Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
20-001935-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. Vrijspraak van (het feitelijk leidinggeven aan) accijnsfraude. Juridisch toetsingskader voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen. Veroordeling voor het valselijk opmaken van administratieve geleidedocumenten (AGD's) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van € 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het onderzoek van de FIOD is van de premisse uitgegaan dat aan alle AGD's fysieke goederenstromen ten grondslag hebben gelegen en dat deze goederen naar Nederland zijn vervoerd en daarmee in Nederland voorhanden zijn geweest. Daar kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan, temeer nu veel van de AGD's valselijk zijn opgemaakt. Slechts kan worden bewezen dat de B.V. op 9 december 2009 onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad. Het bewijs schiet echter tekort om te kunnen concluderen dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven of dat hijzelf de feitelijke beschikkingsmacht over die goederen had. Volgt vrijspraak van hetgeen onder de feiten 1 primair, 1 subsidiair en 3 aan de verdachte ten laste is gelegd.

Omdat de rol van de verdachte ten aanzien van de B.V. niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de B.V. medeplegen van het valselijk opmaken van AGD's. Volgt vrijspraak van feit 2 primair.

Wel wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte samen met één of meer anderen AGD's valselijk heeft opgemaakt teneinde accijnsgoederen (te weten bier) in de verbruikssfeer te laten komen zonder dat daarover accijns zou worden geheven. Daarmee heeft hij een niet te onderschatten bijdrage geleverd aan het mogelijk maken en in stand houden van een grootschalige accijnsfraude op Europees niveau. Veroordeling voor feit 2 subsidiair.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 97
Wet op de accijns 5
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/557
V-N 2018/30.9 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 13-03-2018
FutD 2018-0764
NTFR 2018/706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001935-13

Uitspraak : 13 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 7 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 04-993002-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum in het jaar] 1954,

wonende te [woonplaats] (Duitsland), [woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 4 aan hem ten laste is gelegd (kortweg: (mede)plegen van valsheid in geschrift met betrekking tot een administratief geleidedocument, hierna: AGD).

De rechtbank heeft het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:

- ‘medeplegen van feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon’ (feit 1 primair);
- ‘medeplegen van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon’ (feit 2 primair) en
- ‘medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd’ (feit 3),

de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde bepleit, aangezien in de visie van de verdediging niet kan worden bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de accijnsfraude. Voor de overige ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 4 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift. Dit feit heeft betrekking op een administratief geleidedocument inzake de overbrenging c.q. levering van wodka aan [Engelse vennootschap 1] Ltd. te Barking Essex in het Verenigd Koninkrijk.

Tegen het vonnis is bij appelakte van 13 juni 2013 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het medeplegen van valsheid in geschrift, zoals onder 4 feit aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste is gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

1.
[vennootschap N] B.V., verder te noemen de B.V., op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 oktober 2009 tot en met 18 december 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten bier en/of wijn en/of overige c.q. andere alcoholhoudende producten, waaronder wodka, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a., b. en d. van de Wet op de accijns (D-001, D-251 en D-004), voorhanden heeft/hebben gehad, dat/die (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van voornoemde wet in de heffing was/waren betrokken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 oktober 2009 tot en met 18 december 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [vennootschap N] B.V. en één of meer (andere) (rechts)perso(o)n(en), (telkens) opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten bier en/of wijn en/of overige c.q. andere alcoholhoudende producten, waaronder wodka, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a., b. en d. van de Wet op de accijns (D-001, D-251 en D-004), voorhanden heeft/hebben gehad, dat/die (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van voornoemde wet in de heffing was/waren betrokken;


