Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:995

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200.145.151_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgplicht door bank geschonden bij verstrekking krediet voor aanschaf personenauto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2017/51
NTHR 2017, afl. 4, p. 204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.145.151/01

arrest van 14 maart 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] en, ieder afzonderlijk, als de heer [appellant] en mevrouw [appellante] ,

advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Bergen op Zoom,

tegen

Volkswagen Bank GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats] (BRD), mede kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Volkswagen Bank,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 september 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom onder zaaknummer 2080767 CV EXPL 13-2960 gewezen vonnis van 30 oktober 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 16 september 2014 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 20 juli 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties, tevens houdende vermeerdering van eis;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het door de raadsman van [appellanten] toegezonden H12-formulier van 11 oktober 2016, met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Voor de weergave van de vaststaande feiten en het geschil verwijst het hof naar het tussenarrest van 16 september 2014.

6.2.

Partijen verschillen allereerst van mening of [appellanten] tijdig hebben geklaagd over het vermeende tekortschieten van Volkswagen Bank in het kader van de kredietverlening aan [appellanten]

Het hof is van oordeel dat [appellanten] binnen bekwame tijd na ontdekking van het beweerde tekortschieten daartegen hebben geprotesteerd bij Volkswagen Bank en overweegt daartoe het volgende:

  1. In ogenschouw moet worden genomen dat de prestatie van Volkswagen Bank een kredietverlening betreft, waarbij door Volkswagen Bank als deskundig te achten dienstverlener een kredietvoorstel is gedaan aan [appellanten] die, zo staat vast, op het punt van de op kredietverlening van toepassing zijnde normen en regels niet als deskundig kunnen worden aangemerkt.

  2. In beginsel mochten [appellanten] er op vertrouwen dat de door Volkswagen geleverde prestatie deugdelijk was en hoefden zij niet te bevroeden dat Volkswagen Bank bij de kredietverlening mogelijk fouten zou hebben gemaakt.

  3. Het enkele gegeven dat [appellanten] naar eigen zeggen (zie nr. 9 van de conclusie van antwoord) kort na de totstandkoming van de in het geding zijnde kredietovereenkomsten geconfronteerd werden met betalingsproblemen en zij medio 2011 hierover in overleg zijn getreden met Volkswagen Bank doet aan het voorgaande niet af, nu die betalingsproblemen alleen nog niet hoefden/hoeven te duiden op een tekortschieten (in de vorm van overkreditering) aan de zijde van Volkswagen Bank.

  4. [appellanten] hebben zich, naar aanleiding van opmerkingen van een lokale KIA-dealer hierover, op 18 november 2011, gewend tot een financieel deskundige die zich vervolgens op 29 november 2011 respectievelijk 13 december 2011 en 23 december 2011 namens [appellanten] tot Volkswagen Bank heeft gewend met vragen en klachten over de kredietverlening. Het hof leidt hieruit af dat [appellanten], toen zij reden hadden om te vermoeden dat er mogelijk iets niet goed was gegaan met de kredietverlening door Volkswagen Bank, zich binnen korte tijd voorzien hebben van deskundige hulp, die vervolgens weer op zijn beurt binnen bekwame tijd met de klacht tot Volkswagen Bank heeft gewend.

Grief I slaagt gelet op het voorgaande.

6.3.

[appellanten] zijn met grief XVI opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot hun beroep op dwaling. Zij hebben gesteld dat wanneer zij op de hoogte waren gebracht van de risico’s die zijn gemoeid met de huurkoopovereenkomst, zij niet akkoord waren gegaan met die huurkoopovereenkomst. Volkwagen Bank dan wel haar verbonden bemiddelaar autobedrijf [Autobedrijf] hebben gezwegen daar waar zij hadden behoren te melden dat grote risico’s verbonden waren aan het aangaan van het krediet.

Volkswagen Bank heeft verweer gevoerd. Het door haar geleverde product was eenvoudig van aard en zij heeft aan alle zorgvuldigheidseisen met betrekking tot de totstandkoming van de kredietovereenkomst voldaan.

Het hof is van oordeel dat deze grief niet slaagt. [appellanten] hebben onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat bij hun een juiste voorstelling van zaken heeft ontbroken met betrekking tot de tussen partijen gesloten kredietovereenkomsten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de inhoud van de in het geding zijnde kredietovereenkomsten zonder meer blijkt:

  • -

    welk bedrag werd geleend;

  • -

    de omvang van de te betalen termijnen;

  • -

    de duur van de periode dat voormelde termijnen betaald moesten worden;

  • -

    de omvang van de te betalen kredietvergoeding;

  • -

    de omvang van de te betalen restantsom inclusief laatste termijnbetaling;

  • -

    welke strekking de kredietovereenkomsten hadden: de financiering van 2 specifieke auto’s die [appellanten] hadden gekozen.

Gesteld noch gebleken is dat bij [appellanten] over deze voor de kredietovereenkomsten essentiële punten sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken. Tot slot betrekt het hof hierbij ook de omstandigheid dat [appellanten] al eerder soortgelijke kredietovereenkomsten met Volkswagen Bank hadden gesloten en zij daarom op de hoogte moeten zijn geweest van de uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

De slotsom luidt dan ook dat het beroep op dwaling van [appellanten] terecht door de kantonrechter is verworpen en dat van vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling geen sprake kan zijn. Grief XVI faalt daarom.

