Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1026

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
200.229.564_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10750
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing;

bekrachtiging deeltijd-uithuisplaatsing drie dagen per week. Inzetten op twee sporen beleid: enerzijds rust en structuur voor de minderjarige en anderzijds moet de moeder aan eigen problematiek werken om opvoedingscapaciteiten te verbeteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 maart 2018

Zaaknummer : 200.229.564/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/241903 / JE RK 17-2359

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.N. Hermans,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.N. Hermans,

hierna: de vader.

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

hierna: de GI.

- de minderjarige [minderjarige] ,

hierna: [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 november 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 december 2017, en zoals nader gespecificeerd ter zitting, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de deeltijduithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de deeltijduithuisplaatsing voor drie aaneengesloten dagen en nachten geen doorgang zal hebben, althans dat de uithuisplaatsing wordt beperkt zodat de minderjarige [minderjarige] niet drie aaneengesloten bij zijn oma verblijft, dan wel dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 januari 2018, heeft de GI verzocht, naar het hof begrijpt, het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 november 2017;

  • -

    het V-formulier van 5 februari 2018 met bijlagen van de advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

[minderjarige] verblijft drie van de vier weekenden bij de vader. Het vierde weekend is hij bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 november 2017 voor de duur van één jaar, derhalve tot 7 november 2018.

Tevens heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] in een (deeltijd) netwerkpleeggezin (het hof begrijpt: oma vaderszijde) te plaatsen voor drie aaneengesloten doordeweekse dagen per week, met ingang van 7 november 2017 voor de duur van één jaar, derhalve tot 7 november 2018.

3.3.

De moeder kan zich met de beslissing van de uithuisplaatsing niet verenigen en zij is van dat gedeelte van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen. Kort samengevat voert zij in haar appelschrift – zoals aangevuld ter zitting – het volgende aan.

De moeder boekt door haar inzet bij de hulptrajecten met en voor [minderjarige] zowel vooruitgang in haar stabiliteit in de opvoeding als het juist inspelen op onvoorspelbaarheid.

Zij werkt vrijwillig mee aan deskundige begeleiding van haar individuele problematiek door een maatwerktraject bij de GGZ van het Zuyderland Ziekenhuis te volgen. Zij heeft enige tijd op de wachtlijst gestaan, maar het traject kan nu starten.

Hulp aan [minderjarige] en de moeder wordt in ruime mate geaccepteerd en consequent uitgevoerd. De moeder heeft zelf professionele hulp ingeschakeld vanwege het agressieve gedrag van [minderjarige] . De gespecialiseerde thuisbegeleiding (hierna: GTB) heeft de agressiemomenten aangepakt, waardoor de ontwikkelingsbedreiging is afgewend. De moeder neemt haar verantwoordelijkheden in de lopende hulptrajecten en draagt deze in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

De hechtingsproblematiek tussen [minderjarige] en de moeder wordt met de frequente interventie aan huis door GTB met succes aangepakt waardoor er gebouwd wordt aan het voortbestaan van een veilige gehechtheid. Het is juist de band met de moeder, het sensitief ouderschap, waaraan gewerkt moet worden en dat wordt niet bereikt met een deeltijd uithuisplaatsing. Door de hulpverleningstrajecten in de thuissituatie voort te zetten, kan de moeder steeds adequater inspelen op het gedrag van [minderjarige] .

De moeder heeft medio december 2017 in een emotionele opwelling (vanwege depressieve gevoelens tijdens de feestdagen) de hulpverlening van GTB beëindigd. Dit heeft twee weken geduurd. Op 5 februari 2018 is de hulp vanuit GTB hervat. Sindsdien verleent de moeder haar volledige medewerking. Zij is ook bereid om mee te werken aan een intelligentietest.

De moeder heeft baat gehad bij de hulp die zij krijgt van [hulpverleenster] van InZicht Speltherapie & Gezinsbegeleiding. Dankzij deze hulp heeft de moeder geleerd waar ze op moet letten in de opvoeding van [minderjarige] en is zij er zich bewust van wat zij anders moet doen.