2.
[vennootschap N] B.V., verder te noemen de B.V., in of omstreeks de periode van 30 oktober 2009 tot en met 5 november 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, 10, althans één of meer Administratief Geleidedocument(en) (AGD's) (D-259 en/of D-008/D-261 en/of D-263 en/of D-010/D-265 en/of D-267 en/of D-269 en/of D-271 en/of D-273 en/of D-275 en/of D-277), (elk) zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op die AGD's voornoemd, welke (telkens) betrekking had(den) op de overbrenging/levering van bier en volgens opdruk (telkens) afkomstig was/waren van [vennootschap N] B.V. te Venlo, (telkens) als geadresseerde en/of plaats van levering vermeld: [Portugese vennootschap LDA] (Portugal), terwijl de op voornoemde AGD's vermelde goederen in werkelijkheid werden overgebracht naar en/of geleverd aan [Engelse vennootschap 2] in Groot-Brittannië en/of één of meer andere afnemer(s), zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2009 tot en met 5 november 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [vennootschap N] B.V. en/of één of meer (andere) (rechts)perso(o)n(en), meermalen, althans eenmaal, 10, althans één of meer administratief geleidedocument(en) (AGD's) (D-259 en/of D-008/D-261 en/of D-263 en/of D-010/D-265 en/of D-267 en/of D-269 en/of D-271 en/of D-273 en/of D-275 en/of D-277), (elk) zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op die AGD's voornoemd, welke (telkens) betrekking had(den) op de overbrenging/levering van bier en volgens opdruk (telkens) afkomstig was/waren van [vennootschap N] B.V. te Venlo, (telkens) als geadresseerde en/of plaats van levering vermeld: [Portugese vennootschap LDA] (Portugal), terwijl de op voornoemde AGD's vermelde goederen in werkelijkheid werden overgebracht naar en/of geleverd aan [Engelse vennootschap 2] in Groot-Brittannië en/of één of meer andere afnemer(s), zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 juni 2009 tot en met 18 december 2009 in de gemeente(n) Venlo en/of Maastricht en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten bier en/of wijn en/of andere alcoholhoudende producten, waaronder wodka, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a., b. en d. van de Wet op de accijns (D-096 t/m D-098, D-089 en D-004), voorhanden heeft/hebben gehad, dat/die (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de voornoemde wet in de heffing was/waren betrokken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 3

A.

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 1 primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het door [vennootschap N] B.V. en anderen opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

Onder de feiten 1 subsidiair en 3 is telkens aan de verdachte ten laste gelegd dat hijzelf (niet als feitelijk leidinggevende) tezamen en in vereniging met [vennootschap N] B.V. of andere (rechts)personen accijnsgoederen, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken, opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Het hof ziet zich bij de beoordeling of de verdachte het onder de feiten 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan allereerst mede voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [vennootschap N] B.V. en/of de verdachte in Nederland accijnsgoederen voorhanden hebben gehad.

B.

De tenlastelegging is toegesneden op overtreding van artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns. De in deze tenlastelegging voorkomende bewoordingen ‘opzettelijk (een) accijnsgoed(eren) (…) voorhanden heeft/hebben gehad dat/die (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken’ moeten daarom worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis die daaraan in deze bepaling van de Wet op de accijns is toegekend.1

Het hof stelt voorop dat van een dergelijk voorhanden hebben sprake is als een (rechts)persoon de feitelijke beschikkingsmacht heeft over in Nederland onveraccijnsde goederen. Dat is zo als:

- de persoon de hoedanigheid van de goederen kent, en

- deze daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen, en

- deze persoon tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.2

[vennootschap N] B.V. mocht als geregistreerd bedrijf onder schorsing van accijns accijnsgoederen ontvangen. Bij ontvangst van die goederen is ex artikel 2a, eerste lid (oud), van de Wet op de accijns sprake van uitslag. Daarmee wordt accijns verschuldigd. Verschuldigde accijns dient op aangifte te worden voldaan.

Als accijns in Nederland verschuldigd is geworden en die accijns wordt niet (tijdig) voldaan, terwijl de betrokkene op het moment van het voorhanden kreeg wist of redelijkerwijs kon weten dat een ander diens verplichting de accijns op aangifte te voldoen niet zou nakomen, dan is sprake van een ‘niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken’ in vorenbedoelde zin.3

C.