6.4.

De grieven II tot en met XIV hebben in de kern betrekking op de stelling van [appellanten] dat er sprake is geweest van toerekenbare tekortkomingen, onrechtmatige daad en onzorgvuldigheid van Volkswagen Bank bij het afsluiten van de beide in het geding zijnde kredietovereenkomsten, waarbij grief IV zelfstandige betekenis mist. Daardoor is er volgens [appellanten] sprake geweest van overkreditering en van overeenkomsten die nooit afgesloten hadden moeten worden. [appellanten] begroten de door hun hierdoor geleden schade vooralsnog op de betaalde rente en aflossingen onder de kredietcontracten, waarbij de waardevermindering van de in huurkoop gekochte auto’s voor rekening van Volkswagen Bank dient te komen. Voor het geval het hof van oordeel mocht zijn dat ten aanzien van de met betrekking tot de Suzuki Swift gesloten overeenkomst geen sprake mocht zijn van overkreditering (contract nummer [nummer 1] ), vorderen [appellanten] dat het hof zal bevestigen dat de redelijkheid en billijkheid er aan in de weg staan dat de vordering van Volkswagen Bank ter zake van de restantvordering uit hoofde van het contract met betrekking tot de Seat Altea (contractnummer [nummer 2] en niet nummer [nummer 1] , welk laatste nummer [appellanten] in de memorie van grieven –in afwijking van het in eerste aanleg gevorderde- kennelijk abusievelijk hebben vermeld) wordt toegewezen.

Volkswagen Bank heeft verweer gevoerd. Op die verweren wordt hierna voor zover van belang ingegaan.

6.4.1.

Alvorens op de vraag op Volkswagen Bank tekort is geschoten en/of onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld in te gaan, stelt het hof het volgende voorop:

a. Het hof overweegt dat het geschil -ondanks het gegeven dat de vorderingen van Volkswagen uitsluitend zien op het contract dat met betrekking tot de Seat Altea is gesloten- niet alleen betrekking heeft op de kredietovereenkomst met betrekking tot de Seat Altea (contract nummer [nummer 2] ), maar ook op de met betrekking tot de Suzuki Swift gesloten kredietovereenkomst (contract nummer [nummer 1] ). Beide overeenkomsten zijn door bemiddeling van autobedrijf [Autobedrijf] nagenoeg gelijktijdig/kort na elkaar tot stand gekomen (namelijk op 17 respectievelijk 25 juni 2010) op basis van dezelfde financiële informatie van [appellanten]. Gesteld noch gebleken is dat in de korte periode tussen de totstandkoming van beide contracten de financiële positie en de door [appellanten] daarover gegeven informatie is gewijzigd. Bij de vraag of er sprake zou zijn geweest van overkreditering moeten daarom beide overeenkomsten worden betrokken.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de algemene voorwaarden van Volkswagen Bank op de overeenkomsten van toepassing zijn. [appellanten] hebben gesteld dat Volkswagen Bank hun geen exemplaar van die voorwaarden ter hand heeft gesteld en roepen de vernietiging in van de toepasselijkheid van deze voorwaarden.

Volkswagen Bank heeft betwist dat de algemene voorwaarden niet aan [appellanten] ter hand zijn gesteld en zij verwijst daarbij naar de vermelding in de door [appellanten] ondertekende contracten dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld en dat zij van de inhoud daarvan kennis hebben genomen.

Het hof stelt vast dat in beide contracten de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“(…) I. Partijen verklaren, dat op deze overeenkomst voorts van toepassing zijn de voorwaarden en bedingen zoals vermeld op blad 2 van deze overeenkomst.

J. Cliënt verklaart een afschrift van deze overeenkomst, inclusief de op blad 2 vermelde voorwaarden en bedingen, en een financieringsprospectus te hebben ontvangen, de inhoud daarvan te kennen en daarmede akkoord te gaan (…)”

Onder deze bepalingen hebben partijen vervolgens hun handtekening gezet.
De door [appellanten] ondertekende onderhandse akten leveren tegen hen en ten behoeve van Volkswagen Bank dwingend bewijs op van hun verklaring, die bestemd is tot bewijs (artikel 157 lid 2 Rv). [appellanten] hebben geen nadere uitleg gegeven van hun stellingen op dit punt.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat [appellant] c.s, anders dan zij stellen, wel degelijk een afschrift van de algemene voorwaarden en de prospectus hebben ontvangen en dat zij van de inhoud daarvan kennis hebben kunnen nemen. In dit verband is relevant dat [appellanten] zelf hebben gesteld een kopie van de overeenkomst te hebben ontvangen, maar dat zij niet hebben gesteld (en evenmin bewijs daarvan hebben aangeboden) dat zij pagina 2 van de overeenkomst (waarin bedoelde voorwaarden zijn vermeld) niet hebben ontvangen.

6.4.2.

[appellanten] hebben aangevoerd dat Volkswagen Bank de informatie-, onderzoek- en waarschuwingsverplichtingen, zoals die voortvloeien uit onder meer de Wet op het Financieel Toezicht, diverse gedragscodes voor banken/financiële ondernemingen en het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van hen hebben geschonden. Volkswagen Bank heeft daarmee de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht geschonden, aldus [appellanten].

