

verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, W.J.J. Beurskens en H.R. Quint en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.

griffier rolraadsheer