In het overzichtsproces-verbaal (p. 8) wordt een modus operandi van accijnsfraude als volgt omschreven.4

Vanuit het Verenigd Koninkrijk worden de accijnsgoederen onder dekking van een AGD vervoerd naar Frankrijk of een andere EU-lidstaat, zoals Duitsland, Letland of België. Aldaar maakt men een nieuw AGD op met als bestemming Nederland. In Nederland maakt men een nieuw AGD op met als adressant de eerste verzender in het Verenigd Koninkrijk. Indien de goederen bij binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk door de douane worden gecontroleerd, dan worden deze accijnsgoederen weer opgenomen in de voorraad van de eerste verzender. Het is ook mogelijk dat de douane geen controle uitvoert. In een dergelijk geval brengt men de accijnsgoederen zonder betaling van accijns in het Verenigd Koninkrijk in de handel. Het in Nederland opgemaakte AGD wordt alsdan vernietigd en vervangen door een ander valselijk opgemaakt AGD, welk document is gericht aan een onderneming in een andere EU-lidstaat met een lager accijnstarief, zoals Portugal, Spanje of Roemenië. In het lager tariefland wordt vervolgens, op naam van de aldaar gevestigde onderneming (die doorgaans van niets weet), het valselijk opgemaakte AGD in het betreffende land in strijd met de waarheid afgetekend of afgestempeld en vervolgens teruggestuurd naar Nederland. Dat laatstbedoelde AGD wordt uiteindelijk, ten bewijze van aankomst in het lager tariefland, in de administratie van de verzender opgenomen. Door deze papieren schijnwerkelijkheid lijkt het of de accijnsplicht van de verzender is overgegaan naar de geadresseerde vergunninghouder in het lager tariefland.

Op voormelde wijze zijn de accijnsgoederen daadwerkelijk zonder betaling van de hoge accijns in het Verenigd Koninkrijk afgezet, terwijl volgens de papieren werkelijkheid de accijnsgoederen zijn vervoerd naar Portugal, Spanje, Roemenië of een andere EU-lidstaat met lagere accijnstarieven.

D.

Voor een bewezenverklaring van het onder de feiten 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde is het een constitutief vereiste dat de onveraccijnsde goederen, die aan de valselijk opgemaakte AGD’s ten grondslag liggen, daadwerkelijk in Nederland zijn geweest. Immers, voor het tenlastegelegde ‘voorhanden hebben’ van deze goederen moet kunnen worden vastgesteld dat [vennootschap N] B.V. en/of de verdachte over die goederen in Nederland de feitelijke beschikkingsmacht hadden.

Het hof overweegt ter zake van de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde goederen als volgt.

D.1 Het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door [vennootschap N] B.V.

Het onderzoek door de FIOD is van de premisse uitgegaan dat de op de AGD’s vermelde goederen ook daadwerkelijk telkens naar Venlo, althans naar Nederland, zouden zijn vervoerd. Echter, veel van AGD’s zijn valselijk opgemaakt, zoals hierna onder ‘Bewijsoverwegingen feit 2 subsidiair’ zal worden overwogen. Er was dus minstgenomen voor een gedeelte sprake van een papieren werkelijkheid. Daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat aan alle AGD’s fysieke goederenstromen ten grondslag hebben gelegen en dat deze goederen naar Nederland zijn vervoerd en daarmee in Nederland voorhanden zijn geweest.

Voor wat betreft de levering van accijnsgoederen in Nederland is het volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen.

Van 24 januari 2005 tot 22 mei 2009 was medeverdachte [medeverdachte 1] directeur van [vennootschap N] B.V. Vanaf laatstgenoemde datum stond medeverdachte [medeverdachte 2] als enig aandeelhouder en bestuurder ingeschreven.5 [vennootschap N] B.V. hield kantoor aan de [kantooradres] en huurde aan de [opslagadres 1] te Venlo een grote opslagruimte, een zogenaamde Storagebox.6 Voorts beschikte [vennootschap N] B.V. aan de [opslagadres 2] te Venlo over een opslagruimte bij [expediteur] B.V.