Het hof zal hierna ingaan op de diverse relevante geschilpunten die partijen verdeeld houden. Het gaat hierbij in de kern om de volgende geschilpunten:

  1. wat is de omvang/aard van de zorgplicht in kwestie?

  2. heeft Volkswagen Bank voldoende informatie ingewonnen over de financiële situatie van [appellanten](onderzoekplicht)?

  3. heeft Volkswagen Bank de normen/gedragsregels met betrekking tot de berekening van de kredietmogelijkheid goed toegepast?

6.4.3.

De aard en omvang van de zorgplicht

6.4.3.1. Op een financieel dienstverlener als Volkswagen Bank, die beschouwd moet worden als een professionele en bij uitstek deskundig financieel dienstverlener, rust ten opzichte van particuliere, niet professionele cliënten als [appellanten] een zorgplicht. De reikwijdte van die zorgplicht hangt mede af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het krediet, de toepasselijke regelgeving tot nakoming waarvan de dienstverlener is gehouden en de voor de dienstverlener geldende gedragsregels.

6.4.3.2. Voor wat betreft de aard van het krediet hebben [appellanten] in dit verband gesteld dat er sprake is van een complex financieel product. Volkswagen Bank heeft dit gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dat uit de inhoud van de beide kredietovereenkomsten niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een complex product als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen Wft (verder Bgfo), welk besluit op grond van de Wet op het Financieel Toezicht (verder: Wft) in deze van toepassing is. De tussen partijen gesloten overeenkomsten vallen niet onder een van de in artikel 1 Bgfo genoemde producten. Los daarvan is het hof, met de kantonrechter, van oordeel dat uit de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomsten (en de daarbij horende toepasselijke algemene voorwaarden) zonder meer duidelijk moet zijn geweest/is, welke financiële verplichtingen op [appellanten] rustten. Daar komt bij dat [appellanten], zoals hiervoor overwogen, al eerder soortgelijke kredietovereenkomsten met Volkswagen Bank hadden gesloten en zij dus geacht moeten worden bekend te zijn geweest met de inhoud en voorwaarden van die overeenkomsten.

In hoeverre de andere relevante omstandigheden van het geval (de toepasselijke regelgeving en de gedragsregels) in deze zaak van belang zijn zal hierna aan de orde komen.

6.4.4.

Heeft Volkswagen Bank voldoende informatie ingewonnen over de financiële situatie van [appellanten]?

6.4.4.1. [appellanten] hebben in dit verband gesteld, zakelijk weergegeven, dat Volkswagen Bank onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de financiële omstandigheden en andere leefomstandigheden van [appellanten].

Volkswagen Bank hebben betwist dat zij tekort zijn geschoten in hun onderzoekplicht.

6.4.4.2. In artikel 4:34 Wft is in dit verband het volgende bepaald:

Lid 1: Voor de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, of een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel de som van de bedragen die op grond van een bestaande overeenkomst inzake krediet aan de consument ter beschikking zijn gesteld, wint een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst onderscheidenlijk de belangrijke verhoging verantwoord is.

Lid 2: De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument en gaat niet over tot een belangrijke verhoging van de kredietlimiet of de som van de bedragen die op grond van een bestaande kredietovereenkomst aan de consument ter beschikking zijn gesteld indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is.

Lid 3: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

In deze is verder van belang dat artikel 113 Bgfo bepaalt dat een aanbieder van krediet geen overeenkomst inzake krediet aan gaat waarvan de kredietsom of de kredietlimiet meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een ander duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

Ten aanzien van de van toepassing zijnde regelgeving overweegt het hof dat de achtergrond daarvan is dat de kredietverlener de onvoorzichtige en of onwetende consument beschermt tegen het nemen van onverantwoorde beslissingen op, in dit geval, het gebied van het sluiten van kredietovereenkomsten. Van de potentiële kredietverstrekker wordt in het kader van de op haar rustende zorgplicht een actieve rol verwacht bij de bescherming van de consument tegen te hoge risico's bij het aangaan van kredietovereenkomsten.

6.4.4.3. Vast staat dat Volkswagen Bank de volgende informatie over de financiële positie van [appellanten], naast de mondelinge informatie die [appellanten] zouden hebben gegeven, heeft ingewonnen:

- er zijn loonstroken van [appellanten] opgevraagd en verkregen over de periode mei 2010, één met betrekking tot de heer [appellant] en één met betrekking tot mevrouw [appellante] - [appellant] ;

- er zijn rekeningafschriften van de rekening van [appellanten] bij de ING-bank opgevraagd en verkregen, waarbij overigens onduidelijk is hoeveel rekeningafschriften aan Volkswagen Bank ter hand zijn gesteld en of er meer afschriften zijn verstrekt dan de twee die bij productie 7 van de conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie in het geding zijn gebracht;

- Volkswagen Bank heeft een BKR-toetsing uitgevoerd.

Of Volkswagen Bank meer of andere informatie heeft ingewonnen kan niet worden vast-

gesteld. Volkswagen Bank heeft immers geen zogenaamd “klantenprofiel”, waarin alle

relevante opgevraagde en/of verkregen gegevens met betrekking tot de klant zijn opgenomen

in het geding gebracht en evenmin een door haar ingevuld inventarisatieformulier. Zij stelt die gegevens niet meer voorhanden te hebben. Het hof wijst in deze op het bepaalde in artikel 33 Bgfo op grond waarvan een aanbieder van krediet de verkregen relevante financiële informatie op zijn minste gedurende vijf jaar na de dag waarop de overeenkomst is afgewikkeld moet bewaren. Voor zover er daarom onduidelijkheid bestaat over welke gegevens Volkswagen Bank verder aan [appellanten] heeft gevraagd, dient dat in beginsel voor haar risico te blijven en moet worden aangenomen dat Volkswagen Bank haar verweer in zoverre onvoldoende heeft toegelicht.

