Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1053

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
20-000657-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. Strafmaatappel. Veroordeling ter zake van het opdracht geven aan omzetbelastingfraude tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdachte heeft over twee kwartalen nihilaangiften laten doen, terwijl zijn B.V. wel degelijk omzetbelasting was verschuldigd. Daardoor is een belastingnadeel van € 315.044,00 geleden. Verdachte heeft aangevoerd dat hij het voornemen had om later met suppletieaangiften alsnog de verschuldigde belasting te voldoen. Het later, door middel van een zogenoemde suppletieaangifte, melden dat de eerder gedane aangiften onjuist waren brengt echter niet met zich dat die eerdere onjuiste aangiften alsnog juist worden. In die zin doet het vermeende voornemen van verdachte tot het doen van een suppletieaangifte niet af aan het laakbare van zijn handelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/559
V-N 2018/29.18.5
Viditax (FutD), 13-03-2018
FutD 2018-0763
NTFR 2018/883 met annotatie van mr. E. Alink RB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000657-16

Uitspraak : 13 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 30 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-993137-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden ter zake van ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen begaan, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en terwijl hij feitelijke leiding aan de verboden gedragingen heeft gegeven’.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht om het onderzoek aan te houden, teneinde deze zaak gelijktijdig te berechten met een bij dit hof aanhangige faillissementsfraudezaak tegen de verdachte. Subsidiair is door de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Verzoek tot aanhouding van het onderzoek

De raadsman van de verdachte heeft een aanhoudingsverzoek gedaan. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in hoger beroep eveneens een faillissementsfraudezaak tegen de verdachte bij dit hof aanhangig is en dat de verdediging het in het belang van de verdachte noodzakelijk acht dat die zaak gelijktijdig, doch niet gevoegd, met de onderhavige zaak zal worden berecht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangezien het verzoek eerst uitdrukkelijk ter terechtzitting van 27 februari 2018 bij pleidooi is gedaan en vervolgens het onderzoek ter terechtzitting door het hof is gesloten, verstaat het hof het door de verdediging gedane verzoek om aanhouding als een verzoek tot heropening van het onderzoek. Eerst na een eventuele heropening kan immers alsdan het onderzoek ter terechtzitting worden geschorst teneinde te bewerkstelligen wat de verdediging wenst: gelijktijdige berechting met een andere openstaande zaak.

De verdachte is op 3 mei 2017 bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, onder parketnummer 01-997600-15 ter zake van faillissementsfraude veroordeeld. In het hoger beroep van die zaak, dienend onder parketnummer 20-001563-17, zijn onderzoekswensen ingediend, bestaande uit het horen van getuigen. Het hof is ambtshalve bekend met de omstandigheid dat die zaak nog niet gereed is voor inhoudelijke behandeling. Daarnaast is de zaak aangebracht bij de faillissementsfraudekamer van dit gerechtshof, terwijl de onderhavige zaak dient voor de fiscale fraudekamer.

Daargelaten dat uit het voorgaande volgt dat er tegen gelijktijdige behandeling praktische bezwaren zijn, is op grond van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende gebleken dat de verdachte daarbij een rechtens te respecteren belang heeft. Dat geldt temeer nu de faillissementsfraudekamer, die te zijner tijd eindarrest zal wijzen in de andere zaak contra verdachte, in geval van een veroordeling op grond van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening dient te houden met de hierna in het dictum te geven beslissingen.

Het hof is van oordeel, mede bezien de ouderdom van de onderhavige zaak en gelet op het feit dat de zaak reeds tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden (ter zitting van 20 juni 2017 en ter zitting van 5 december 2017), dat het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting alsmede het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, in casu dient te prevaleren.

