Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1052

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
20-001310-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3274, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 157 Sr. Veroordeling ter zake het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een flatwoning te Venlo door de gaskraan op te zetten. Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk en tbs-maatregel met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-001310-16

Uitspraak: 12 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

19 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-721028-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1953,

wonende te [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan twee jaren gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat-generaal heeft voorts de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Door de raadsman van verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd, kort gezegd inhoudende dat niet zal worden overgegaan tot de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de raadsman aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, dan wel in het geval van de benadeelde partij [benadeelde 1] dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de gestelde materiële schade ten bedrage van € 836,39. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag, tot een bedrag van € 750,-. Tevens heeft de raadsman de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis verzocht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2015 in de gemeente Venlo, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in zijn (flat)woning ([straat]) opzettelijk de gasslang van het fornuis los te koppelen en/of het gas open te zetten en/of door in elk geval (aldus) te bevorderen dat (explosief en/of ontvlambaar) gas zich vrijelijk in die woning kon verspreiden en/of dat daardoor in die (flat)woning een explosief mengsel ontstond en/of ontstaan was (terwijl daarna een ontlading (vuur en/of een vonk of vonken) met dat gas in aanraking is gekomen), waarna en/of waardoor dat explosief gas(mengsel) is ontploft, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zijn woning en/of voor de erboven liggende en/of belendende woning(en) en/of voor buiten die woning staande auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de erboven liggende en/of belendende woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor eventuele voorbijgangers, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2015 in de gemeente Venlo, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in zijn flatwoning, [straat], opzettelijk de gasslang van het fornuis los te koppelen en het gas open te zetten en aldus te bevorderen dat explosief en ontvlambaar gas zich vrijelijk in die woning kon verspreiden en dat daardoor in die flatwoning een explosief mengsel ontstond, terwijl daarna vuur en/of een vonk of vonken met dat gas in aanraking is gekomen, waardoor dat explosief gasmengsel is ontploft, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zijn woning en voor de erboven liggende en belendende woningen en voor buiten die woning staande auto's te duchten was en terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de erboven liggende en belendende woningen aanwezige personen en voor eventuele voorbijgangers te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het aan verdachte ten laste gelegde opzettelijk – al dan niet in voorwaardelijke zin –

teweegbrengen van een ontploffing. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedragingen een ontploffing in zijn woning teweeg zou worden gebracht. Ten eerste bestond bij verdachte geen wetenschap van de aanmerkelijke kans dat in het geval van een (toenemende) hoeveelheid gas (gasmengsel) in een beperkte ruimte, hierdoor op enig moment een ontploffing teweeg kon worden gebracht. Ten tweede leveren het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aanwijzingen op voor het bestaan van ‘contra-indicaties’ voor het kunnen aannemen van de vereiste bewuste aanvaarding, aldus de raadsman. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman aangevoerd:

  • -

    dat verdachte afscheidsbrieven aan zijn familie en vriendin heeft geschreven en deze brieven heeft neergelegd op de tafel in de woonkamer;

  • -

    dat verdachte bederfelijke waren uit zijn koelkast heeft gehaald en heeft weggegooid;

  • -

    dat verdachte telefonisch tegen zijn vriendin heeft gezegd dat hij het fijn zou vinden als zij naar hem toe zou komen;

  • -

    dat verdachte een huissleutel bij de voordeur heeft gelegd, zodat men naar binnen zou kunnen zonder de deur te hoeven openbreken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is voor het hof komen vast te staan dat op 14 juni 2015 in de flatwoning van verdachte aan de [straat] te Venlo een ontploffing heeft plaatsgevonden, waarna in die woning een uitslaande brand heeft gewoed, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Tevens staat naar het oordeel van het hof vast dat de ontploffing is veroorzaakt door het handelen van de zijde van verdachte.

Voor wat betreft de wijze waarop de ontploffing tot stand is gekomen, gaat het hof uit van de in het dossier aanwezige processen-verbaal met betrekking tot het (forensisch)technisch onderzoek naar de ontploffing. Hieruit volgt dat in de flatwoning [straat] te Venlo brand is ontstaan en vervolgens een explosie heeft plaatsgevonden.