3.4.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

De hulpverleningstrajecten binnen het vrijwillig kader zijn niet toereikend gebleken. De moeder is ambivalent in haar gedrag naar [minderjarige] en naar de hulpverlening. De moeder heeft, tegen het advies van GI in, op 15 januari 2018 medegedeeld dat zij niet verdergaat met GTB. De hechtingsproblematiek tussen de moeder en [minderjarige] kan daarom niet worden aangepakt. Daarnaast heeft de moeder opvoedingsondersteuning nodig. Zij begrijpt vaak niet wat de hulpverlening bedoelt: dit frustreert haar. Zij denkt in ‘zwart-wit’ en weet niet hoe te handelen bij een ‘grijs’ gebied. De moeder is hierdoor onvoorspelbaar. [minderjarige] heeft hier last van. Hij reageert dan agressief door te gaan slaan en schoppen.

Sinds de deeltijduithuisplaatsing zijn de kindbedreigingen minder. [minderjarige] gedijt bij de stabiliteit die hem nu geboden wordt. Vanuit school en vanuit de hulpverlening heeft de GI vernomen dat [minderjarige] rustiger oogt. [minderjarige] heeft vanaf jongs af aan een hechting met opa en oma opgebouwd. De deeltijduithuisplaatsing is in zijn belang, omdat dit zorgt voor voorspelbaarheid, structuur en regelmaat. Opa en oma tonen zich responsief en kunnen aangeven wat zij doen om [minderjarige] te stimuleren in zijn ontwikkeling. Opa en oma spreken warm en liefdevol over [minderjarige] , maar kunnen ook aangeven hoe zij grenzen en regels stellen en hoe zij deze handhaven. Het agressieve gedrag dat [minderjarige] bij de moeder laat zien, vertoont hij niet in het gezin van de oma. De GI wil dat GTB helpt om een verbinding te maken tussen de opvoedingssituatie bij de moeder en bij opa en oma.

De GI vraagt zich af in hoeverre de moeder daadwerkelijk leerbaar is en haar pedagogische vaardigheden structureel zou kunnen toepassen. Er is nog meer onderzoek nodig. Tot nu toe is het de moeder (nog) niet gelukt om geheel met de hulpverlening mee te werken en de hulpverlening te laten slagen. De moeder zegt heel graag te willen, maar weet adviezen (nog) niet om te zetten in handelen. De moeder vindt het lastig om signalen op te pikken. Op dit moment zou het nog niet goed zijn voor [minderjarige] als hij vaker bij de moeder zou verblijven. Het is in het belang van [minderjarige] om de deeltijduithuisplaatsing volledig te handhaven. Het is positief dat de moeder nu individuele hulp heeft. De GI ziet een welwillende moeder die vanuit haar eigen problematiek niet in staat is om [minderjarige] voldoende stabiliteit te bieden. De moeder is echter bereid om hard te werken en zij heeft het beste voor met [minderjarige] .

3.5.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raad, kort samengevat, verklaard dat er sprake is van een beperkte draagkracht bij de moeder. Er is zeker geen sprake van onwil bij de moeder. Zij kan moeilijk aansluiten bij de beleving van [minderjarige] . Hij reageert hierop met negatief gedrag. Sinds [minderjarige] vaker bij oma verblijft, gaat het beter met hem. Oma benadert [minderjarige] positief. Dat is hij tot op heden onvoldoende gewend. [minderjarige] verblijft nu wekelijks twee dagen (op maandag en vrijdag) en één weekend per vier weken thuis bij de moeder. Binnen deze tijdspanne bestaat de meeste kans dat het goed blijft gaan. De raad begrijpt dat de moeder deze tijd te kort vindt, maar de kwaliteit van de contacten is belangrijker dan de kwantiteit.

Zolang de moeder intensief wordt begeleid door GTB, gaat het goed. Zonder deze begeleiding ontstaan er echter weer problemen. De hulp die de raad noodzakelijk acht, is tweeledig: de moeder moet werken aan haar eigen problemen zodat zij sterker wordt én voor [minderjarige] dienen rust en structuur te worden gecreëerd.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Zoals ter zitting door de moeder is verklaard, is het hoger beroep niet gericht tegen de ondertoezichtstelling.

3.6.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.6.3.

Uit het dossier is gebleken van ernstige zorgen over de zesjarige [minderjarige] toen hij nog volledig bij de moeder thuis verbleef. Vanwege de persoonlijke problematiek waarmee de moeder te kampen heeft (zoals borderline, depressie en ADHD), is het voor haar moeilijk om in te schatten wat [minderjarige] nodig heeft en om zich in hem te verplaatsen. Zij is erg rigide in de opvoeding en heeft onvoldoende inzicht in de gevolgen hiervan voor [minderjarige] . [minderjarige] krijgt van zijn moeder teveel begrenzing in wat hij niet mag en wordt door de moeder voortdurend gecontroleerd in zijn doen en laten. [minderjarige] reageert hierop door steeds meer en sterker in opstand te komen. Dit uit zich in agressief en onhandelbaar gedrag. Verder is er tussen de moeder en [minderjarige] sprake van hechtingsproblematiek.