6.4.4.4. [appellanten] hebben Volkswagen Bank op het punt van de informatieplicht/onderzoekplicht verweten dat Volkswagen Bank heeft verzuimd nader onderzoek te doen naar de aard van het dienstverband van [appellanten]. Zij wijzen op het feit dat de heer [appellant] ten tijde van het aanvragen van het krediet op basis van een uitzendovereenkomst werkte en mevrouw [appellante] op basis van een tijdelijk dienstverband. Deze omstandigheid had Volkswagen Bank bij haar besluit over het aangevraagde krediet moeten betrekken, aldus [appellanten]

Volkswagen Bank heeft hiertegen aangevoerd dat zij, mede gelet op de eenvoudige aard van het financiële product, niet gehouden was onderzoek te doen naar de positie op de arbeidsmarkt van [appellanten]. Het standpunt van [appellanten] zou er bovendien ten onrechte toe leiden dat geen krediet kan worden verstrekt aan mensen zonder vast arbeidscontract.

Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] in deze. [appellanten] hebben, zo blijkt uit de toelichting op grief V, gesteld dat Volkswagen Bank heeft verzuimd nader onderzoek te doen naar de aard van het dienstverband van [appellanten]. De aard van het dienstverband behoefde naar het oordeel van het hof bij gebreke van een nadere toelichting door [appellanten] en aanwijzingen voor twijfel over de bestendigheid ervan niet nader te worden onderzocht. Het gegeven dat er sprake was van een tijdelijk dienstverband en een dienstverband via een uitzendbureau brengt niet zonder meer met zich dat er in de nabije toekomst sprake van zou zijn dat [appellanten] hun baan zouden verliezen. [appellanten] hebben ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het Volkswagen Bank duidelijk zou moeten zijn geweest dat met dergelijk op relatief korte termijn te verwachten baanverlies rekening moest worden gehouden. Integendeel, zij hebben nu juist ten aanzien van mevrouw [appellante] gesteld (pagina 2 van de memorie van grieven), dat zij pas in februari 2011 vanwege ziekte uit dienst is gegaan en gesteld noch gebleken is dat Volkswagen Bank dit ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomsten had kunnen of moeten voorzien. Ten aanzien van de heer [appellant] hebben zij weliswaar gesteld dat hij “vrij snel inkomen uit arbeid verloor” (zie pagina 2 van de memorie van grieven), maar deze stelling is verder op geen enkele manier feitelijk onderbouwd of geconcretiseerd, zodat het hof, nog los van het feit of dit verlies van werk voorzienbaar moet zijn geweest ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en de vraag of het risico door nader onderzoek aan het licht had kunnen worden gebracht, daaraan voorbij gaat.

6.4.4.5. Vast staat dat Volkswagen bij de kredietverstrekking geen rekening heeft gehouden met de kinderalimentatieverplichting van de heer [appellant] (destijds € 343,00 per maand) en dat [appellanten] bij het aanvragen van het krediet tegenover Volkswagen Bank geen melding hebben gemaakt van deze verplichting. Uit de door [appellanten] aan Volkswagen Bank verstrekte rekeningafschriften kan het bestaan van de alimentatieverplichting niet worden afgeleid (de heer [appellant] voldoet het verschuldigde bedrag aan alimentatie doorgaans contant).

[appellanten] zijn met betrekking tot de alimentatieverplichting van mening dat Volkswagen Bank heeft nagelaten hier actief naar te vragen, wat wel van haar had mogen worden verwacht als zorgvuldig handelend kredietverstrekker. Zij wijzen onder meer op de standaard inventarisatieformulieren die door andere kredietverstrekkers worden gebruikt en waarin duidelijk gevraagd wordt of er alimentatieverplichtingen zijn (productie 8 bij memorie van grieven). Zij stellen dat van hun niet kon worden verwacht dat zij hadden begrepen dat zij uit eigener beweging deze kostenpost moesten opgeven. De heer [appellant] beschouwde de betaling van een onderhoudsbijdrage voor zijn kind ook niet als verplichting.

Volkswagen Bank heeft betwist dat haar in dit opzicht iets verweten kan worden en wijst op de eigen verantwoordelijkheid van [appellanten] in deze.

Het hof oordeelt als volgt.
Niet in geschil is dat de alimentatieverplichting in het licht van de financiële positie van [appellanten] niet gering was en dat die van belang was voor de beoordeling door Volkswagen Bank. Partijen zijn het erover eens dat Volkswagen Bank of Autobedrijf [Autobedrijf] aan [appellanten] voor het aangaan van de overeenkomsten een algemene vraag heeft gesteld over vaste lasten en dat [appellanten] in antwoord daarop verschillende lasten hebben genoemd, maar de alimentatie niet hebben gemeld.