Getuige [getuige 1] is op 9 december 2009 als getuige gehoord door opsporingsambtenaren van de FIOD. [getuige 1] huurde eveneens een Storagebox aan de [opslagadres 1] te Venlo. Hij verklaarde dat hij een paar weken geleden aan Italianen zijn heftruck had uitgeleend en dat hij een paar keer geholpen heeft met het lossen van vrachtauto’s. Het betrof vrachtauto’s met Duitse, Franse en Engelse kentekens. Er werd bier gelost, maar ook wijn en wodka. Soms werden de goederen van de ene op de andere vrachtauto overgeladen. Als goederen werden opgeslagen in de loods, dan was dat voor hooguit twee dagen, aldus de getuige. De mensen die erbij betrokken waren spraken Italiaans. De loods stond ook vaak leeg.7

De douane heeft op 9 december 2009 bij een controle op de naleving van de Wet op de accijns bij transportbedrijf [expediteur] te Venlo een partij wijn in beslag genomen. Het betrof een partij wijn van [vennootschap N] B.V. die aldaar was opgeslagen. Een lege vrachtwagen stond met de deuren open aan de losramp.8

Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande genoegzaam gebleken dat [vennootschap N] B.V. ten minste op één of meer momenten in de periode van 30 oktober 2009 tot en met 9 december 2009, in het bijzonder op 9 december 2009, onveraccijnsde goederen in Nederland voorhanden heeft gehad.

D.2 De rol van de verdachte bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen

De vervolgvraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of de verdachte een rol heeft gespeeld bij het goederentransport c.q. de opslag en zo ja, of die rol kan worden aangemerkt als die van feitelijk leidinggevende aan het voorhanden hebben van de accijnsgoederen door [vennootschap N] B.V., zoals aan hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Indien zulks niet kan worden vastgesteld, resteert de vraag of de verdachte deze onveraccijnsde goederen zelf (tezamen met anderen) voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 1 subsidiair aan hem ten laste is gelegd.

Het hof is van oordeel dat deze twee vragen zich lenen voor een gezamenlijke bespreking.

Op grond van het procesdossier kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte enkel in verband kan worden gebracht met één goederentransport van [vennootschap N] B.V. De verdachte was namelijk aanwezig toen op 9 december 2009 een vrachtwagen bij [expediteur] klaar stond met open deuren aan de losramp. Hij stond toen, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , bij de chauffeur. De verdachte verklaarde tegenover de douane dat hij namens [vennootschap N] B.V. papieren moest afgeven aan de chauffeur die wijn kwam laden. Hij had een aantal bescheiden bij zich, waaronder een inmiddels verlopen Duits AGD, dat betrekking had op een partij wijn van in totaal 14.175 liter. De verdachte was ook in het bezit van een factuur van [expediteur] aan [vennootschap N] , waarop stond vermeld dat er contant € 225,43 was betaald voor de in- en opslag van wijn alsmede had hij de beschikking over een in tweevoud opgemaakte ‘delivery note’ van de firma [Duitse vennootschap] te Kaisersech (Duitsland), zijnde de afzender van de wijn. De douaniers zagen dat de Engelse chauffeur bezig was om een CMR-vrachtbrief en AGD in te vullen. Als afzender is op die bescheiden [vennootschap N] B.V. vermeld en [Engelse vennootschap 3] Ltd. te Essex (Verenigd Koninkrijk) is de geadresseerde.9

Voor wat betreft zijn rol bij de op 9 december 2009 aangetroffen lading wijn heeft de verdachte verklaard dat hij namens [vennootschap N] B.V. naar [expediteur] moest om papieren te brengen. Hij droeg wetenschap van het feit dat de goederen voor de zwarte markt in Engeland bestemd waren. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] was volgens de verdachte ‘van het hele circus op de hoogte’. Op die bewuste datum is de verdachte samen met [medeverdachte 1] een rekening gaan betalen.10

Over de rol van de verdachte bij de bedrijfsactiviteiten van [vennootschap N] B.V. (in het algemeen) heeft slechts de verdachte zelf verklaringen afgelegd. Het hof neemt bij gebreke van de aanwezigheid van andere bewijsmiddelen of verklaringen deze door hemzelf afgelegde verklaringen tot uitgangspunt bij de beoordeling of de verdachte kan worden beschouwd als feitelijk leidinggevende aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door [vennootschap N] B.V.

