Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:993

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
200 129 702_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1775
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3569
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3760
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2016:2015
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

akte over producties na het tussenarrest van 14 juni 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.129.702/01

arrest van 14 maart 2017

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr.drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 juni 2014, 9 september 2014 en 23 september 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder nummer 719749 cv expl 12-3198 gewezen vonnis van 17 april 2013.

13 De tussenarresten van 17 juni 2014, 9 september 2014 en 23 september 2014

Bij het tussenarrest van 17 juni 2014 heeft het hof het voornemen uitgesproken (a) [geïntimeerde] toe te laten tot het bewijs van “feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat Spaar Select [geïntimeerde] heeft geadviseerd met betrekking tot de onderhavige effectenleaseproducten van Dexia en dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat Spaar Select [geïntimeerde] heeft geadviseerd met betrekking tot de onderhavige effectenleaseproducten van Dexia” (ro. 4.16.17) en
(b) aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen over de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg (ro. 4.18.6). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen een prejudiciële vraag te stellen.

Bij het tussenarrest van 9 september 2014 is de voornoemde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld.

Bij het tussenarrest van 23 september 2014 is tussentijds beroep in cassatie opengesteld tegen het tussenarrest van 17 juni 2014.

14 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 1 mei 2015 en de daaraan voorafgaande bij de Hoge Raad gewisselde stukken;

- de akte van [geïntimeerde] van 11 augustus 2015 over de prejudiciële beslissing;

- de akte van Dexia van 11 augustus 2015 over de prejudiciële beslissing;

- het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016, de conclusie van de advocaat-generaal van 5 februari 2016 en de cassatiedagvaarding van 17 september 2014;

- de akte van Dexia van 1 november 2016;

- de antwoordakte van de [geïntimeerde] van 29 november 2016, met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

15 De verdere beoordeling

15.1.

Het door Dexia ingestelde beroep in cassatie is bij het voornoemde arrest van 2 september 2016 verworpen. Dexia heeft in haar daaropvolgende akte geconcludeerd dat [geïntimeerde] moet worden toegelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat hij beleggingsadvies heeft ontvangen van Spaar Select en dat Dexia dat wist of heeft moeten weten. [geïntimeerde] heeft bij zijn laatste akte aan de hand van de door hem overgelegde producties betoogd dat de bewijslast op dit punt op Dexia rust, althans dat hij het gevraagde bewijs (voorshands, behoudens tegenbewijs) heeft geleverd. [geïntimeerde] heeft daartoe bij zijn laatste akte producties 21 tot en met 40 overgelegd:

21 - 22: tekst internetsite Bank Labouchere mei 2000 en pagina uit het jaarverslag van deze bank 1997;

23: artikel uit Het Financieele Dagblad 22 april 1998;

24 - 26: gespreksverslag, e-mail en brief van J. Troost;

27 - 31: informatiefolder, handleiding en brieven Bank Labouchere;

32: Memorandum Dexia;

33 - 38: tekst internetsite, brochures, handboeken en verklaringen van medewerkers Spaar Select;

39: pagina’s uit de jaarverslagen van Bank Labouchere 1999 en 2000;

40: beleidsbrief van STE.

15.2.

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] met deze producties al een aantal schriftelijke bewijsstukken heeft overgelegd, die kunnen bijdragen aan het bewijs dat het hof voornemens was aan hem op te dragen (zie 13 hierboven). Dexia is nog niet in de gelegenheid gesteld hier op te reageren en zal eerst in de gelegenheid worden gesteld hier schriftelijk op te reageren. Dexia wordt verzocht zich in haar akte uit te laten over de vraag of het aan [geïntimeerde] op te dragen bewijs al geleverd is en of Dexia tegenbewijs wenst te leveren. Vervolgens zal het hof beoordelen of de bewuste bewijsstukken tot een andere beslissing van het hof leiden dan de voorgenomen bewijsopdracht. De akte van Dexia strekt tot uitlating over de laatste producties van [geïntimeerde] , zodat [geïntimeerde] niet in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen.

15.3.

De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 1 mei 2015 kan indien nodig in een later stadium aan de orde komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

16 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 25 april 2017 voor het nemen van een akte door Dexia met uitsluitend het in 15.2. genoemde doel, waarna de zaak - zonder een gelegenheid voor een antwoordakte van [geïntimeerde] - naar de rol zal worden verwezen voor arrest;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.

griffier rolraadsheer