Uit onderzoek (dossierpagina 47) is gebleken dat sprake is geweest van een gasexplosie. Aan de achterzijde van de woning bevond zich de woonkamer, die volledig uitbrandde. In deze ruimte had de brand zich volledig ontwikkeld. Waar de brand in de woonkamer is ontstaan, kon niet exact worden vastgesteld door de totale verwoesting door de brand. Tevens is aanzienlijke brandschade in de keuken vastgesteld, die zich bevond aan de voorzijde van de woning. Vast is komen staan dat in de keuken van de woning uitstroom van aardgas is geweest. Op enig moment is een explosief mengsel ontstaan dat werd ontstoken. De brandschade in de keuken ontstond hoofdzakelijk doordat het uitstromende gas bleef branden. Vast is komen te staan dat de muur tussen de gang en de keuken naar binnen was gedrukt, in de richting van de keuken. Hieruit is afgeleid dat het gasmengsel vanuit de keuken naar de gang en de rest van de woning is gestroomd. De forensische onderzoekers concluderen aan de hand van vorenstaande dat het gasmengsel buiten de keuken is ontstoken.

Met betrekking tot de brandoorzaak en de ontstekingsbron is het volgende gerelateerd (dossierpagina 47).

Een defect in de gasinstallatie is niet vastgesteld. Uit het onderzoek in de keuken is vast komen te staan dat het uitstromen van het gas opzettelijk is veroorzaakt. Dit wordt bevestigd door de afgekoppelde aansluitslang van het gasfornuis, de geopende gaskraan en de aangetroffen verstelbare schroefsleutel. De gasslang was gedeeltelijk weggebrand. Het gedeelte dat oorspronkelijk op het fornuis hoorde, lag op de grond en was nog intact. De bedieningsknoppen van het gasfornuis stonden allen in dezelfde stand. Zeer waarschijnlijk is met de aangetroffen verstelbare moersleutel de gasslang van het fornuis afgekoppeld. In de gegeven situatie stroomde ongeveer 10m3 gas per uur uit de gasslang. Deze hoeveelheid gas zal op enig moment een explosief mengsel veroorzaken. Om het explosieve mengsel te ontsteken is een minimale ontstekingsbron voldoende. Gelet op het feit dat de explosie zich ontwikkelde buiten de keuken, is het waarschijnlijk dat het gas ontstak door de brand in de woonkamer. Hoe de brand in de woonkamer is ontstaan, is niet vastgesteld. Een technische oorzaak of defect niet gevonden. Aanwezigheid van brandversnellende middelen is niet aangetoond. Het opzettelijk inbrengen of achterlaten van vuur is de meest waarschijnlijke brandoorzaak.

In zijn eerste verhoor op 13 juli 2015 heeft de verdachte een verklaring afgelegd over zijn handelwijze in zijn woning op 14 juni 2015. De verdachte heeft verklaard dat hij die dag een einde aan zijn leven wilde maken. Om dit te bewerkstelligen heeft verdachte een matras in de keuken neergelegd, een grote hoeveelheid slaap- en kalmeringstabletten ingenomen en wilde hij op het laatste moment het gas open zetten.

Met betrekking tot zijn handelen in de keuken van de woning heeft verdachte verklaard dat hij (nadat hij een vergeefse poging had gedaan om de tuinslang op de gasslang aan te sluiten) de aansluitslang weer aan de gaskraan aan de muur heeft gekoppeld en na het innemen van de slaap- en kalmeringstabletten één (de kleinste of de grootste) gaspit van het gasfornuis heeft opengedraaid. Kort daarna heeft de ontploffing plaatsgevonden.

Naar het oordeel van het hof is de verklaring van verdachte inhoudende dat hij de aansluitslang weer heeft aangekoppeld en vervolgens een gaspit van het gasfornuis heeft opengezet als gevolg waarvan de explosie heeft plaatsgevonden, in strijd met de resultaten van het technisch onderzoek. Hieruit blijkt immers dat de aansluitslang van het gasfornuis was afgekoppeld, de gaskraan was geopend en de bedieningsknoppen van de kookpitten van het gasfornuis allen in dezelfde stand stonden. Deze stonden namelijk allemaal uit.