Dat er door/namens Volkswagen Bank of Autobedrijf [Autobedrijf] als haar verbonden bemiddelaar doelgericht en uitdrukkelijk naar een kinderalimentatieverplichting zou zijn gevraagd is door Volkswagen Bank niet gesteld noch anderszins gebleken. Of een vraag naar alimentatieverplichtingen onderdeel was van het volgens Volkswagen Bank bij het gesprek door de medewerker van Autobedrijf [Autobedrijf] met [appellanten] gebruikte inventarisatieformulier van Volkswagen Bank kan niet worden vastgesteld. Dat inventarisatieformulier is, zoals hiervoor al vastgesteld, door Volkswagen Bank niet overgelegd. Voor zover Volkswagen Bank heeft willen stellen dat de gevraagde gegevens af te leiden zouden zijn uit het door haar als producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord in reconventie overgelegde formulieren, overweegt het hof dat uit die formulieren niet valt af te leiden welke vragen op welke manier aan [appellanten] zijn gesteld bij het inventariseren van hun financiële gegevens.

Over de exacte gang van zaken tijdens het gesprek van [appellanten] en de medewerker van Autobedrijf [Autobedrijf] , bij gelegenheid waarvan de kredietaanvraag is gedaan, zijn geen (laat staan schriftelijk vastgelegde) concrete gegevens gesteld door Volkswagen Bank noch zijn die anderszins komen vast te staan. Wel duidelijk, gezien de stellingen van partijen (grieven, blz. 1-2, aantekeningen pleidooi 25 oktober 2016, blz. 3 bovenaan), is dat [appellanten] op een dag in de showroom van Autobedrijf [Autobedrijf] kwamen, 2 auto’s kozen en direct (in een kamertje naast de showroom) het eerste en enige (korte) gesprek voerden met Volkswagen Bank/Autobedrijf [Autobedrijf] voor het aangaan van de overeenkomsten. Of tijdens dat gesprek door [appellanten] telefonisch gesproken zou zijn met een medewerker van Volkswagen Bank, zoals door Volkwagen Bank is aangevoerd en door [appellanten] bij gelegenheid van het pleidooi is weersproken, is evenmin komen vast te staan en, zo er al zo'n telefoongesprek zou hebben plaats gevonden, dan is niet duidelijk geworden wat de inhoud daarvan is geweest en welke vragen over de vaste lasten en andere financiële omstandigheden van [appellanten] aan hen zouden zijn gesteld. Hierdoor is niet komen vast te staan in hoeverre en hoe gedetailleerd Volkswagen Bank en/of (de medewerker van) Autobedrijf [Autobedrijf] adequaat heeft/hebben geïnformeerd naar de (vaste) lastenpositie van [appellanten]. Evenmin is door Volkswagen Bank voldoende concreet gesteld noch anderszins duidelijk geworden of de vragen naar de lasten van [appellanten] zodanig zijn geformuleerd, dat [appellanten] redelijkerwijs wel hadden moeten begrijpen dat zij het maandelijkse bedrag aan kinderalimentatie dat de heer [appellant] moest betalen dienden te vermelden. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat [appellanten], zo er al een actieve mededelingsplicht op hun rustte zoals Volkswagen Bank heeft gesteld, een terecht verwijt kan worden gemaakt dat zij die mededelingsplicht hebben geschonden.

Het voorgaande betekent dat het hof van oordeel is dat Volkswagen Bank haar betwisting van de stelling van [appellanten] dat Volkswagen Bank bij het inwinnen van informatie over de lastenpositie van [appellanten] onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld onvoldoende heeft toegelicht. Dat daardoor de belangrijke lastenpost van de kinderalimentatie niet bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van [appellanten] is betrokken dient daarom voor rekening en risico van Volkswagen Bank te komen.

6.4.4.6. Volkswagen Bank heeft bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van [appellanten] geen rekening gehouden met de maandelijkse premie van de spaarhypotheek van € 50,00. [appellanten] stellen dat Volkswagen Bank ten onrechte geen acht heeft geslagen op die vaste lastenpost.

Het hof stelt vast dat op het als productie 4 bij conclusie van antwoord in reconventie door Volkswagen Bank overgelegde rekeningafschrift van de bankrekening van [appellanten] bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer], pagina 2 van 5 van 14 mei 2010, een afschrijving van € 50,00 is vermeld met de vermelding "polis [polisnummer] maand 05/2010 MAATWERKVERZEKERING UW VERZEKERINGSPREMIE ING Levensverzekering Retail bv". Met name uit de vermelding "maand 05/10" had Volkswagen Bank redelijkerwijs kunnen en moeten afleiden dat dit een maandelijks terugkerende (en dus: vaste) lastenpost van [appellanten] betrof. Zij had dan ook bij haar onderzoek naar de kredietwaardigheid van [appellanten] met deze post rekening moeten houden althans naar deze post nader moeten informeren bij [appellanten].

6.4.4.7. Concluderend is het hof, gelet op het voorgaande, van oordeel dat Volkswagen Bank ten opzichte van [appellanten] niet op de juiste wijze aan de op haar ingevolge artikel 4.34 Wft rustende onderzoekverplichting heeft voldaan.

6.5.

Heeft Volkswagen Bank de normen/gedragsregels met betrekking tot de berekening van de kredietmogelijkheid goed toegepast?

6.5.1.