Mitsdien zal het hof het verzoek tot heropening van het onderzoek afwijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

de besloten vennootschap [naam vennootschap] , handelend onder de naam [handelsnaam] B.V., in elk geval een rechtspersoon, op of omstreeks 30 april 2012 en/of op of omstreeks 31 juli 2012, in elk geval op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 april 2012 tot en met 31 juli 2012 te Velden en/of Venlo en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- een (elektronische) aangifte voor de omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012 op naam van [naam vennootschap] B.V. en/of

- een (elektronische) aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2012 op naam van [naam vennootschap] B.V.,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen,

bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (kantoor Venlo),

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan – zakelijk weergegeven – dat op voornoemde aangifte(n), (telkens) ten onrechte geen omzet werd vermeld (een zogenaamde nihilaangifte),

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

de besloten vennootschap [naam vennootschap] , handelend onder de naam [handelsnaam] B.V.,

op 30 april 2012 te Velden en/of Apeldoorn, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een elektronische aangifte voor de omzetbelasting over het eerste kwartaal 2012 op naam van [naam vennootschap] B.V.

en

op 31 juli 2012 te Velden en/of Apeldoorn, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een elektronische aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2012 op naam van [naam vennootschap] B.V.,

telkens onjuist heeft laten doen bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst,

hebbende die onjuistheid hierin bestaan dat op voornoemde aangiften ten onrechte geen omzet werd vermeld (een zogenaamde nihilaangifte),

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot welke feiten hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, dossiernummer 51380, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD te Roermond, afgesloten d.d. 31 oktober 2013, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-314.

Met betrekking tot het bewezen verklaarde volstaat het hof, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1.

Het geschrift, inhoudende een schermprint met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2012 ten name van [naam vennootschap] B.V., dossierpagina 28.

2.

De geschriften, inhoudende schermprinten met aangiftegegevens van de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2012 ten name van [naam vennootschap] B.V., dossierpagina’s 29 en 313.

3.

Een geschrift d.d. 26 april 2013, opgemaakt door [belastingambtenaar 1] , ambtenaar van de Belastingdienst, onderdeel Centrale administratie, inhoudende de ambtsedige verklaring van voornoemde ambtenaar dat over het 1e en 2e kwartaal van 2012 aangiften omzetbelasting betreffende [naam vennootschap] B.V. elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst, dossierpagina’s 19-20.

4.
Het proces-verbaal van verhoor van 4 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, inhoudende de verklaring van getuige [belastingambtenaar 2] inzake de bevindingen van het jegens [naam vennootschap] B.V. ingestelde boekenonderzoek, dossierpagina’s 78-83.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van 18 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, inhoudende de verklaring van getuige [boekhouder] ter zake van het in opdracht van de verdachte namens [naam vennootschap] B.V. doen van aangiften omzetbelasting in 2012, dossierpagina’s 84-90.

6.

De processen-verbaal van verhoor van 28 mei 2013, 29 mei 2013, 31 mei 2013 en 20 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte [verdachte] ter zake van het bewezen verklaarde, kort gezegd het opdracht geven tot het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte, begaan door [naam vennootschap] B.V., meermalen gepleegd, dossierpagina’s 49-76.

7.

De processen-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzittingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2017 en 27 februari 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte [verdachte] ter zake van het bewezen verklaarde, kort gezegd het opdracht geven tot het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte, begaan door [naam vennootschap] B.V., meermalen gepleegd.

Bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een rechtspersoon, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

A.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, gelijk aan de straf waartoe de rechtbank hem heeft veroordeeld.

B.

De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft verzocht tot toepassing van een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aangezien de verdachte als gevolg van een eerder verblijf in detentie psychische schade heeft opgelopen en omdat hij ten tijde van het ten laste gelegde na een periode van ernstig ziek zijn weer was begonnen, hetgeen hem eigenlijk boven het hoofd steeg. Hij verkeerde destijds in een stressvolle periode van zijn ondernemerschap. Derhalve was bij de verdachte sprake van onmacht. Dat geen sprake is van onwil blijkt uit het feit dat de verdachte heeft getracht suppletieaangiften te doen.

De raadsman heeft het hof om deze redenen in overweging gegeven de verdachte een taakstraf op te leggen en eventueel een beroepsverbod.

C.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij opdracht heeft geven tot het plegen van belastingfraude. [naam vennootschap] B.V., waarvan de verdachte bestuurder was, genereerde omzet met het leveren van cement. Hoewel daarover omzetbelasting was verschuldigd, heeft [naam vennootschap] B.V. nagelaten deze omzet in de kwartaalaangiften aan te geven. Voor wat betreft de eerste twee kwartalen van 2012 zijn immers, in opdracht van de verdachte, door de boekhouder nihilaangiften gedaan.

