Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
200.228.050_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:8637
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 maart 2018

Zaaknummer : 200.228.050/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/238282 / JE RK 17-1603

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader);

advocaat mr. B.H.S. Brinkman

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 augustus 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 november 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen, althans de ondertoezichtstelling thans te beëindigen, dan wel een dusdanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 januari 2018, heeft de GI verweer gevoerd en - het hof leest - verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. Jegers, namens de moeder;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- mr. Brinkman, namens de vader.

2.3.1.

De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie tussen de moeder en haar vorige partner, de heer [de vorige partner van appellante] , is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder en de vader. [minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 24 maart 2016 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 september 2017 voor de duur van een jaar, aldus tot 24 september 2018.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals door haar advocaat aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

[minderjarige] wordt niet ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is overgegaan naar groep 2 en functioneert goed op school. Er is geen sprake meer van schoolverzuim. Zijn ontwikkelingsachterstand is veroorzaakt door een late schoolgang (pas vanaf zijn vijfde levensjaar) en door ziekte aan zijn oor waar hij volgens de KNO-arts overheen zal groeien. De omgang met zijn biologische vader, de heer [de vorige partner van appellante] , is gestagneerd omdat de moeder zorgen heeft over het agressieve gedrag van de heer [de vorige partner van appellante] . Hierover loopt een andere procedure. De hulpverlening is niet langer in het gedwongen kader noodzakelijk. De verstandhouding tussen de moeder en de GI is verbeterd. Er komt een breed ontwikkelingsonderzoek bij [minderjarige] door het Academisch Ziekenhuis [vestigingsnaam] (AZM). Aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt niet (meer) voldaan.

3.5.2.

De vader voert, bij monde van zijn advocaat, - kort samengevat - ter zitting het volgende aan.

De vader stelt zich op hetzelfde standpunt als de moeder. Hij verwijst nog naar de ondertoezichtstelling van het halfbroertje van [minderjarige] , [halfbroertje van de minderjarige] , die het hof bij beschikking van 24 november 2016 heeft beëindigd omdat er geen grond voor de ondertoezichtstelling bestond. [minderjarige] leeft in dezelfde situatie als [halfbroertje van de minderjarige] .

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

[minderjarige] wordt nog altijd in zijn ontwikkeling bedreigd. Er is onvoldoende zicht op zijn ontwikkeling doordat de ouders de hulpverlening erg afhouden. Er is nog altijd sprake van een ontwikkelingsachterstand. Hij groeit niet in zijn ontwikkeling, ook niet nu hij naar school gaat; de achterstand loopt juist op. Dit bevestigt ook de school. [minderjarige] is overgegaan naar groep 2 maar zou in groep 3 horen te zitten en het is de vraag of hij volgend jaar naar groep 3 over kan gaan. Door school wordt gekeken of [minderjarige] in aanmerking zou moeten komen voor speciaal onderwijs. De GI vindt het ook zorgelijk dat [minderjarige] geen contact heeft met zijn biologische vader.

Hulpverlening in het gedwongen kader is wel degelijk noodzakelijk. De ouders hebben een groot wantrouwen naar hulpverlening. De samenwerking met de GI is uiterst moeizaam. De ouders handelen buiten de GI om. Overeenstemming over een breed ontwikkelingsonderzoek is na lang aandringen van de GI tot stand gekomen en pas na een vooraankondiging van het geven van een schriftelijke aanwijzing. Het onderzoek wordt nu weer vertraagd omdat de ouders de afspraken niet nakomen. De ouders zien de ernst van de ontwikkelingsachterstand bij [minderjarige] niet in. De ouders zijn ook niet ter zitting verschenen, net zoals in eerste aanleg.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.3.

Het hof is het volgende oordeel toegedaan. Gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hij heeft een forse achterstand op school en deze neemt toe blijkens recente informatie van de school aan de GI. Het ontbreekt de GI daarbij aan inzicht in wat de oorzaak van deze achterstand is. Het hof is, anders dan de ouders menen, van oordeel dat deze achterstand van [minderjarige] niet slechts kan worden verklaard door het feit dat [minderjarige] later, te weten vanaf zijn vijfde levensjaar, naar school is gegaan en door zijn gehoor-problemen. Immers, [minderjarige] groeit thans nog altijd niet in zijn ontwikkeling en de achterstand loopt juist op. Bovendien heeft [minderjarige] op dit moment geen contact met zijn biologische vader de heer [de vorige partner van appellante] , terwijl hij, zoals blijkt uit de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 november 2016 waarnaar door de raadsman van de vader ter zitting is verwezen, in het verleden gedurende langere periodes bij de heer [de vorige partner van appellante] heeft gewoond. Evenmin is de moeder duidelijk over de status van de heer [de vorige partner van appellante] als de biologische vader. Ook deze omstandigheden vormen een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . Er gaat inmiddels een onderzoek naar de ontwikkeling van [minderjarige] plaatsvinden bij het Academisch Ziekenhuis in [vestigingsplaats] (AZM). Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de resultaten van dat onderzoek nog binnen een lopende ondertoezichtstelling kunnen worden meegenomen.

Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat hulpverlening in het vrijwillig kader door de ouders niet snel zal worden aanvaard of ingeroepen, nu er volgens hen in het geheel geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De ouders wantrouwen de GI en andere hulpverlening. Zij houden de hulpverlening die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] te doen verminderen dan wel af te wenden, af. De ouders verschijnen ook niet op zittingen bij de rechtbank noch bij het hof. Evenmin waren de ouders voor hun beider advocaten bereikbaar in de aanloop van de mondelinge behandeling in onderhavige zaak. Voorts delen zij relevante medische gegevens van [minderjarige] niet met de GI (zoals bijvoorbeeld de resultaten van het KNO-onderzoek). Dat het onderzoek bij het AZM opgestart gaat worden, is een resultaat van een langdurige inzet van de GI. Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, wijzen er niet op dat de ouders de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] erkennen en zich daadwerkelijk openstellen voor hulpverlening.

Nu op dit moment nog niet is gebleken dat de ouders niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen, zal het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar, bekrachtigen. Dat het hof blijkens zijn beschikking van 24 november 2016 geen grond voor een ondertoezichtstelling van [halfbroertje van de minderjarige] , aanwezig achtte, maakt bovenstaand oordeel niet anders. Immers, het hof is blijkens genoemde beschikking van oordeel dat met betrekking tot [halfbroertje van de minderjarige] onvoldoende sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, terwijl [minderjarige] wel zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Het hof heeft de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling van [minderjarige] ingaande 24 maart 2016 (dan ook) in stand gelaten.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 29 augustus 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 8 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.