[appellanten] hebben in dit verband, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

i) Volkswagen Bank heeft de leennorm verkeerd berekend en had gelet op de persoonlijke situatie van [appellanten] niet tot verstrekking van de kredieten mogen overgaan.

ii) Volkswagen Bank heeft in strijd met de regels omtrent advisering geen klantprofiel en financieringsadvies opgemaakt en [appellanten] niet adequaat geïnformeerd en gewaarschuwd;

6.5.2.

Volkswagen Bank heeft de leennorm verkeerd berekend en had gelet op de persoonlijke situatie van [appellanten] niet tot verstrekking van de kredieten mogen overgaan.

6.5.2.1. [appellanten] hebben zakelijk weergegeven betoogd dat Volkswagen Bank de leennorm verkeerd heeft berekend, dat zij van de verkeerde gegevens is uitgegaan en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de specifieke arbeidsrechtelijke situatie van [appellanten] en dat er sprake is van overkreditering.

6.5.2.2. Volkswagen Bank heeft verweer gevoerd en daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat zij terecht van de door [appellanten] opgegeven gegevens is uitgegaan, zij de kredietruimte juist heeft berekend, zij ten aanzien van het gegeven van de tijdelijke arbeidscontracten van [appellanten] hen niet hoefde te waarschuwen en dat er geen sprake is geweest van overkreditering.

6.5.2.3. Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat de gedragscode van de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland 2010 (hierna: Vfn) op de onderhavige zaak van toepassing is. Beide partijen zijn in dit verband uitgegaan van de zogenaamde leennorm (zie art. 5 Vfn) ten bedrage van € 1.377,00 netto per maand. Zij verschillen verder evenmin over het bedrag van de woonlasten (€ 362,00 per maand).

Volkswagen Bank heeft daarnaast bij de berekening met betrekking tot het krediet voor de Seat Altea rekening gehouden met een hogere BKR-last (€ 520,00) dan [appellanten] (€ 292,00), omdat zij rekening houdt met de lasten uit de kredietovereenkomst met betrekking tot de Suzuki Swift.

Volkswagen Bank heeft geen rekening gehouden met de door de heer [appellant] betaalde kinderalimentatie van € 343,00 per maand. Zoals hiervoor onder 6.4.4.5. overwogen komt dit voor rekening en risico van Volkswagen Bank en bij de berekening van de maximale maandlast had Volkswagen Bank ook het bedrag van de kinderalimentatie moeten betrekken.

Dit geldt, zoals onder 6.4.4.6. overwogen, ook voor de premie van de spaarhypotheek van € 50,00 per maand.

Partijen strijden over de vraag van welke inkomensgegevens Volkswagen Bank mocht/moest uitgaan bij haar berekening. Volgens [appellanten] had alleen het basissalaris van mevrouw [appellante] mogen meetellen althans 70% van het nettosalaris (dat het basissalaris overstijgt).

Het hof verwerpt dit betoog van [appellanten]. Uit de als productie 7 bij de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie overgelegde loonstrook blijkt (zie het cumulatieve nettoloon) dat mevrouw [appellante] sinds haar indiensttreding op 1 februari 2010 maandelijks gemiddeld bijna tweemaal zoveel verdiende als het basissalaris. In die zin kan er dan ook gesproken worden van een “inkomstenbron met een bestendig karakter” (als bedoeld in artikel 8 van de Gedragscode Consumptief Krediet van de Nederlandse Vereniging van Banken, zoals die gold ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomsten) die veel groter is dan waarvan [appellanten] uitgaan. Volkswagen Bank kon daarom van het door haar gehanteerde bedrag van € 1.151,00 netto per maand uitgaan.

Het voorgaande leidt tot de volgende maximale maandlast voor het krediet:

Gezamenlijk inkomen € 2.725,00

Woonlasten - 362,00

BKR-last - 520,00

alimentatieverplichting - 343,00

premie spaarhypotheek - 50,00

Norm levensonderhoud - 1.377,00

-----------------------------------------------------------------------

Maximale maandlast krediet € 73,00

Het door [appellanten] te betalen maandbedrag uit hoofde van de kredietovereenkomst met betrekking de Seat Altea bedroeg afgerond € 290,00. Zoals hiervoor onder overweging 6.4.1. onder a is overwogen, dient bij de beoordeling van dit geschil ook de overeenkomst met betrekking tot de Suzuki Swift worden betrokken. Ingevolge die overeenkomst dienden [appellanten] maandelijks een bedrag van afgerond € 158,00 te betalen. Dit betekent dat [appellanten] per maand in totaal een bedrag van € 448,00 uit hoofde van de kredietovereenkomsten dienden te betalen. Daarmee werd de hiervoor berekende maximale maandlast krediet met een bedrag van € 375,00 overschreden. Er is daarom naar het oordeel van het hof van overkreditering sprake geweest en Volkswagen Bank heeft bij de kredietverlening in strijd met voornoemde gedragscode gehandeld.

6.5.2.4. Bij juiste toepassing van de gedragscode van de Vfn en met het betrekken van de juiste financiële gegevens (alimentatie en spaarhypotheek) zou zonder meer duidelijk zijn geworden dat de onderhavige kredieten met het oog op de voorkoming van overkreditering en consumentenbescherming niet verstrekt hadden mogen worden. Volkswagen Bank had dan ook moeten weigeren deze kredietovereenkomsten aan te gaan. Door dit achterwege te laten heeft Volkswagen Bank niet zorgvuldig gehandeld.