Op deze wijze hebben de Staat der Nederlanden en de Europese Unie een belastingnadeel van € 315.044,00 geleden. De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de FIOD en ten overstaan van het hof verklaard dat hij nihilaangiften heeft laten doen uit onmacht om de belastingaangiften te kunnen betalen. Naar eigen zeggen bestond het voornemen om later met zogenoemde suppletieaangiften alsnog de verschuldigde belasting te voldoen. Het later, door middel van een suppletieaangifte, melden dat de eerder gedane aangiften onjuist waren brengt niet met zich dat die eerdere onjuiste aangiften alsnog juist worden.1 In die zin doet het vermeende voornemen van verdachte niet af aan het laakbare van zijn handelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien naar voren gekomen dat het financiële nadeel tot op heden nog niet ongedaan is gemaakt.

Bij belastingheffing zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan grof misbruik gemaakt. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Het hof rekent het de verdachte daarom zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, alsmede op de het hof ter beschikking staande administratieve systemen, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor belastingfraude is veroordeeld. Ook komt uit de genoemde documentatie naar voren dat de verdachte meermalen door de Duitse justitie is veroordeeld ter zake van fraudedelicten.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van het door de Reclassering Nederland in het arrondissement Limburg opgemaakte reclasseringsadvies van 17 november 2017. Hieruit volgt dat de verdachte tot 2010 is behandeld in verband met non-Hodgkin, welke ziekte onder controle is en voorts dat sprake is van een hiv-besmetting waarvoor de verdachte onder behandeling is. Uit het rapport komt voorts als conclusie naar voren dat de voorlopige hechtenis een grote impact heeft gehad op de verdachte en dat hij te kampen heeft gehad met psychische problematiek waarvoor hij een behandeling heeft ondergaan, welke behandeling inmiddels is beëindigd in maart 2017. Volgens de rapporteur is een forensische behandeling in combinatie met reclasseringstoezicht echter niet geïndiceerd, nu een concrete hulpvraag van de verdachte ontbreekt.

Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans op commissiebasis werkzaam is als agent voor een Duits bedrijf dat dranken ontwikkelt en een Zweeds bedrijf dat handelt in tuinmeubelen. Met een deel van het inkomen dat hij daarmee vergaart, tracht hij zijn omvangrijke schuldenlast af te lossen. In dat kader heeft hij diverse afbetalingsregelingen getroffen.

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat gelet op al het voorgaande, ondanks de persoonlijke omstandigheden zoals in het reclasseringsrapport omschreven, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel de rechtbank en de advocaat-generaal zulks eveneens hebben onderkend, komt in de opgelegde en gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, de ernst van de bewezenverklaarde feiten en met name het recidiverende gedrag van de verdachte onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar 's hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een benadelingsbedrag van ruim € 315.000,00. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een dergelijk benadelingsbedrag, zonder dat daarbij recidive in aanmerking is genomen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden.

D.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak ambtshalve het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 28 mei 2013 door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 30 juni 2015 bij verstek vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 29 februari 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 13 maart 2018 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt 2 jaren en ongeveer 1 maand. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep heeft te gelden dat de duur daarvan 2 jaren en ongeveer een halve maand bedraagt. Aldus is telkens einduitspraak gedaan kort na het verstrijken van twee jaren.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In de onderhavige zaak is door de verdediging een (door het hof gehonoreerde) onderzoekswens ingediend, bestaande uit het laten opstellen van een reclasseringsrapport. Voorts is op verzoek van de verdediging – in verband met de verhindering van de raadsman – de zaak op de terechtzitting van 5 december 2017 aangehouden, ondanks het feit dat eerder met de verdediging de afspraak was gemaakt de zaak op die terechtzitting inhoudelijk te behandelen.

Gelet op het vorenoverwogene stelt het hof vast dat telkens einduitspraak is gedaan kort na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn met betrekking tot het gehele procesverloop met ongeveer 1,5 maand overschreden. Het hof is van oordeel dat vanwege deze geringe overschrijding en de invloed van de verdediging op het procesverloop in hoger beroep kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

E.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds met name de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Deze laatstgenoemde omstandigheid maakt dat het hof oplegging van een door de verdediging voorgestaan beroepsverbod onnodig acht.

Al hetgeen overigens door en namens de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen dan hiervoor is overwogen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

wijst het door de verdediging gedane verzoek tot heropening van het onderzoek af;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 13 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. drs. P. Fortuin is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2017, nr. 14/00707, ECLI:NL:GHSHE:2017:2757.