Verdachte heeft met betrekking tot de relatie tussen hemzelf en de onderneming van [vennootschap N] B.V. verklaard dat hij met zijn eigen onderneming [onderneming verdachte] eveneens kantoor hield in het pand aan de [kantooradres] te Venlo. Hij huurde deze ruimte van [vennootschap N] B.V.11

Aan hem is gevraagd om een AGD in te vullen. Dit kwam daarna steeds vaker voor. Voor een bedrag van € 300,00 tot € 500,00 heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] telkens documenten ingevuld. In de periode van de lente 2009 tot en met december 2009 heeft hij daarmee ongeveer € 10.000,00 verdiend.12 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aan zijn verklaring toegevoegd dat hij tijdens het invullen met [medeverdachte 1] aan tafel zat en ook wel samen met hem AGD’s invulde, maar in ieder geval steeds met door [medeverdachte 1] verstrekte informatie de AGD’s opmaakte.13

Door opsporingsambtenaren van de FIOD is voorts aan de verdachte een door de douane opgesteld overzicht voorgehouden, inhoudende AGD’s betreffende [vennootschap N] B.V. Op dit overzicht is per AGD het land van verzending, de datum van verzending, het referentienummer, de datum van aftekening en het verschuldigde accijnsbedrag vermeld. De in Nederland verschuldigde accijns over de goederen bedraagt volgens de douane in totaal € 1.126.152,00. Het betrof dus een grote hoeveelheid accijnsgoederen.
Op vragen naar partijen bier en sterke drank, die volgens de AGD’s afkomstig zijn uit Frankrijk, België, Duitsland, Spanje en Letland met als bestemming [vennootschap N] B.V., antwoordde de verdachte dat ‘het lossen en opslaan van zoveel goederen niet kan op de [kantooradres] in Venlo’, ‘daar was veel te weinig plaats’, ‘het kan best zijn dat de vrachtwagens er helemaal niet zijn geweest en de accijnsgoederen alleen maar op papier zijn vervoerd’, ‘ [vennootschap N] heeft dit volume nooit aangekund’, ‘ik kan me niet voorstellen dat de mensen van [vennootschap N] zoveel geld hadden voor de aankoopprijs van de accijnsgoederen’, ‘ik vermoed dat de accijnsgoederen niet in Nederland zijn geweest en alleen maar op papier zijn vervoerd’ en ‘ik weet dat de opslag in een Storagebox veel te klein is voor de vracht van zoveel vrachtwagens’.14 In een later verhoor verklaarde de verdachte ‘dat mijn indruk was dat er alleen een papieren stroom was (…) er was geen goederenstroom’, ‘het is alleen een papieren proces’ en ‘dat aan de AGD’s geen goederenbeweging ten grondslag ligt’.15

Laatstgenoemde bewering van de verdachte vindt steun in een faxbericht d.d. 11 januari 2011 van de Franse ambassade aan de douane te Rotterdam, waarin wordt gerelateerd dat het Franse bedrijf [Franse vennootschap] bier zou hebben geleverd aan [vennootschap N] B.V., onder geleide van een AGD. [vennootschap N] B.V. zou de goederen voor verzending naar Roemenië hebben aangegeven. Het vervoer van beide zendingen zou echter fictief zijn. In werkelijkheid werd het bier namelijk vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk.16

Aldus is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat (ten minste een gedeelte van) de op de AGD’s vermelde (onveraccijnsde) goederen niet naar Nederland is/zijn vervoerd en niet in Nederland voorhanden is/zijn geweest. Voor de aan het FIOD-onderzoek ten grondslag gelegde premisse dat de op de AGD’s vermelde onveraccijnsde goederen in alle gevallen naar Nederland zijn vervoerd en in Nederland voorhanden zijn geweest schiet het bewijs tekort.