6.6.

Conclusie en gevolgen

6.6.1.

Concluderend is het hof van oordeel dat grieven V tot en met IX slagen. Volkswagen Bank heeft niet aan haar zorgplicht voldaan. Zij heeft de litigieuze kredieten verstrekt terwijl het niet verantwoord was om kredieten van deze omvang en met deze maandlasten te verstrekken aan [appellanten] Daardoor is er sprake is geweest van forse overkreditering. Volkswagen Bank heeft hiermee onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten].

6.6.2.

Hieraan doet niet af dat [appellanten], die verder als leken op het terrein van financiering moeten worden beschouwd, het financieringsproduct kenden vanuit het verleden. Dat zij wisten wat een dergelijke consumptieve lening inhield brengt nog niet met zich dat zij zich hadden kunnen en moeten realiseren dat het aangaan van kredieten van de omvang als waarvan in deze procedure sprake is onverantwoord was en dat Volkswagen Bank (die als professioneel kredietverlener te beschouwen is) in strijd met de gedragscode van de Vfn 2010 handelde.

6.6.3.

Evenmin van belang is de omstandigheid dat [appellanten] pas na geruime tijd met de aflossing van de maandelijkse termijnen aan Volkswagen Bank in de problemen zijn gekomen. Dat [appellanten] er enige tijd in geslaagd zijn om, ondanks de te hoge maandtermijnen, die termijnen aan Volkswagen Bank te voldoen, doet niets af aan het gegeven dat de onderhavige kredieten uit hoofde van de voorkoming van overkreditering en consumentenbescherming niet afgesloten hadden mogen/moeten worden. De door Volkswagen Bank overtreden normen strekten ook ter bescherming van de belangen van [appellanten] als consument. De daardoor voor hen ontstane schade komt voor rekening van Volkswagen Bank.

6.6.4.

[appellanten] hebben gesteld dat de door hen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Volkswagen Bank geleden schade gesteld moet worden op de onder de beide kredietovereenkomsten betaalde en nog te betalen rentevergoedingen.

Het hof overweegt als volgt.

  • -

    Vast staat dat [appellanten] op een gegeven moment in 2011 in gebreke zijn gebleven om de verschuldigde maandtermijnen aan Volkswagen Bank te voldoen en dat Volkswagen Bank de overeenkomst met betrekking tot de Seat heeft ontbonden en in april 2012 de Seat heeft teruggenomen. Gelet op dit gegeven en het feit dat het niet naleven van de verplichtingen uit hoofde van artikel 4:34 Wft de geldigheid van de kredietovereenkomst in beginsel niet aantast, moet dit leiden tot de conclusie dat de rechtbank terecht de verklaring voor recht heeft uitgesproken, inhoudende dat de huurkoopovereenkomst tussen Volkswagen Bank en [appellanten] betreffende de Seat Altea is ontbonden en dat Volkswagen Bank in beginsel aanspraak kan maken op de openstaande restantschuld na verkoop van die auto.

  • -

    Tegenover de hiervoor vermelde restantschuld staat echter de verplichting van Volkswagen Bank om de door haar onrechtmatig handelen als hiervoor omschreven ontstane schade te vergoeden. Het hof begroot die schade op het bedrag van de openstaande en door Volkswagen gevorderde restantschuld (met betrekking tot de Seat). Daarbij overweegt het hof allereerst dat [appellanten] tot april 2012 gebruik hebben gemaakt van de Seat. Zij hebben weliswaar voor dat gebruik termijnen moeten betalen die zij niet hadden hoeven betalen als Volkswagen Bank niet tot de gewraakte kredietverlening was overgegaan, maar feit blijft dat zij bijna twee jaren de auto hebben kunnen gebruiken: zij hadden de auto ook niet gehad indien de overeenkomst niet zou zijn gesloten. Voor wat betreft de gestelde schade bestaande uit de tot april 2012 betaalde termijnen heeft dan ook te gelden dat daar een voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW tegenover heeft gestaan. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de voor de Suzuki betaalde en nog te betalen termijnen. Deze auto is immers nog steeds in gebruik bij [appellanten] en de op die auto betrekking hebbende kredietovereenkomst is niet ontbonden. Het is een keuze van [appellanten] om de Suzuki te houden en te gebruiken. Zonder nadere toelichting kan dan ook niet worden aangenomen dat de onzorgvuldige handelwijze van Volkswagen Bank met betrekking tot de Suzuki tot enig nadeel heeft geleid. Na april 2012 hebben [appellanten] evenwel niet meer de beschikking over de Seat gehad. De nog openstaande en door Volkswagen Bank gevorderde termijnen van de voor deze auto gesloten kredietovereenkomst zijn in het licht van het voorgaande te beschouwen als door [appellanten] geleden schade, ontstaan als gevolg van het onrechtmatig handelen van Volkswagen Bank.

  • -

    Per saldo heeft Volkswagen Bank na verrekening daarom niets meer te vorderen uit hoofde van de kredietovereenkomst met betrekking tot de Seat en zal haar vordering op dit punt alsnog worden afgewezen. Ook [appellanten] hebben gelet op al het voorgaande na verrekening aan hoofdsom niets meer te vorderen (zie hierna wat betreft de bijkomende posten).

6.7.