Het hof hecht om die reden geen geloof aan deze verklaring van de verdachte.

Gelet hierop acht het hof het niet noodzakelijk om – zoals door de raadsman als voorwaardelijk verzoek gedaan – de door de raadsman aangehaalde passages uit de verhoren van verdachte uit te luisteren en verbatim te laten uitwerken.

Het hof ziet zich thans aan de hand van informatie uit het technisch onderzoek voor de vraag gesteld of verdachte het opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op het teweeg brengen van de ontploffing.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het teweeg brengen van een ontploffing - is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Naar de algemene ervaringsregels heeft te gelden dat de kans aanmerkelijk is dat door het loskoppelen van de aansluitslang van het gasfornuis en het openzetten van een gaskraan in een woning, waardoor een hoeveelheid van ongeveer 10 m3 gas per uur de gaskraan uitstroomt, er een explosief gasmengsel ontstaat dat door een van buiten komende omstandigheid (vuur of een vonk) eenvoudigweg kan leiden tot een ontploffing. Naar het oordeel van het hof is sprake van een feit van algemene bekendheid dat gasophoping onder omstandigheden tot een ontploffing kan leiden, hetgeen ook voor de verdachte een voorzienbaar gevolg van zijn handelen moet zijn geweest. Dat verdachte zich daarvan bewust is geweest blijkt wel uit zijn verklaring dat hij vermoedde dat de explosie was veroorzaakt door de telefoon en dat hij overal aan had gedacht. Hij had immers alles (onder meer de computer, de ijskast en de magnetron) naar een andere kamer gebracht en niet meer aangesloten maar hij had niet aan de telefoon gedacht.

Door te handelen zoals hij heeft gedaan, leidt het hof af dat verdachte die kans op een ontploffing ook bewust heeft aanvaard.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de gestelde contra-indicaties voor de bewuste aanvaarding, voor zover al aannemelijk geworden – deze zijn namelijk bijna allen enkel gebaseerd op de verklaringen van de verdachte, van onvoldoende gewicht zijn om tot een ander oordeel te komen.

Gelet hierop is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen een ontploffing teweeg zou kunnen brengen en dat hij deze kans heeft aanvaard, zodat hij – minst genomen – het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het teweeg brengen van een ontploffing.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de verdachte betreffende Pro Justitia rapporten, opgemaakt door drs. A.P. van der Burg, GZ-psycholoog, d.d. 23 maart 2016 en 10 oktober 2017 (aanvulling op eerste rapport) en door drs. A. Banaei Kashani, psychiater, d.d. 29 mrt 2016 en 16 oktober 2017 (aanvulling op eerste rapport).

Hieruit volgt voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis, in de vorm van pathologisch gokken, en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, met narcistische en borderline trekken, waardoor het feit – indien bewezen - hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof volgt deze conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen ten aanzien van het bewezen verklaarde.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in zijn huurwoning in een flatcomplex. In zijn woning heeft een explosie plaatsgevonden en vervolgens heeft er een uitslaande brand gewoed waarbij niet alleen de woning van de verdachte zwaar beschadigd is geraakt.

Als gevolg van de explosie en de brand heeft de verdachte een groot gevaar voor de woningen in het complex en de in het flatgebouw verblijvende personen veroorzaakt. Ten tijde van de explosie en de brand waren er in de omliggende woningen meerdere bewoners, waaronder kinderen, aanwezig. De verdachte heeft dit voor lief genomen. Feiten als het onderhavige hebben een in hoge mate gevaarzettend karakter en brengen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, zoals ook is gebleken uit de verklaringen van buurtbewoners. Daarnaast is er door de explosie schade toegebracht aan de omliggende woningen en de voor het flatcomplex geparkeerd staande auto’s.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het gegeven dat hij, voor zover blijkt uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 januari 2018, niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Daarnaast houdt het hof ook rekening met de gevolgen die de verdachte zelf heeft ondervonden van zijn handelen. Ten gevolge van de explosie is verdachte zwaargewond geraakt en heeft hij meerdere ernstige brandwonden opgelopen.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de hiervoor genoemde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal zal het hof de proeftijd bepalen op twee jaar.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Maatregel

Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of en zo ja, in welke vorm, de maatregel van tbs moet worden opgelegd.

Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof allereerst de inhoud van de meest recente, over verdachte opgemaakte Pro Justitia-rapporten in aanmerking genomen.

Ten eerste heeft het hof gelet op de inhoud van het op 10 oktober 2017 opgemaakte aanvullende psychologische rapport van drs. A.P. van der Burg, GZ-psycholoog, welk rapport – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudt:

p. 20: “Op basis van het eerdere onderzoek, gecombineerd met de uitspraken en de opstelling van betrokkene tijdens het onderhavige onderzoek, wordt – gebruik makend van de HCR-20 (een gesystematiseerd risicotaxatie-instrument) – ingeschat dat een terugval in verslavingsgedrag en – daardoor mogelijk ook – in suïcidaliteit verhoogd is. Betrokkene beschikt momenteel intrinsiek over onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht om de motivatie op te kunnen brengen om actief aan zijn gokverslaving te werken. Hij ontkent namelijk een gokprobleem te hebben. Hierdoor blijft het risico onverminderd verhoogd dat hij op termijn – zonder gebruik te maken van financieel toezicht – zijn heil weer zal zoeken in het gokken, om hiermee zijn acute problemen op te lossen. Wanneer hij hierdoor opnieuw naar de spreekwoordelijke afgrond wordt gedreven, neemt ook de kans op een balanssuïcide toe. Daarbij moet wel worden aangetekend dat het niet aannemelijk is dat betrokkene nogmaals op deze zelfde manier suïcide zal proberen te plegen. Toch is er op de langere termijn een verhoogd risico op ondoordacht, gevaarlijk handelen, waardoor een nieuwe suïcidepoging opnieuw gevaarlijk voor anderen zou kunnen zijn. Naast het spoedig opstarten van de behandeling – zoals momenteel gaande is – biedt ook de risicohantering mogelijkheden tot interventie. Enerzijds door het vergroten van het sociale netwerk en steunsysteem en het stabiliseren van de toekomstige woonsituatie (begeleid wonen, budgetbeheer), zodat zijn inadequate coping niet te veel op de proef wordt gesteld. Anderzijds door het ondervangen van mogelijk problemen met de behandeltrouw en de responsiviteit door deze te koppelen aan een stevige, langlopende stok-achter-de-deur.”

p. 21: “Om het risico op recidive te verminderen adviseert rapporteur de rechtbank betrokkene, indien het ten laste gelegde wordt bewezen, in het kader van een deels voorwaardelijke straf, onder bijzondere voorwaarden in behandeling te stellen bij een ambulante forensische polikliniek, zoals FPP De Horst (zoals nu reeds op gang is gekomen) of een andere soortgelijke instelling. Toezicht vanuit de reclassering is nodig om het behandelproces te blijven monitoren. Vanwege de hardnekkige aard van zijn problematiek kan een reclasseringstoezicht langer dan twee jaar worden overwogen. Daarbij is het belangrijk een heldere structuur neer te zetten, waarbij een onder bewindstelling financiële duidelijkheid en rust kan creëren, en een passende dagbesteding voor meer invulling en potentieel meer zelfwaardering.”

Ten tweede heeft het hof gelet op de inhoud van het op 16 oktober 2017 opgemaakte psychiatrische rapport van drs. A. Banaei Kashani, psychiater, welk rapport – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – inhoudt:

p. 27: “Rapporteur acht de situatie van betrokkene nog altijd zorgelijk, met name omdat hij blijft ageren tegen de diagnostiek en een externaliserende en bagatelliserende houding heeft. (…) Een positieve factor is dat hij zich nu conformeert aan voorwaarden en regels. Hij past zich echter aan omdat het moet, maar niet vanuit een intrinsieke overtuiging. Hij zegt dat hij niet verwacht dat behandeling hem zal helpen en hij is van plan om de bewindvoering terug te draaien zodra zijn schulden gesaneerd zijn. Betrokkene weet overigens ook niet goed wat de behandeling in zal houden en hoe deze hem zal helpen.