Het hof deelt de visie van de raad dat er ten behoeve van [minderjarige] dient te worden ingezet op een twee sporen beleid: enerzijds moet er rust en structuur worden geboden in zijn opvoedingsomgeving en anderzijds dient de moeder aan haar eigen problematiek te werken teneinde haar opvoedingscapaciteiten te verbeteren, zodat zij beter in staat zal zijn om aan te sluiten bij [minderjarige] .

3.6.4.

Zoals uit de stukken is gebleken en ter zitting door de GI en de raad onderschreven, is [minderjarige] dankzij de (deeltijd)uithuisplaatsing tot rust gekomen en is er structuur en stabiliteit gekomen in zijn leven. In het gezin van oma laat [minderjarige] zich sturen, laat hij geen agressief/onhandelbaar gedrag zien en reageert hij leeftijdsadequaat. Voor het hof staat vast dat de uithuisplaatsing op [minderjarige] een positief effect heeft gehad en dat deze plaatsing noodzakelijk is geweest in het belang van [minderjarige] .

3.6.5.

Ten aanzien van de hulpverlening aan de moeder overweegt het hof dat uit de evaluatie van de GTB van 17 januari 2018 is gebleken dat de moeder meerdere keren handvatten en tips kreeg aangereikt, maar dat zij niet in staat bleek om deze voldoende toe te passen. Zij bleek nauwelijks leerbaar. GTB zag onvoldoende vooruitgang en maakte zich zorgen om de ontwikkeling van [minderjarige] . Het hof acht het positief dat de moeder nog steeds, (afgezien van een korte periode tussen medio december 2017 en begin februari 2018) hulpverlening van GTB krijgt én dat zij deze hulp accepteert. Voor de verbetering van de band tussen de moeder en [minderjarige] en om de moeder te leren aansluiten bij [minderjarige] , acht het hof verdere voortzetting van GTB noodzakelijk. Ook dient de hechtingsproblematiek van [minderjarige] een belangrijk aandachtspunt te zijn binnen de verdere inzet van de GTB. Verder valt het de moeder te prijzen dat zij zich heeft gewend tot de GGZ voor een maatwerktraject ter behandeling van haar individuele problematiek.

Het hof overweegt dat er thans sprake is van een positieve ontwikkeling in de persoonlijke situatie van de moeder en dat zij aantoonbaar openstaat voor gespecialiseerde hulp bij de opvoeding van [minderjarige] , hetgeen ook wordt erkend door de GI en de raad. Deze positieve ontwikkelingen zijn echter nog te recent en onvoldoende bestendig gebleken om de deeltijduithuisplaatsing op te heffen. De hulp van GTB is immers pas recentelijk (sinds 5 februari 2018) weer gestart, terwijl de individuele hulpverlening aan de moeder door GGZ ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog niet was begonnen. Er is dan ook nog onvoldoende resultaat bereikt. Er zal nog moeten worden bekeken wat de effecten op de opvoedingscapaciteiten van de moeder zijn, nadat zij de individuele hulpverlening van de GGZ heeft doorlopen en nadat de GTB verder en meer hulp heeft kunnen bieden aan de moeder en [minderjarige] in de thuissituatie. De uithuisplaatsing is dus ook nu nog noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .

3.6.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Gezien de hulpverleningstrajecten waaraan de moeder thans deelneemt en de tijd die hiermee gemoeid zal zijn voordat positieve effecten (mogelijk) waarneembaar zijn, ziet het hof geen aanleiding om de frequentie van de uithuisplaatsing te verlagen zodat [minderjarige] vaker bij de moeder zal verblijven. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de volledige deeltijduithuisplaatsing van drie aaneengesloten dagen zal worden benut zodat [minderjarige] de komende tijd nog meer kan profiteren van de rust en structuur die oma hem biedt én de moeder bovendien de kans (en de tijd) krijgt om haar opvoedingsvaardigheden te verbeteren. Het hof verwacht dat dit zal leiden tot een positief effect op de contacten van de moeder met [minderjarige] , waar [minderjarige] – en uiteraard ook de moeder – uiteindelijk van zullen profiteren.

3.6.7.

Beslist dient te worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, L.Th.L.G. Pellis en H. van Winkel en is op 8 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.