Met grief XV betwisten [appellanten] de juistheid van het oordeel van de kantonrechter dat de kosten van de verzekeringspremie en de wegenbelasting voor de Seat Altea die sinds februari 2012 doorliepen niet op Volkswagen Bank kunnen worden afgewenteld.

Volkswagen Bank heeft hiertegen aangevoerd dat de auto tot de verkoop ervan op naam van [appellanten] bleef staan en zij daarom ook de aan die auto verbonden kosten dienden te betalen.

Het hof is van oordeel dat ook deze grief slaagt. Volkswagen Bank heeft in haar schrijven van 17 februari 2012 aan de toenmalige gemachtigde van [appellanten] geschreven dat de auto bij Autobedrijf [Autobedrijf] kon worden ingeleverd. Indien [appellanten] inderdaad de auto hadden kunnen inleveren was die “van de openbare weg” geweest en hadden zij ter beperking van hun kosten de auto voor de verzekering en de belasting kunnen schorsen. [appellanten] hebben de auto bij [Autobedrijf] ter inlevering aangeboden maar die heeft, zo hebben zij onweersproken gesteld, geweigerd de auto in te nemen. Daardoor bleven [appellanten] tegen hun zin in het bezit van de auto en liepen de kosten van de belasting en de verzekering door. Gelet op het gegeven dat [Autobedrijf] in deze als een door Volkswagen Bank ingeschakelde hulppersoon valt te beschouwen, dient de door diens handelen ontstane schade voor rekening en risico van Volkswagen Bank te blijven. Volkswagen Bank zal daarom worden veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van een bedrag ter zake van wegenbelasting en verzekeringspremie voor de Seat Altea van € 209,70.

6.8.

[appellanten] hebben de veroordeling van Volkswagen Bank gevorderd tot betaling van de gemaakte kosten voor de deskundige, [deskundige], ten bedrage van € 1.398,13. Zij leggen aan deze vordering het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW ten grondslag.

Het hof begrijpt deze stelling aldus dat [appellanten] [deskundige], werkzaam als financieel adviseur voor een onderneming genaamd "Woongoed Hypotheken", als deskundige hebben ingeschakeld ten einde de aansprakelijkheid van Volkswagen Bank vast te stellen. Uit de stukken valt af te leiden dat [appellanten] de heer [deskundige] hebben ingeschakeld om vast te stellen of er sprake was geweest van, kort gezegd, verantwoorde kredietverlening door Volkswagen Bank. Met machtiging van [appellanten] heeft [deskundige] correspondentie gevoerd met Volkswagen Bank, is hij bij een bespreking van Volkswagen Bank met [appellanten] geweest en heeft hij zijn bevindingen over de kredietverlening door Volkswagen Bank doen toekomen aan de toenmalige gemachtigde van [appellanten]. Voor zijn werkzaamheden heeft [deskundige] facturen tot het door [appellanten] in deze gevorderde bedrag toegestuurd.

Het hof is van oordeel dat de kosten, gemoeid met het inschakelen van de heer [deskundige], redelijke kosten zijn ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van Volkswagen Bank uit hoofde van -kort gezegd- onverantwoorde kredietverlening als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW die voor vergoeding door Volkswagen Bank in aanmerking komen. Toen [appellanten] er door derden op gewezen werden dat het door Volkswagen Bank aan hen verstrekte krediet en de daarmee samenhangende betalingsverplichtingen wel erg hoog waren hebben zij zich als leken tot een deskundige op het gebied van financiering gewend. Die heeft, naar uit de voorgaande overwegingen van het hof blijkt, terecht na onderzoek vastgesteld dat Volkswagen Bank in strijd met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van onder meer de Wft heeft gehandeld.

6.9.

De vordering van [appellanten] ter zake van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd.

6.10.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep, behoudens de uitgesproken verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst betreffende de Seat Altea is ontbonden, zal worden vernietigd. De vorderingen van Volkswagen Bank (in conventie) zullen alsnog worden afgewezen. Ook de vorderingen van [appellanten] (in reconventie) zullen worden afgewezen. Daarnaast zal Volkswagen Bank worden veroordeeld in de kosten als hiervoor vermeld in de overwegingen 6.7 en 6.8. Volkswagen zal tot slot, als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom onder zaaknummer 2080767 CV EXPL 13-2960 gewezen vonnis van 30 oktober 2013 met uitzondering van de in dat vonnis uitgesproken verklaring voor recht dat de litigieuze huurkoopovereenkomst tussen Volkswagen Bank en [appellanten] betreffende de Seat Altea is ontbonden;

wijst de overige vorderingen van Volkswagen Bank af;

veroordeelt Volkswagen Bank tot betaling aan [appellanten] van € 209,70 ter zake van gemaakte kosten voor wegenbelasting en verzekeringspremie;

veroordeelt Volkswagen Bank tot betaling aan [appellanten] van € 1.398,13 ter zake van de kosten van de ingeschakelde deskundige [deskundige];

veroordeelt Volkswagen Bank in de kosten van de procedure in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 3.052,54, bestaande uit:

€ 750,00 salaris gemachtigde in 1e aanleg

€ 98,54 kosten dagvaarding in hoger beroep

€ 308,00 griffierecht in hoger beroep

€ 1.896,00 salaris advocaat in hoger beroep;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders door [appellanten] gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, L.S. Frakes en J.W.P.M. van der Velden en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.

griffier rolraadsheer