Rapporteur verwacht dat betrokkene, als hij opnieuw zijn situatie uitzichtloos acht, weer zal proberen zich te suïcideren. Betrokkene heeft namelijk reeds twee maal een suïcidepoging gedaan. De vraag is dan of hij, wanneer zijn situatie weer uitzichtloos zal zijn, wel in staat zal zijn om de gevaren voor de omgeving in te schatten. Derhalve acht rapporteur de kans dat betrokkene gevaarlijk gedrag (naar zichzelf en daarbij naar de omgeving) nog altijd verhoogd aanwezig zonder behandeling. Betrokkene heeft nog niet genoten van een behandeling en net voorbij de intake fase bij FPP De Horst. De kans dat hij een ontploffing veroorzaakt wordt laag geschat omdat rapporteur vermoedt dat hij nu wel heeft begrepen wat de gevolgen van zijn bedrag zijn geweest. (…)

Om het gevaar op herhaling van gevaarlijk gedrag te voorkomen dient betrokkene behandeld te worden voor zijn gokverslaving, terwijl er tegelijkertijd ook aandacht is voor zijn persoonlijkheid. Duidelijke kaders, zoals onder bewindstelling, zijn hierbij noodzakelijk. Het betrekken van zijn partner bij de behandeling wordt aangeraden, zodat zij kan helpen om de draagvlak van de behandeling bij betrokkene te vergroten. Dagbesteding is eveneens van belang. (…)

In het rapport van 2016 heeft rapporteur geadviseerd om het recidiverisico te beperken bij een geheel of voorwaardelijke straf, betrokkene onder bijzondere voorwaarden in behandeling te stellen bij een forensische polikliniek. Reclasseringstoezicht werd noodzakelijk geacht om de behandeling en de voortgang te monitoren. Gezien bekend is dat gokverslaving en persoonlijkheidspathologie hardnekkige problemen zijn, kan gekozen worden voor een langer reclasseringstoezicht dat langer duurt dan twee jaar. (…)

Bij dit aanvullende onderzoek herhaalt rapporteur haar eerdere advisering”

In hoger beroep heeft het hof het noodzakelijk geacht om een zogenoemd maatregelrapport te laten opmaken. In het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Limburg ten behoeve van tbs met voorwaarden d.d. 23 januari 2017, opgemaakt en ondertekend door dhr. J. Schmitz, reclasseringswerker, wordt het volgende geadviseerd:

“Mede gelet op de bevindingen van de gedragsdeskundigen is voorafgaand aan de rechtszitting d.d. 05-04-2016 geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf met ambulante behandeling aan betrokkene op te leggen. Rapporteur is van mening dat het advies en destijds geïndiceerde voorwaarden tot op heden actueel zijn. (…)

Mocht het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch derhalve overwogen om een tbs met voorwaarden aan betrokkene op te leggen dan wil rapporteur daarbij de hieronder genoemde bijzondere voorwaarden ter overweging geven: (kort weergegeven)
- meldplicht;
- opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang;
- behandelverplichting – forensische polikliniek/FACT en verslavingszorg VvG;

- andere voorwaarden het gedrag van de verdachte betreffende.”

Het hof volgt de bevindingen en vorenstaande conclusies van de deskundigen, in zoverre dat het hof – met de deskundigen – van oordeel is dat – gelet op de vorenstaande inhoud van voornoemde rapporten – er sprake is van een dusdanig hoog recidive- en gevaarsrisico dat de samenleving daartegen beschermd dient te worden door middel van een langdurige behandeling van de problematiek van verdachte. Anders dan de deskundigen is het hof echter van oordeel dat gelet op de aard van de problematiek van verdachte, alsmede zijn houding, een zwaarder kader noodzakelijk is. Het hof acht een langdurige, klinische behandeling nodig om een meer blijvende gedragsverandering bij verdachte te kunnen bewerkstelligen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat bij verdachte weinig of geen ziekte-inzicht in zijn psychische problematiek aanwezig is en bovendien sprake is van een bagatelliserende houding ten opzichte van een behandeling. Gebleken is dat verdachte weliswaar bereidheid heeft getoond zijn medewerking te verlenen aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden, maar alleen indien het hof dat noodzakelijk acht en niet vanuit zijn intrinsieke overtuiging.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat teneinde de noodzakelijk geachte behandeling van verdachte te waarborgen er niet kan worden volstaan met oplegging van bijzondere voorwaarden in het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit betekent dat het hof dient te bezien of een maatregel moet worden opgelegd.

Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan. Immers bestond er ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, terwijl de veiligheid van anderen alsmede de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel tbs eist.

Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapporten die

over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde.

Het hof zal - gelet op al het voorgaande - de maatregel van tbs aan verdachte opleggen, met daaraan verbonden de het gedrag betreffende voorwaarden, zoals beschreven in het dictum.

Daarbij overweegt het hof dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat - in

het geval van omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - er sprake is van een zogenoemde ongelimiteerde terbeschikkingstelling

Het verweer van de verdediging strekkende tot oplegging van een ambulante behandeling wordt verworpen.

Verzoek opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis

Door de verdediging is (subsidiair) verzocht tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis, nu de verdediging zich op het standpunt stelt dat in redelijkheid niet langer sprake kan zijn van het onverkort aannemen van (een) grond(en) voor het bevel voorlopige hechtenis. Thans kan niet langer worden aangenomen dat er ernstig rekening dient te worden gehouden met een herhaling van het gewraakte handelen van de verdachte, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat de ernstige bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog onverkort aanwezig zijn.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 824,24 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank geen beslissing heeft genomen op de gevorderde wettelijke rente.

Door de verdediging is deze vordering in hoger beroep betwist, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet zou komen vast te staan dat de schade is gelegen door de benadeelde partij [benadeelde 2]. Uit de stukken die aan de vordering zijn gehecht is immers af te leiden dat ene [naam] als (enig) verzekerde in deze schade heeft geleden en dat de verzekerde in deze ook de eigenaar is.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, nu op basis van de stukken in het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] op pagina 257, kan worden afgeleid dat de benadeelde partij [benadeelde 2], zijnde overigens de echtgenoot van Schouenberg, als mede-eigenaar van de betreffende auto kan worden aangemerkt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.500,-, waarvan € 2.000,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 180,- aan materiële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot in elk geval een (geschat) bedrag van € 1.000,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt het hof dat evident sprake is geweest van (lak)schade aan de auto van de benadeelde partij, zoals blijkt uit de bijgevoegde foto’s van de auto. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de door de benadeelde partij gevorderde bedragen aan materiële– en immateriële schadevergoeding.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering voor wat betreft het materiele gevorderde bedrag aan schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.336,39, waarvan € 836,39 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank geen beslissing heeft genomen op de gevorderde wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde 3] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding tot matiging van het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 37a, 38, 38a, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de volgende voorwaarden:

1 Meldplicht

De verdachte moet zich binnen één week volgend op deze uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch melden op het adres: GGZ Reclassering Limburg Vincent van Gogh, Laurentiusplein 10, 6043 CS Roermond (tussen 13.00-15.00 uur). Hierna moet verdachte zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2 Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte wordt verplicht om binnen Stichting Moveoo of een soortgelijke instelling te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3 Behandelverplichting – Forensische polikliniek / FACT

De verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de gedragsproblematiek bij de forensische polikliniek Het Dok / FPP De Horst of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4 Behandelverplichting – Verslavingszorg VvG

Indien door de SVG Reclassering VvG geïndiceerd, wordt de verdachte verplicht om zich te laten behandelen voor de gokproblematiek bij de Verslavingszorg VvG of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

5 Andere voorwaarden het gedrag betreffende

De verdachte wordt verplicht om mee te werken aan schuldhulpverlening zolang als de reclassering dat nodig acht. De verdachte wordt verplicht om mee te werken aan ambulante woonbegeleiding.

Verstrekt aan de reclassering de opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 824,42 (achthonderdvierentwintig euro en tweeënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 juni 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 824,42 (achthonderdvierentwintig euro en tweeënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 juni 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.336,39 (tweeduizend driehonderdzesendertig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 836,39 (achthonderdzesendertig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.336,39 (tweeduizend driehonderdzesendertig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 836,39 (achthonderdzesendertig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2015.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. H.A.W. Vermeulen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 12 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.