D.3 Conclusie

Resumerend kan slechts wettig worden bewezen dat [vennootschap N] B.V. op 9 december 2009 onveraccijnsde goederen in Venlo voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij door [vennootschap N] B.V. enkel was gestuurd om bij [expediteur] papieren af te geven. Hoewel de verdachte wetenschap droeg van het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door [vennootschap N] B.V., kan het afgeven van papieren en in de nabijheid zijn van een lege vrachtwagen (met open deuren aan de losramp) naar het oordeel van het hof nog niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. De verdachte was bovendien geen bestuurder van [vennootschap N] B.V. en evenmin is gebleken dat hij anderszins een zodanige bijdrage heeft geleverd aan het complex van gedragingen dat heeft geleid tot het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door [vennootschap N] B.V. of daarbij zodanige initiatieven genomen, dat hij geacht moet worden daaraan feitelijk leiding te hebben gegeven.

Aldus schiet het bewijs tekort voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde feitelijk leidinggeven. Mitsdien zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Voorts schiet het bewijs tekort voor het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte zelf op 9 december 2009 de – overeenkomstig hiervoor onder B overwogen – ‘feitelijke beschikkingsmacht’ over de onveraccijnsde goederen heeft gehad. Omtrent zijn betrokkenheid bij de op 9 december 2009 aangetroffen wijn heeft de verdachte verklaard dat die betrokkenheid niet verder ging dan dat hij voor [vennootschap N] B.V. papieren moest afgeven en een bedrag aan huur ging betalen. Bij gebreke van enig ander bewijs moet (in het voordeel van de verdachte) van de verklaringen van verdachte worden uitgegaan. Om die reden zal hij eveneens worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 subsidiair aan hem ten laste is gelegd.

Voor wat betreft het onder feit 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen duidt slechts de omstandigheid dat op de AGD’s als afleveradres is vermeld ‘ [vermeend opslagadres 3] te Maastricht’ en ‘ [vermeend opslagadres 4] ’ op een vervoer van die goederen naar Nederland. Veel van de zich in het procesdossier bevindende AGD’s zijn echter vals opgemaakt. Daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat aan de AGD’s die onder feit 3 zijn genoemd daadwerkelijk fysieke goederenstromen naar Nederland ten grondslag hebben gelegen. Daartoe ontbreekt ook overigens enig bewijs. Ten aanzien van [vermeend opslagadres 3] te Maastricht is uit het onderzoek daarentegen juist naar voren gekomen dat daar slechts een kantoorruimte is gelegen, alwaar geen goederen konden worden opgeslagen.

Bij die stand van zaken zal de verdachte ook worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 3 aan hem ten laste is gelegd.

Vrijspraak feit 2 primair

Het onder feit 2 primair aan de verdachte ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het door [vennootschap N] B.V. medeplegen van het valselijk opmaken van AGD’s treft hetzelfde lot van vrijspraak, nu – zoals reeds hiervoor onder D.2 en D.3 is overwogen – niet kan worden vastgesteld wat de exacte rol is geweest van de verdachte ten aanzien van [vennootschap N] B.V. Daarom kan ook niet worden bewezen dat hij aan de aan [vennootschap N] B.V. ten laste gelegde verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 30 oktober 2009 tot en met 5 november 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere personen, meermalen administratief geleidedocumenten (AGD's), elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachten toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die AGD's voornoemd, welke betrekking hadden op de overbrenging van bier en volgens opdruk afkomstig waren van [vennootschap N] B.V. te Venlo, als geadresseerde en plaats van levering vermeld: [Portugese vennootschap LDA] (Portugal), terwijl de op voornoemde AGD's vermelde goederen in werkelijkheid werden overgebracht naar één of meer andere afnemers, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen feit 2 subsidiair

In het procesdossier bevindt zich een tiental bij de douane te Eindhoven ingekomen Nederlandse AGD’s, die gedateerd zijn tussen 30 oktober 2009 en 5 november 2009. Deze AGD’s hebben telkens volgens opdruk betrekking op de overbrenging van een partij bier van [vennootschap N] B.V. aan [Portugese vennootschap LDA] (Portugal).17

De gerechtelijke politie te Lissabon heeft de vennoot van voornoemde Portugese handelsvennootschap, [vennoot Portugese vennootschap LDA] , als getuige gehoord. Bij die gelegenheid verklaarde hij dat de import van zijn vennootschap zich uitsluitend beperkt tot sterke drank, afkomstig uit Duitsland en Italië. De onderneming importeert geen bier en heeft ook nimmer bier aangekocht. Voorts slaat zij geen drank voor derden op. Ook heeft [Portugese vennootschap LDA] nimmer handelsbetrekkingen met Nederlandse bedrijven onderhouden.18

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij in Venlo verbleef, is gevraagd om een AGD in te vullen en dat dit daarna steeds vaker voorkwam. Voor een bedrag van € 300,00 tot € 500,00 heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] telkens documenten ingevuld. In de periode van de lente 2009 tot en met december 2009 heeft hij daarmee ongeveer € 10.000,00 verdiend. Het was volgens de verdachte voor wat betreft de documenten ‘steeds hetzelfde verhaal’.19

De verdachte heeft bij de FIOD en ten overstaan van het hof verklaard dat hij de AGD’s met nummers 0000/30, 0000/31 en 0000/35, afkomstig van [vennootschap N] B.V. en gericht aan [Portugese vennootschap LDA] te Vildemoinhos in Portugal valselijk heeft opgemaakt.20

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de AGD’s met als bestemming [Portugese vennootschap LDA] te Vildemoinhos in Portugal valselijk zijn opgemaakt met het doel deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Immers, de zending bier is niet naar die geadresseerde gezonden, maar naar andere afnemers. De omstandigheid dat zich eveneens AGD’s in het dossier bevinden die – behoudens de adressering en het land van bestemming (namelijk in die gevallen: het Verenigd Koninkrijk) – nagenoeg dezelfde vermeldingen hebben als de AGD’s richting Portugal, sterkt het hof in dat oordeel, temeer nu deze werkwijze past in de hiervoor onder C weergegeven wijze van frauderen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aan zijn eerdere verklaring toegevoegd dat hij tijdens het invullen met [medeverdachte 1] aan tafel zat en ook wel samen met hem AGD’s invulde, maar in ieder geval steeds met door [medeverdachte 1] verstrekte informatie de AGD’s opmaakte.21 Het hof heeft geconstateerd dat op deze AGD’s met bestemming Portugal verschillende handschriften voorkomen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen meermalen AGD’s valselijk heeft opgemaakt.

Aldus acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De verdachte heeft samen met één of meer anderen administratieve geleidedocumenten valselijk opgemaakt teneinde accijnsgoederen (te weten bier) in de verbruikssfeer te laten komen zonder dat daarover accijns zou worden geheven. Hij ontving daarvoor een aanzienlijk geldbedrag van € 10.000,00, welk bedrag hij te eigen bate heeft besteed. Door het bewezenverklaarde handelen heeft de verdachte een niet te onderschatten bijdrage geleverd aan het mogelijk maken en in stand houden van een grootschalige accijnsfraude op Europees niveau. Daarbij zij opgemerkt dat het door de Staat der Nederlanden geleden nadeel door de Belastingdienst is begroot op € 1.126.152,00. Deze berekening is echter gebaseerd op de aan het FIOD-onderzoek ten grondslag gelegde premisse dat alle op de AGD’s vermelde onveraccijnsde goederen naar Nederland zijn vervoerd en in Nederland zijn geweest. Zoals hiervoor overwogen ontbreekt voor deze premisse het bewijs. Uit het dossier kan niet worden afgeleid wat het nadeel is geweest voor de Staat der Nederlanden en evenmin wat het nadeel is geweest voor andere lidstaten in de Europese Unie (waar naartoe de goederen wel zijn vervoerd).
De verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen dat in het algemeen in geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld, geschonden.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij met zijn gezin woonachtig is in Duitsland, aldaar in loondienst werkzaam is voor een Italiaanse supermarkt en dat hij te kampen heeft met een slechte gezondheid als gevolg van bloedarmoede.

Gebleken is dat aan de verdachte een naheffingsaanslag is opgelegd ten bedrage van ruim 1,1 miljoen euro ter zake van de niet betaalde accijnzen. In afwachting van de uitkomst van de onderhavige strafzaak is de behandeling van het daartegen ingediende bezwaarschrift opgeschort. Gelet op de vrijspraak van de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen zal het hof met deze nog niet onherroepelijke naheffingsaanslag in het kader van de straftoemeting geen rekening houden.

Naar het oordeel van het hof geeft het voorgaande en in het bijzonder de ernst van het bewezen verklaarde aanleiding om over te gaan tot oplegging van een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In beginsel acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Het hof zal daartoe echter niet overgaan, nu is gebleken dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt vast dat de rechtbank op 7 juni 2013 vonnis heeft gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 13 juni 2013 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 13 maart 2018 – einduitspraak. Aldus bedraagt het tijdsverloop van de behandeling in hoger beroep 4 jaren en ruim 10 maanden.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak omvangrijk en complex van aard is en de verdediging (door het hof gehonoreerde) onderzoekswensen, bestaande uit het horen van getuigen à décharge heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop verklaren.

Resumerend stelt het hof vast dat in de fase van hoger beroep einduitspraak zal worden gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met 2 jaren en ruim 10 maanden overschreden. Het hof zal onder voornoemde bijzondere omstandigheden deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de strafoplegging.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht volgens de maatstaf van € 50,00 per dag, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte.

Met oplegging van voormelde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds en met name de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 27a, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 13 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. drs. P. Fortuin is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3699.

2 Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0380 en Hoge Raad 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9493.

3 Hoge Raad 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3699.

4 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, dossiernummer 46673, op ambtseed door verbalisant [opsporingsambtenaar 1] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD te Roermond, afgesloten d.d. 12 mei 2011, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-915.

5 Overzichtsproces-verbaal d.d. 12 mei 2011, p. 55-56.

6 Overzichtsproces-verbaal d.d. 12 mei 2011, p. 58-59 en Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 1 november 2010 aan de hand van een op 9 december 2009 opgemaakt journaal, p. 185.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 december 2009, p. 279.

8 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 1 november 2010 aan de hand van een op 9 december 2009 opgemaakt journaal, p. 185-187.

9 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 1 november 2010 aan de hand van een op 9 december 2009 opgemaakt journaal, p. 185-187 alsmede een AGD en CMR-vrachtbrief d.d. 9 december 2009, p. 324-325.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2012, p. 912-913.

11 Huurovereenkomst tussen [vennootschap N] B.V. en [verdachte] , h.o.d.n. [onderneming verdachte] Im- en export d.d. 16 juli 2009, p. 358-359 en 467-468.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2012, p. 913.

13 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte
[verdachte] inzake het valselijk opmaken van AGD’s.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 juni 2012, p. 903-904.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2012, p. 908-912.

16 Faxbericht van de Franse ambassade te ’s-Gravenhage aan de douane te Rotterdam d.d. 11 januari 2011, p. 614-615.

17 Administratief geleidedocumenten (AGD’s), p. 845-863.

18 Proces-verbaal van verhoor door de gerechtelijke politie te Lissabon d.d. 3 december 2010, p. 287-293 (vertaling) en p. 294-299 (origineel in de Portugese taal).

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2012, p. 912-913.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2012, p. 908-913 en het Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] inzake het valselijk opmaken van AGD’s.

21 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] inzake de wijze van het valselijk opmaken van AGD’s.